- Arrest van 28 januari 2011

28/01/2011 - C.09.0360.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, houdt de beslissing in kort geding van rechtswege op uitwerking te hebben, dit ongeacht wat de kortgedingrechter heeft beslist omtrent de looptijd van de door hem bevolen maatregel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0360.N

1. EPIFIN, nv, met zetel te 9240 Zele, Spinnerijstraat 12,

2. DE PERSGROEP PUBLISHING, nv, met zetel te 1730 Asse-Kobbegem, Brusselsesteenweg 347,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseressen woonplaats kiezen,

tegen

LIFESTYLE PRESS, nv, met zetel te 1020 Brussel, Sint-Annacenter, Sint-Annadreef 68 B,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 februari 2009.

Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast:

- de arbitrale sententies verwerpen de vordering tot betaling van royalty's van G. V. omdat niet hij maar de verweerster de auteursrechten bezit;

- de arbitrale sententie van 29 januari 2007 verklaart de bijkomende en gewijzigde vordering van de verweerster die strekt tot betaling van royalty's niet ontvankelijk op grond van artikel 17 CEPINA-arbitragereglement;

- het arbitraal college deed geen uitspraak omtrent de gegrondheid van de aanspraken tot betaling van royalty's van de verweerster;

- de verweerster vermag haar vordering tot betaling opnieuw instellen in een nieuwe arbitrale procedure ten gronde.

Op grond hiervan oordelen de appelrechters dat de vordering van de verweerster tot het bekomen van een voorlopige maatregel kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 met betrekking tot de vordering om aan G. V. te betalen, ongedaan te maken.

2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters aldus oordelen louter op grond van de vaststelling dat het voorwerp van de vordering die door de arbiters werd beslecht verschillend is van het voorwerp van de huidige vordering en niet in concreto onderzoeken of de aanspraken van de verweerster kunnen worden ingewilligd zonder het voordeel van de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 ongedaan te maken, berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, strekt het gezag van gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan.

Het gezag van gewijsde is beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, om redenen van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al weze het impliciet, van de beslissing uitmaakt.

4. De arbitrale sententie van 29 januari 2007 oordeelt dat:

- G. V. geen aanspraak kan maken op royalty's omdat hij zijn auteursrechtelijke vermogensrechten heeft overgedragen aan de verweerster;

- de vordering van de verweerster, die er toe strekt de betaling te bekomen van die royalty's lastens de eiseressen en hiertoe haar oorspronkelijke vordering uitbreidt, op grond van artikel 17 CEPINA-arbitragereglement niet ontvankelijk is.

De appelrechters oordelen dat het arbitraal college geen uitspraak deed omtrent de gegrondheid van de aanspraken tot betaling van royalty's aan de verweerster en dat deze vermag haar vordering om betaling te bekomen opnieuw in te stellen in een nieuwe arbitrale procedure ten gronde, zodat de vordering van de verweerster tot het bekomen van een voorlopige maatregel kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 met betrekking tot de vordering om aan G. V. te betalen, ongedaan te maken.

Door aldus te oordelen miskennen de appelrechters het gezag van gewijsde noch de bewijskracht van de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

6. De appelrechters stellen onaantastbaar in feite vast:

- uit de financiële gegevens door de verweerster verstrekt blijkt dat haar voortbestaan bedreigd is;

- het gevaar bestaat dat de gewone rechtspleging ten gronde het geschil tussen de partijen niet tijdig zal oplossen, onder meer, omdat tegen de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 een nietigheidsvordering is ingesteld;

- de door de verweerster ingeroepen urgentie is niet aan haar te wijten of door haar in het leven geroepen.

Vervolgens oordelen zij dat het noodzakelijk is, teneinde verdere en mogelijk onherstelbare schade in hoofde van de verweerster te vermijden, de eiseressen te veroordelen tot betaling van een provisie.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de in artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek vereiste urgentie aanwezig is, naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

7. Op grond van de relevante passages van de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 die zij in extenso overnemen, oordelen de appelrechters dat uit die beslissingen blijkt dat de aanspraken van de verweerster minstens deels gegrond zijn.

Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, stellen de appelrechters aldus wel degelijk vast dat er prima facie geen redelijke twijfel kan bestaan over de schuld van de eiseressen.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

8. Uit de in het eerste middel tevergeefs bekritiseerde redenen volgt dat de appelrechters oordelen dat de arbitrale sententies van 20 januari 2006 en 29 januari 2007, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, het recht op betaling van royaltyvergoedingen ten aanzien van de verweerster niet ten gronde heeft afgewezen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

9. De appelrechters oordelen:

- de verweerster verwijst terecht naar het arrest van 31 mei 2001, waarin door het hof van beroep werd gesteld dat de ogenschijnlijke rechten van de verweerster en G. V. een adequate bescherming vergden;

- het zijn echter de gevelde arbitrale beslissingen van 20 januari 2006 en 29 januari 2007 waaruit blijkt dat de vordering van de verweerster prima facie minstens ten dele gegrond is.

10. Hieruit blijkt dat de appelrechters, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, de ogenschijnlijke rechten van de verweerster niet afleiden uit het arrest van 31 mei 2001, maar uit de vermelde arbitrale sententies.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

11. Krachtens artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Artikel 1039, eerste lid, van hetzelfde wetboek, bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

12. Uit de voormelde bepalingen volgt dat zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben, dit ongeacht wat de kortgedingrechter heeft beslist omtrent de looptijd van de door hem bevolen maatregel.

Het middel dat opkomt tegen een overtollige reden vertoont geen belang en is derhalve niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 526,55 euro jegens de eisende partijen en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Beslissing

  • Uitwerking

  • Maatregel

  • Looptijd

  • Beslissing van de bodemrechter