- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - F.07.0109.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Henkes.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.07.0109.F

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FORTIS BANK, naamloze vennootschap,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de rechtbank van eerste aanleg te Verviers van 29 juni 2007 en op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 4 november 2005.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1101, 1102, 1119, 1121, 1123, 1126, 1127, 1130, 1134, 1137, 1165, 1166, 1167, 1236, 1241, 1271, 1382, 1383, 1892, 1893, 1895, 1902, 1903, 1904, 1915, 1918, 1919, 1921, 1922, 1927, 1928, 1932, 1984, 1987, 1988, 1989, 1991, 1992, 1993 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 7, 8 en 9 van de wet van 16 december 1851 tot herziening van het hypothecair stelsel;

- de artikelen 1390, 1407, 1408, 1409, 1409bis, 1410, 1411, 1412, 1412bis, 1415, 1445, 1451, 1452, 1453, 1456, 1457, 1458, 1489, 1494, 1539 en 1540 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

- de artikelen 34 en 34bis van de wet van 25 ventôse jaar XI (16 maart 1803) op het notarisambt.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart de rechtsvordering van de eiser ongegrond, verwerpt ze en veroordeelt hem in de kosten, om de volgende redenen:

"Het volledige vermogen van een schuldenaar vormt het gezamenlijk onderpand van zijn schuldeisers, daar ‘alle op een rekening gestorte bedragen in beginsel ten laste van de houder van die rekening in beslag kunnen worden genomen' [...], maar 'de bedragen die door een houder worden gestort op een bijzondere rekening die uitsluitend bedoeld is voor gelden van cliënten, worden door de houder van de rekening tijdelijk bewaard en maken dus geen deel uit van zijn vermogen', zodat een schuldeiser hierop geen beslag onder derden kan leggen ten laste van de houder van die bijzondere rekening; [...] die regel moet worden toegepast op de beroepsrekeningen van advocaten, Carpa-rekeningen genaamd; [...] elke advocaat moet immers houder zijn van een rekening die uitsluitend dient voor de verhandeling van geldsommen waarmee hij in de uitoefening van zijn beroep te maken krijgt; [...] [de] derdenrekening [...] moet worden geopend bij een bank die erkend is door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, die nooit schuldenaar kan zijn, enz.; [...] de derdenrekening en de verhandeling van gelden van derden door advocaten worden thans geregeld door een reglement van de Ordre des barreaux francophones et germanophone van 16 januari 2006; [...] voordien, en met name op het ogenblik van het litigieuze beslag, golden reeds soortgelijke bepalingen, vastgelegd in een reglement van de Nationale Orde van 19 januari 1989, waaraan alle Belgische advocaten krachtens artikel 501 van het Gerechtelijk Wetboek onderworpen waren; [...] er bestond ook een reglement van de Nationale Orde van Advocaten van 10 januari 1992 krachtens hetwelk een advocaat, wanneer hij bijvoorbeeld voor een derde bestemde bedragen in zijn bezit had en vernam dat de schuldeiser van die derde in de handen van zijn cliënt derdenbeslag had laten leggen, ervan moest uitgaan dat de bedragen op de Carpa-rekening door het derdenbeslag waren getroffen en zijn cliënt dus moest verzoeken om die bedragen in zijn verklaring van derde-beslagene op te nemen en ze over te maken aan wie ze rechtens toekwamen; [...] op grond van die bijzondere kenmerken en de latere opmerkingen moet dus worden aangenomen dat de derdenrekeningen van advocaten geen deel uitmaken van hun vermogen; [...] een gedeelte van de rechtsleer en de rechtspraak is het hier echter niet mee eens en wijst met name op het begrip rekening en het beginsel van de vervangbaarheid van de daarop gestorte bedragen, alsook op het gebrek aan wettelijke bepalingen die van het gemeen recht zouden afwijken en zodoende een onderscheid zouden maken tussen de situatie van de advocaat en die van de notaris, welke bij wet geregeld is; [...] de rechtbank oordeelt dat de leer van de kwaliteitsrekening van toepassing is op de Carpa-rekening; [...] volgens die leer blijft een rekening, waarvan uitdrukkelijk is bepaald dat de houder deze in een bijzondere hoedanigheid aanhoudt, gescheiden van het vermogen van de houder; [...] het creditsaldo van dergelijke rekeningen maakt geen deel uit van het vermogen van de rekeningen maar van dat van de personen aan wie het saldo uiteindelijk geheel of gedeeltelijk moet toekomen, ook al bestaat dat saldo uit bedragen die toekomen aan verschillende personen die ten aanzien van de houder derden zijn; [...] die oplossing is met name hierop gebaseerd dat de benaming van de rekening en de bijzondere hoedanigheid van de houder ervan al volstaan om de onverdeeldheid, die deze elementen voor het vermogen van de houder ervan tot gevolg hebben, aan derden te kunnen tegenwerpen, alsook op de tegenwerpelijkheid, aan derden, van de fiduciaire overdracht tot beheer; [...] de leer van de kwaliteitsrekeningen is om de volgende redenen bijzonder goed van toepassing op de derdenrekeningen van advocaten:

