- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - F.09.0154.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De overheid die krachtens artikel 4 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen bevoegd is om het kohier vast te stellen, kan de belastingaanslag ambtshalve vaststellen wanneer de belastingplichtige zijn aangifteplicht niet nakomt, hetzij omdat hij geen aangifte doet binnen de gestelde termijnen, hetzij omdat zijn aangifte onjuist, onvolledig of onnauwkeurig is; wanneer de overheid de belastingaanslag ambtshalve vaststelt, is zij gehouden de in artikel 6, tweede lid, bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren; zij hoeft die procedure alleen dan niet te volgen wanneer de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig de aangifte van de belastingplichtige, zodat laatstgenoemde geen enkele reden heeft om die aanslag te betwisten en zijn recht van verdediging dus niet kan worden miskend (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0154.F

1. STAD STAVELOT,

2. STAD MALMEDY,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. J., advocaat,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie en mr. Dominique Lambot, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 9 oktober 2009 op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 15 januari 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6, eerste tot derde lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen ;

- artikel 7 van de verordening van 24 juni 2003 van de stad Stavelot tot vaststelling van een belasting op feesten en vermakelijkheden.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest stelt in substantie vast dat de stad Stavelot, bij een belastingverordening van 24 juni 2003, een belasting op feesten en vermakelijkheden heeft ingesteld voor de aanslagjaren 2003 tot 2006; dat de promotievennootschap "Société de promotion du circuit de Spa-Francorchamps" aan de vennootschap Didier Defourny Formula 1 het recht heeft toegekend om in onderaanneming het circuit van Spa- Francorchamps te exploiteren en te gebruiken voor de organisatie van de Grote Prijs van België Formule 1; dat dit circuit deels op het grondgebied van de stad Stavelot en deels op dat van de stad Malmedy gelegen is; dat de vennootschap Didier Defourny Formula 1 de Grote Prijs van België op het circuit van Spa-Francorchamps georganiseerd heeft in augustus 2004; dat de promotievennootschap in verschillende brieven (de laatste dateert van 15 oktober 2004) aan de vennootschap Didier Defourny Formula 1 precieze inlichtingen heeft gevraagd over de kaartverkoop van de Grote Prijs van 2004, aangezien de gemeentelijke overheden van Stavelot en Malmedy haar daarom hadden gevraagd; dat de vennootschap Didier Defourny Formula 1 die inlichtingen bij brief van 25 oktober 2004 aan de promotievennootschap heeft verstrekt; dat laatstgenoemde aan de eerste en aan de tweede eiseres in een brief van 24 november 2004, de kaartverkoop heeft meegedeeld, die afgesloten was op 23 november 2004; dat de eerste eiseres op basis van die inlichtingen in december 2004 op naam van de vennootschap Didier Defourny Formula 1 (door haar ten onrechte "DDGP" genoemd) een gemeentebelasting van 690.465,17 euro heeft ingekohierd voor het aanslagjaar 2004,

Het wijzigt vervolgens het beroepen vonnis, vernietigt de belasting van de eerste eiseres en veroordeelt haar, samen met de tweede eiseres, in de kosten van de twee instanties.

Het bestreden arrest grondt die beslissing in substantie op de volgende redenen:

Luidens de belastingverordening van de stad Stavelot, moeten de belastingplichtigen aangifte doen van "les éléments nécessaires à la taxation au service de la taxe communale dans les trente jours suivant le spectacle" (artikel 7, eerste lid); "à défaut de déclaration dans les délais prévus ou en cas de déclaration incomplète, incorrecte ou imprécise, l'administration communale aura recours à l'article 6, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi du 24 décembre 1996: le contribuable est imposé d'office, d'après les éléments dont l'administration peut disposer, sauf le droit de réclamation et de recours. Avant de procéder à la taxation d'office, le collège échevinal notifie au redevable, par lettre recommandée à la poste, les motifs du recours à cette procédure, les éléments sur lesquels la taxation est basée ainsi que le mode de détermination de ces éléments et le montant de la taxe. Si, dans les trente jours à compter de la date d'envoi de cette notification, le contribuable n'a émis aucune observation, il sera procédé à l'enrôlement d'office de la taxe, majorée d'un montant égal à 100 p.c. de ladite taxe" (artikel 7, vierde en vijfde lid).

De belastingplichtige vennootschap Didier Defourny Formula 1 heeft bij de eerste eiseres geen aangifte gedaan van de gegevens die nodig zijn om de belasting te berekenen en heeft evenmin, zelfs niet stilzwijgend, de promotievennootschap gelast die aangifte in haar naam te doen. Zij heeft de inlichtingen betreffende de ontvangsten van de Grote Prijs 2004 aan de promotievennootschap meegedeeld overeenkomstig de haar bij de concessieovereenkomst van 30 januari 2004 opgelegde verplichtingen. De promotievennootschap heeft die inlichtingen aan de eerste eiseres doorgestuurd omdat de gemeentelijke overheden haar, volgens haar brief van 15 oktober 2004, die gegevens hadden gevraagd, "wat de stelling bevestigt dat de belastingheffende overheden die inlichtingen aan de promotievennootschap gevraagd hebben in het kader van hun bevoegdheid om een onderzoek ten aanzien van derden in te stellen (zie artikel 12 van de wet van 24 december 1996) en om de door de belastingplichtige aangegeven cijfers na te gaan".

