- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - F.09.0130.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Overeenkomstig artikel 18 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, en aangezien de artikelen 10 en 11 van de Overeenkomst niet anders luiden, zijn de inkomsten die een verdragsluitende Staat of een publiekrechtelijk rechtspersoon van een verdragsluitende Staat die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, toekent aan een verblijfhouder van de andere verdragsluitende Staat die de nationaliteit van die Staat heeft, uitsluitend belastbaar in de Staat waar de begunstigde verblijft (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

A.R. F.09.0130.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

S. P.,

Mr. Caroline Desbonnet, advocaat bij de balie te Doornik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 april 2009 gewezen door het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 18 van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel en goedgekeurd bij de wet van 14 april 1965, zoals zij van toepassing zijn op het aanslagjaar 2002.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt het volgende vast :

"De verweerder, Belg, is sinds 1996 onderzoeker bij het ‘Centre national de la recherche scientifique' (C.N.R.S.), een Franse openbare administratieve instelling waarvan de zetel gevestigd is te Rijsel (Franse Republiek), en hij is verbonden aan het Institut Pasteur te Rijsel;

Hij is ambtenaar van de Franse Staat en ontvangt dus beroepsinkomsten van een Frans bestuur;

Tijdens het belastbare tijdperk 2001 verbleef hij samen met zijn echtgenote, mevrouw C. L., te Doornik (Koninkrijk België)".

Het stelt tevens het volgende vast:

"Artikel 10 van de (Overeenkomst) bepaalt wat volgt:

1. De bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, zijn uitsluitend in deze Staat belastbaar.

2. Met wederzijds akkoord zal deze bepaling kunnen worden uitgebreid tot de bezoldigingen van de personeelsleden van openbare lichamen of instellingen of van juridisch zelfstandige instellingen, door een van de verdragsluitende Staten of door de politieke onderdelen van deze Staat opgericht of gecontroleerd, zelfs indien deze lichamen of instellingen een nijverheids- of handelsactiviteit uitoefenen.

3. Nochtans vinden de voorafgaande bepalingen geen toepassing wanneer de bezoldigingen worden betaald aan verblijfhouders van de andere Staat, die de nationaliteit van deze Staat hebben",

waarna het arrest het volgende beslist:

"Aangezien de verweerder gedurende het litigieuze belastbaar tijdperk Belgisch verblijfhouder en Belg was, is artikel 10 van de voormelde (Overeenkomst) niet van toepassing;

(...) indien het afzonderlijk artikel van de (Overeenkomst), dat bepaalt wie bevoegd is om bezoldigingen van een ambtenaar te belasten, niet-toepasselijk wordt verklaard, zoals in dit geval, dan is de algemene regeling voor niet-zelfstandige beroepen, bepaald in artikel 11 van de (Overeenkomst), van toepassing;

Er moet toepassing worden gemaakt van artikel 11 van de (Overeenkomst), dat luidt als volgt:

1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van deze Overeenkomst, zijn de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend.

2. In afwijking van paragraaf 1 hierboven:

a) mogen de salarissen, lonen en andere bezoldigingen slechts worden belast in de verdragsluitende Staat waarvan de loontrekker verblijfhouder is, indien de volgende drie voorwaarden vervuld zijn:

1° de beneficiant verblijft tijdelijk in de andere verdragsluitende Staat voor een of meer tijdvakken welke gedurende het kalenderjaar 183 dagen niet te boven gaan;

2° zijn bezoldiging voor de tijdens dit verblijf uitgeoefende activiteit wordt ten laste genomen door een in eerstgenoemde Staat gevestigde werkgever;

3° hij oefent zijn activiteit niet uit ten laste van een in de andere Staat gelegen vaste inrichting of vaste installatie van de werkgever;

b) (...)

c) zijn de grensarbeiders die deze hoedanigheid aantonen door het overleggen van de grenskaart welke door de tussen de verdragsluitende Staten gesloten bijzondere overeenkomsten werd ingesteld, op hun salarissen, lonen en andere bezoldigingen die zij als dusdanig ontvangen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waarvan zij verblijfhouders zijn.

3. De bepalingen van paragraaf 2 zijn niet van toepassing op de bezoldigingen bedoeld in artikel 9 van deze Overeenkomst;

Het staat vast dat de verweerder grensarbeider was in de zin van artikel 11, § 2, c), van de bilaterale Overeenkomst ;

(...) Wanneer artikel 11, § 2, c), van de (Overeenkomst) vereist dat een verblijfhouder van een verdragsluitende Staat zijn beroep uitoefent in een grenszone van de andere Staat, dan moet hieronder het geheel van de beroepsactiviteit en niet een gedeelte ervan worden verstaan, zodat wanneer een gedeelte, of zelfs maar een miniem gedeelte, van de activiteit buiten die zone uitgeoefend wordt, de bezoldigingen in hun geheel niet onder de afwijkende regeling voor grensarbeiders vallen, maar onderworpen blijven aan de algemene belastingregeling, bepaald in de eerste paragraaf van dat artikel;

(...) Wegens de verplaatsingen die de verweerder gemaakt heeft om deel te nemen aan de werkvergaderingen te Courtaboeuf op 30 oktober 2001 (...) en te Parijs op 1 november 2001 (Europese actie tegen tuberculose), waarvan de belastingadministratie niet betwist dat deze wel degelijk hebben plaatsgevonden en dat zij in verband staan met zijn gebruikelijke activiteit, kan de betrokkene niet langer als grensarbeider worden aangemerkt en valt hij bijgevolg niet onder de belastingregeling die op deze arbeiders van toepassing is (...);

Krachtens artikel 11, § 1, van de (Overeenkomst), moeten de inkomsten die de verweerder in de loop van het aanslagjaar 2002 in Frankrijk ontvangen heeft, belast worden in Frankrijk, dat is het land waar hij zijn beroep heeft uitgeoefend dat de inkomsten heeft opgebracht, en moeten zij in België van belasting worden vrijgesteld;

Krachtens die regeling werden de bezoldigingen van de verweerder door de Franse belastingdiensten in dat land belast;

De toepassing van artikel 11, § 1, van de (Overeenkomst) sluit de toepassing uit van artikel 18 van dezelfde overeenkomst dat in subsidiaire orde toepasselijk is".

en beslist bijgevolg dat het hoger beroep niet gegrond is en bevestigt het beroepen vonnis, dat de ontheffing van de litigieuze aanslag had bevolen.