- de toepassing van de regels waaraan ze onderworpen zijn, versterkt de scheiding tussen de persoonlijke activa en de bedragen die zij voor derden in bezit hebben;

- derden, en met name de Staat, worden van die bekendmaking op de hoogte gebracht; zij weten dat de advocaat niet alleen een derdenrekening moet hebben maar dat die derdenrekening daarenboven een specifieke benaming moet krijgen die door de advocaat ook gebruikt moet worden: [...] in tegenstelling tot wat de eiser beweert, is het niet de bedoeling om een niet op een wettekst gegrond voorrecht in het leven te roepen, daar de advocaat niet de eigenaar is van de bedragen die op de derdenrekening zijn gestort".

Grieven

In tegenstelling tot de regeling vervat in de artikelen 34 en 34bis van de wet van 25 ventôse jaar XI (16 maart 1803), waarvan de draagwijdte geactualiseerd werd bij de wet van 4 mei 1999 en die de notaris verplichten om afstand te doen van de bedragen en effecten die hij voor rekening van derden heeft ontvangen (hij mag ze niet langer dan één maand bewaren) en die hij, wanneer hij ze niet binnen die termijn aan hun bestemmelingen kan overhandigen, onder afzonderlijke rubrieken moet storten op bijzondere rekeningen, de zogenaamde rubriekrekeningen, bij een erkende openbare of privé-instelling, overeenkomstig de door de Koning te stellen regels, voorziet de wet niet in een bijzondere reglementering voor de bewaring, door een advocaat, van geldsommen die aan derden toebehoren of voor derden bestemd zijn en voor de rekeningen die door de advocaten geopend worden om er dergelijke geldsommen op te bewaren. Ze worden slechts geregeld door de wet van de medecontractanten en vallen dus onder de toepassing van de artikelen 1134 en volgende en, vooral, van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

In tegenstelling tot de notaris die, krachtens hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 10 januari 2002, en meer bepaald artikel 2 daarvan, geldsommen van derden niet vrij mag beheren, sluit de advocaat die een rekening opent overeenkomstig de beroepsregels die op hem van toepassing zijn en de beslissingen en reglementen van hetzij de algemene raad van de Nationale Orde, volgens de regeling die van toepassing was vóór de verdwijning van die Orde, hetzij de Ordre des barreaux francophones et germanophone, hetzij de Orde van advocaten waartoe hij behoort, met de bankinstelling van zijn keuze (waarbij het weinig uitmaakt of die instelling al dan niet door de Orde is "erkend") dus een overeenkomst voor het openen van een zichtrekening. Dergelijke overeenkomst is weliswaar geen overeenkomst van bewaargeving in de zin van artikel 1915 van het Burgerlijk Wetboek, maar is geheel onderworpen aan de bepalingen voor het sluiten en uitvoeren van contractuele verbintenissen en is, bijgevolg, een overeenkomst van dadelijk deposito van gelden die de advocaat alleen in eigen naam en uitsluitend voor eigen rekening aangaat. Noch bij het openen van de rekening noch in het kader van zijn beheer treedt hij op in de hoedanigheid van lasthebber van zijn cliënten of van derden die hem geldsommen overmaken of voor wie bepaalde, op die rekening overgeschreven geldsommen zijn bestemd, of dat nu is ten aanzien van de bankinstelling waarmee hij de overeenkomst van bewaargeving van gelden sluit dan wel ten aanzien van derden.