Bij gebrek aan een regelmatige aangifte van de gegevens die nodig zijn om de litigieuze belastingen te berekenen, waren de gemeentelijke overheden wettelijk verplicht om de belastingaanslag ten aanzien van de vennootschap Didier Defourny Formula 1 ambtshalve vast te stellen overeenkomstig artikel 6 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, door met name bij een ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige de redenen te betekenen waarom zij van deze procedure gebruik maakte, alsook de elementen waarop de aanslag is gebaseerd en de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. Aangezien de vormvereisten van die procedure van ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag niet zijn nageleefd, moeten de litigieuze belastingen nietig verklaard worden.

Grieven

Artikel 6 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen bepaalt in de eerste drie leden wat volgt :

"Indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, wordt, bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve ingekohierd.

Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen".

Volgens de parlementaire voorbereiding van die wet "voorziet artikel 6 in de mogelijkheid de belasting ambtshalve in te kohieren bij gebrek aan aangifte binnen de reglementair gestelde termijnen, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige" (verslag namens de commissie voor de binnenlandse zaken, de algemene zaken en het openbaar ambt, Gedr. St. Kamer, 1995-1996, nr. 461/4, weergegeven in Pasin., 1996, 3252).

Artikel 6 van de wet van 24 december 1996 is kennelijk gebaseerd op artikel 351 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, luidens hetwelk "de administratie de aanslag", in de daarin bepaalde gevallen, "ambtshalve kan vestigen".

De bewoordingen "wordt de belasting ambtshalve ingekohierd" in het eerste lid van artikel 6 moeten dus worden begrepen als "kan de belasting ambtshalve ingekohierd worden".

Bij gebrek aan aangifte binnen de bij de verordening bepaalde termijn, kan de gemeente dus beslissen dat er redenen zijn om de belasting niet ambtshalve in te kohieren, zoals met name, in dit geval, het feit dat de promotievennootschap de inlichtingen buiten de in de belastingverordening bepaalde termijn van een maand heeft meegedeeld.

Het bestreden arrest dat beslist dat de eerste eiseres de belastingaanslag ambtshalve had moeten vaststellen omdat de belastingplichtige geen aangifte had gedaan binnen de bij de belastingverordening bepaalde termijn, schendt bijgevolg de artikelen 6, eerste tot en met derde lid, van de wet van 24 december 1996 en 7 van de belastingverordening van 24 juni 2003 van de stad Stavelot, dat de bewoordingen van die wetsbepaling herhaalt.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel

Artikel 6, eerste lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen bepaalt dat, indien de belastingverordening in de verplichting van aangifte voorziet, de belasting bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, ambtshalve wordt ingekohierd.

Luidens het tweede lid van die bepaling, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, aan de belastingplichtige, bij een ter post aangetekende brief, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

Het derde lid van artikel 6 bepaalt dat de belastingplichtige over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

Uit die bepalingen volgt dat, wanneer de belastingplichtige zijn aangifteplicht niet nakomt, hetzij omdat hij geen aangifte doet binnen de gestelde termijnen, hetzij omdat zijn aangifte onjuist, onvolledig of onnauwkeurig is, de overheid de belastingaanslag ambtshalve kan vaststellen.

Wanneer de overheid daartoe overgaat, is zij gehouden de in voormeld artikel 6, tweede lid, bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren.

De overheid hoeft die procedure alleen dan niet te volgen wanneer zij zich ertoe beperkt de aanslag vast te stellen overeenkomstig de aangifte van de belastingplichtige, zodat laatstgenoemde geen enkele reden heeft om die aanslag te betwisten en zijn recht van verdediging dus niet kan worden miskend.

Het bestreden arrest oordeelt dat Didier Defourny Formula 1 nv, de belastingplichtige, de bij de litigieuze belastingverordeningen voorgeschreven aangifte niet zelf heeft gedaan en dat de promotievennootschap "Société de promotion du circuit de Spa-Francorchamps" niet als lasthebber van die belastingplichtige is opgetreden toen zij de eindafrekening van de kaartverkoop van de Grote Prijs van 2004 meedeelde aan de betrokken gemeentelijke overheden. Het verantwoordt bijgevolg naar recht zijn beslissing dat "bij gebrek aan een regelmatige aangifte van de gegevens die nodig zijn om de litigieuze belastingen te berekenen, de eiseressen wettelijk verplicht waren om de belastingaanslag ten aanzien van de vennootschap Didier Defourny Formula 1 ambtshalve vast te stellen overeenkomstig artikel 6 van de wet van 24 december 1996".

Noch het eerste middel noch het eerste onderdeel van het tweede middel kunnen worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verplichte aangifte

  • Laattijdige, onjuiste of onvolledige aangifte

  • Geen regelmatige aangifte

  • Procedure van ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag

  • Verplichting van de belastingheffende overheid

  • Vrijstelling