Grieven

Artikel 11, § 1, van de Overeenkomst voert de regel in dat "de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar zijn in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend", maar bepaalt wel eerst dat die regel slechts van toepassing is "onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13".

Die bepaling sluit aldus uit dat ze van toepassing is op, met name, de in artikel 10 van de Overeenkomst bepaalde bezoldigingen, dat zijn "de bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent".

Genoemd artikel 10, § 1, van de Overeenkomst stelt als regel dat die bezoldigingen "uitsluitend belastbaar zijn (in de Staat die ze stort)". De derde paragraaf bepaalt evenwel dat die regel "geen toepassing vind(t) wanneer de bezoldigingen worden betaald aan verblijfhouders van de andere Staat, die de nationaliteit van deze Staat hebben".

Uit het onderling verband tussen de artikelen 11, § 1, en 10, § 1 en 3, van de Overeenkomst volgt derhalve, enerzijds, dat een bezoldiging die toegekend wordt door een van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijk rechtspersoon van die Staat, een inkomen is waarop artikel 11 van de Overeenkomst niet van toepassing is en, anderzijds, dat de Staat die deze bezoldiging heeft toegekend - of die door een publiekrechtelijke rechtspersoon van die Staat is toegekend - (in casu, Frankrijk) zijn alleenrecht op belastingheffing verliest wanneer de begunstigde van de bezoldiging voldoet aan twee voorwaarden, met name dat hij verblijfhouder van een andere Staat is (in casu, België) en de nationaliteit van die andere verdragsluitende Staat heeft, zodat die andere verdragsluitende Staat aldus bevoegd blijft om de bezoldiging te belasten.

Hieruit volgt dat, wanneer een bezoldiging door een verdragsluitende Staat of door een publiekrechtelijk rechtspersoon van die verdragsluitende Staat (dat wil zeggen een bezoldiging waarop artikel 11, § 1, van de Overeenkomst niet van toepassing is) toegekend wordt aan een verblijfhouder van de andere verdragsluitende Staat die tevens de nationaliteit van die andere Staat heeft (dat wil zeggen een bezoldiging waarop artikel 10, § 1, van de Overeenkomst niet van toepassing is), de dubbele belasting slechts kan worden vermeden op grond van artikel 18 van de Overeenkomst, luidens hetwelk "de inkomsten van de verblijfhouders van één van beide verdragsluitende Staten, voor zover de vorenstaande artikelen van deze Overeenkomst niet anders luiden, slechts in deze Staat belastbaar zijn".

Uit het voorgaande volgt dat het arrest dus de draagwijdte van de artikelen 10, 11 en 18 van de Overeenkomst miskent door te beslissen dat artikel 11 kon worden toegepast omdat artikel 10, § 1, van de Overeenkomst, krachtens artikel 10, § 3, niet van toepassing was, terwijl artikel 11 uitdrukkelijk bepaalt dat zij de in artikel 10 bedoelde bezoldigingen niet regelt (schending van de artikelen 10 en 11 van de Overeenkomst) en door derhalve artikel 18 van dezelfde overeenkomst buiten toepassing te laten (schending van dat artikel 18).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Er bestaat geen grond om acht te slaan op de memorie van antwoord, die niet is neergelegd op de griffie van het Hof overeenkomstig de artikelen 1079 en 1092 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel

Volgens artikel 11, § 1, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, zijn de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van die overeenkomst, slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van die inkomsten is, wordt uitgeoefend.

Luidens artikel 10, § 1, van die overeenkomst, zijn de bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, uitsluitend in deze Staat belastbaar.

Uit het onderling verband tussen die bepalingen volgt dat artikel 11 niet van toepassing is op de bezoldigingen die toegekend worden door een verdragsluitende Staat of door een publiekrechtelijk rechtspersoon van een verdragsluitende Staat die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent.

Artikel 10, § 3, van de Overeenkomst sluit daarenboven de toepassing van artikel 10, § 1, uit wanneer de bezoldigingen toegekend worden aan verblijfhouders van de andere Staat die de nationaliteit van die Staat hebben.

In dergelijk geval zijn de bezoldigingen overeenkomstig artikel 18 van die Overeenkomst slechts belastbaar in de Staat waar de begunstigde verblijft, aangezien de voorgaande artikelen van de Overeenkomst hier niet van afwijken.

Het arrest, dat beslist dat de inkomsten die de verweerder, een Belgisch onderdaan die in België verblijft, in 2001 verkregen heeft voor de arbeid die hij verricht heeft in dienst van een Frans publiekrechtelijk rechtspersoon die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, in Frankrijk belast moeten worden, schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de verweerder in de kosten van zijn memorie van antwoord, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dubbele belasting

  • Overeenkomst tussen België en Frankrijk

  • Belgische verblijfhouder die in Frankrijk werkt

  • Werknemer van een Franse publiekrechtelijke rechtspersoon

  • Artikel 18

  • Toepassing

  • Belasting in België