Ook al zijn de artikelen 1915 en 1293, 2°, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing, toch sluit de bank van haar kant alleen met haar medecontractant, de advocaat, een overeenkomst. De advocaat opent de rekening en stuurt de opdrachten van geldoverdracht naar de bank. Die verplichting is vergelijkbaar met die van de bewaarder.

Hieruit volgt dat bij die overeenkomst die betrekking heeft op de opening van het krediet en ongeacht de benaming ervan, alleen de advocaat en de bank partijen zijn in de zin van artikel 1101 van het Burgerlijk Wetboek, en dat die overeenkomst, conform artikel 1102 van datzelfde wetboek, voor beide partijen rechten en verplichtingen doet ontstaan.

Hoewel de overeenkomst beide partijen tot wet strekt en door hen moet worden nageleefd, kan zij volgens artikel 1134 van dat wetboek bij gebrek aan een bijzondere in een wet of contract vastgelegde regeling geen enkel recht ten behoeve van derden of verplichting ten laste van derden bevatten. Artikel 1119 bepaalt immers dat "niemand zich in het algemeen kan verbinden of iets kan bedingen in zijn eigen naam, dan voor zichzelf". Krachtens artikel 1121 kan van dat grondbeginsel uit het verbintenissenrecht slechts worden afgeweken door een bijzonder beding ten behoeve van een of meer derden. Dat beding moet dan echter wel de voorwaarde zijn van een beding dat de contractant voor zichzelf maakt.

De overeenkomst voor het openen van een zichtrekening, die de advocaat sluit, zelfs wegens de eventuele verplichtingen van openbare orde die zijn beroep hem opleggen, om geldsommen te innen die cliënten of derden hebben gestort en die hij, overeenkomstig de verbintenis die hij ten aanzien van zijn cliënten aangaat, aan hun eindbestemmeling overmaakt, ongeacht of die verplichting al dan niet is vastgelegd in beroepsregels, heeft een vaststaand, geoorloofd en welbepaald voorwerp in de zin van de artikelen 1126, 1127 en 1130 van het Burgerlijk Wetboek. Die overeenkomst bindt alleen de rekeninghouder en de bank die de rekening openen en het beheer ervan verzekeren overeenkomstig de artikelen 1134 en 1137 van het Burgerlijk Wetboek, maar onder voorbehoud van een uitdrukkelijk beding ten behoeve van derden dat, hoe dan ook, alleen bindend kan zijn voor de partijen die de zichtrekening hebben geopend en dat, bij gebrek aan enige wettelijke bepaling die hieraan een ruimere draagwijdte geeft, derhalve niet aan derden, zoals de fiscus, kan worden tegengeworpen krachtens artikel 1165 van datzelfde wetboek, luidens hetwelk overeenkomsten alleen gevolgen tussen de contracterende partijen teweegbrengen en aan derden geen nadeel toebrengen en hen slechts tot voordeel strekken in het geval voorzien bij artikel 1121.

Hieruit kan worden afgeleid dat de derdenrekening die door een advocaat wordt geopend - ongetwijfeld wegens de verplichtingen die zijn beroep hem oplegt, wat echter geen weerslag heeft op de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de overeenkomsten en de rechten van derden - voor beslag vatbaar is en niet kan ontsnappen aan de algemene regel die is vastgelegd in de artikelen 7, 8 en 9 van de wet van 16 december 1851 tot herziening van het hypothecair stelsel. Artikel 7 van die wet bepaalt dat "ieder die persoonlijk verbonden is, gehouden is zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige". Artikel 8 bepaalt dat "de goederen van de schuldenaar tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers strekken, en de prijs ervan onder hen naar evenredigheid van hun vordering wordt verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan", welke uit de opening van een zogenaamde derdenrekening, en ondanks de reglementen die van toepassing zijn op het beroep van advocaat, niet kunnen ontstaan. Artikel 9 bepaalt dat "de wettige redenen van voorrang de voorrechten en hypotheken zijn".

Zelfs als de geldsommen die de advocaat bewaart en die vervangbare zaken zijn, op een bijzondere rekening, zelfs een rubriekrekening, gestort worden die op naam en voor rekening van die advocaat is geopend, maken zij met name krachtens artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek deel uit van het vermogen van die advocaat, die de houder is van de bankrekening waarop die geldsommen zijn gestort, daar er geen afwijkende reglementering bestaat die ze uitdrukkelijk van zijn vermogen uitsluit. Die geldsommen maken bijgevolg ononderscheidenlijk deel uit van het gemeenschappelijk onderpand van de schuldeisers van die advocaat. De eventuele eindbestemmelingen van die geldsommen genieten, bij gebrek aan enige bijzondere wettelijke bepaling, geen enkel recht van voorrang of voorrecht en kunnen, in voorkomend geval, slechts een vordering tot teruggave instellen onder de bij wet bepaalde voorwaarden, als die rekening in beslag zou zijn genomen door een andere schuldeiser van de rekeninghouder.

Alle bedragen die op de rekening worden gestort, ook al zijn ze afkomstig van derden en van aan derden toebehorende geldsommen, worden immers vernieuwd in posten van de rekening, verliezen hun individueel karakter, en vermengen zich in de rekening, die deel uitmaakt van het vermogen van de houder, en worden vervangen door een vorderingsrecht op het saldo dat enkel het bezit is van de rekeninghouder, namelijk alleen de persoon die de rekening heeft geopend: de advocaat.

Wanneer die rekening het voorwerp uitmaakt van een bewarend of uitvoerend beslag onder derden, dient de financiële instelling, medecontractant van de rekeninghouder - de advocaat -, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek na te leven, zelfs als het om een zogenaamde derdenrekening gaat, aangezien noch de bedingen van, noch de voorwaarden voor het openen van die rekening aan derden kunnen worden tegengeworpen. Volgens die bepalingen moet de bankinstelling immers enerzijds haar verklaring van derde-beslagene meedelen, overeenkomstig de artikelen 1445 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en 1539 van dat wetboek, en anderzijds, en vooral, mag zij "de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van gewoon schuldenaar te worden verklaard voor de oorzaken van het beslag, onverminderd schadevergoeding ten aanzien van de partij, indien daartoe grond bestaat" (artikel 1540, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Hoewel de verplichting van de derde-beslagene krachtens het tweede lid van die bepaling "vastgesteld wordt door zijn verklaring", volgt uit die bepaling niet dat hij de geldsommen waarop derdenbeslag is gelegd mag vrijgeven, hetzij omdat de beslagene de regelmatigheid of zelfs de wettigheid van het derdenbeslag betwist hetzij, nog minder, omdat hijzelf het beslag onwettig, onregelmatig of ongegrond acht.

De derde-beslagene - en zeker een bankinstelling - is integendeel wettelijk verplicht om het derdenbeslag te eerbiedigen, zelfs als het kennelijk onwettig is. Alleen de beslagrechter kan vooraf verzocht worden om uitspraak te doen over de wettigheid van dat beslag, met name op grond van de artikelen 1407, 1415 en 1489 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vereenvoudigd beslag dat gelegd wordt krachtens de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, heeft dezelfde uitwerking als de bewarende of uitvoerende maatregelen die overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek worden uitgevoerd.

Het bestreden vonnis verantwoordt bijgevolg, om de in het middel herhaalde redenen, zijn beslissing niet naar recht volgens welke de verweerster de geldsommen die gestort waren op de zichtrekening, "derdenrekening" genaamd, terecht heeft overgemaakt aan de vereffenaar van het kantoor van de houder van de voormelde rekening, niettegenstaande het beslag dat de eiser had gelegd overeenkomstig de artikelen 164 en 165 van het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, miskent de verbindende kracht van de overeenkomst sui generis voor het openen van een zichtrekening, die gesloten werd tussen de verweerster en de rekeninghouder (schending van de artikelen 1101, 1102 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek), miskent de gevolgen die deze overeenkomst tussen de partijen teweegbrengt (schending van de artikelen 1119, 1123, 1126, 1127, 1130, 1137, 1892, 1893, 1895, 1902, 1903, 1904, 1915, 1919, 1921, 1922, 1927, 1932, 1984 en 1988 tot en met 1993, met uitzondering van artikel 1990, van het Burgerlijk Wetboek), miskent de regel volgens welke de contracterende partijen, behoudens andersluidend beding dat niet kan worden vermoed, zich alleen maar voor zichzelf verbinden (schending van de artikelen 1119 en 1121 van het Burgerlijk Wetboek), alsook het beginsel dat de overeenkomst alleen gevolgen teweegbrengt voor de partijen (schending van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek), verwart onwettig de uitdrukkelijk bij wet bepaalde regeling van de derdenrekeningen die notarissen op hun eigen naam openen maar voor rekening van de bestemmelingen van de geldsommen en activa die zij ontvangen in de uitoefening van hun ambt, met de regeling van de derdenrekeningen die advocaten uitsluitend op hun eigen naam en voor eigen rekening openen [schending van de artikelen 34 en 34bis van de wet van 24 ventôse jaar XI (16 maart 1803)], het beginsel dat het overmaken en storten van bedragen op de zichtrekening schuldvernieuwing teweegbrengt (schending van artikel 1271 van het Burgerlijk Wetboek), verleent aan de derden die geldsommen gestort hebben op de zichtrekening die geopend werd door de advocaat-rekeninghouder, en voor wie die geldsommen bestemd zijn, rechten die zij niet kunnen doen gelden (schending, met name, van de artikelen 1121, 1165, 1166, 1236, 1241 van het Burgerlijk Wetboek), miskent het beginsel volgens hetwelk de op de zichtrekening ingeschreven bedragen, onder voorbehoud van een eventuele door derden ingestelde vordering tot teruggave, deel uitmaken van het vermogen van de houder van die rekening en tevens het gezamenlijk onderpand van zijn schuldeisers vormen (schending van de artikelen 7, 8 en 9 van de hypotheekwet), miskent de wettelijke gevolgen, en met name het gevolg van totale onbeschikbaarheid en het aan derden opgelegde verbod om de in beslag genomen geldsommen ten behoeve van andere personen dan de beslaglegger vrij te geven, behalve wanneer de rekeninghouder of de derden de bij wet bepaalde rechtsmiddelen zouden aanwenden (schending van de in het middel bedoelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1540 van dat wetboek, en van de artikelen 164 en 165 van het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen) en acht de derde-beslagene, in strijd met de wet, niet aansprakelijk voor het feit dat hij van de bedragen waarop derdenbeslag is gelegd, ondanks het beslag, zonder voorafgaande toestemming van de rechter afstand heeft gedaan (schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 1540 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het bestreden vonnis stelt vast dat de rekening waarop de eiser, schuldeiser van advocaat H., het litigieuze derdenbeslag heeft gelegd, door die advocaat bij de verweerster werd geopend en dat het om een derdenrekening, de zogenaamde Carpa-rekening, gaat die uitsluitend dient om voor cliënten of derden bestemde geldsommen in ontvangst te nemen en waaraan een bijzondere benaming gegeven wordt die de houder dient te gebruiken.

Bij gebrek aan specifieke wettelijke bepalingen, behoren de geldsommen die gestort worden op een derdenrekening die de advocaat op zijn eigen naam en voor eigen rekening bij opent, ongeacht hun herkomst, tot de schuldvordering van die advocaat op de bank en vermengen ze zich met het geheel van zijn vermogen.

De persoonlijke schuldeisers van die advocaat kunnen derhalve in de handen van de bank derdenbeslag laten leggen op het creditsaldo van die rekening.

Het bestreden vonnis oordeelt dat "de bedragen die door een houder worden gestort op een bijzondere rekening die uitsluitend bedoeld is voor gelden van cliënten, [...] door de houder van de rekening tijdelijk [worden] bewaard en [...] geen deel uit[maken] van zijn vermogen". Het verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat "het saldo [van die rekening] niet het voorwerp kan uitmaken van vervolgingen door schuldeisers [van de houder] en dat het gelegde beslag niet geldig is", zodat de eiser "niet rechtsgeldig het bestaan [van dat] beslag kan aanvoeren om een tegen een derde-beslagene aangevoerd bezwaar te verantwoorden".

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over de tegenvordering van de verweerster;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Hoei.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 27 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Advocaat

  • In eigen naam geopende derdenrekening

  • Gedeelte van zijn vermogen

  • Creditsaldo

  • Persoonlijke schuldeisers van de advocaat

  • Derdenbeslag in handen van de bank

  • Wettigheid