- Arrest van 28 januari 2011

28/01/2011 - C.10.0020.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het verzet van de verpachter tegen de pachtvernieuwing ingevolge een bevoorrechte pachtoverdracht moet betrekking hebben op het door hem verpachte goed; de onverdeeldheid waarin de verpachter zich met betrekking tot dit goed bevindt, staat er niet aan in de weg dat hij tegen deze pachtvernieuwing kan opkomen om zijn verzet geldig te horen verklaren met het oog op de exploitatie van zijn deel van het goed door zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot, of de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen (1). (1) Het O.M. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid van het eerste middel vermits het van oordeel was dat dit middel nieuw was nu uit de stukken waarop het Hof vermocht acht te slaan, niet bleek niet dat de partijen voor de feitenrechter enig feit hebben aangevoerd dat met de volgens het middel te onderzoeken, maar beweerd niet onderzochte gegevens verband houdt en uit de bestreden beslissing evenmin bleek dat het bestreden vonnis feitelijke gegevens vaststelt die op de als geschonden aangewezen bepaling betrekking hebben.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0020.N

1. L.P., en,

2. L.G.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. B.G., en,

2. N.D.,

3. B.W., en,

4. D.R.,

verweerders,

5. B.W., en,

6. V.A.

verweerders,

partijen opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, van 20 mei 2009.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 30, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de pachter van landeigendommen, in afwijking van artikel 1717 Burgerlijk Wetboek en onder voorbehoud van het daarna bepaalde, zijn pacht niet geheel of ten dele aan anderen kan overdragen zonder toestemming van de verpachter.

Artikel 34, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de pachter, zonder toestemming van de verpachter, zijn pacht geheel kan overdragen aan de in deze bepaling aangeduide personen.

Artikel 35, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat, op voorwaarde dat de pachter binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer aan de verpachter kennis geeft van de pachtoverdracht die de pachter heeft gedaan aan de bedoelde personen en hem daarbij de namen, voornamen en het adres van de overnemer of de overnemers meedeelt, van rechtswege pachtvernieuwing ten hunne voordele ontstaat bij gebreke van geldig verklaard verzet van de verpachter.

Artikel 36, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de verpachter aan wie tijdig kennis is gegeven van de overdracht, kan opkomen tegen de pachtvernieuwing door de vroegere en de nieuwe pachter, op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving van de overdracht, voor de vrederechter te dagvaarden, ten einde zijn verzet geldig te horen verklaren.

Artikel 37, § 1, 2°, Pachtwet bepaalt dat als ernstige reden van verzet kan aanvaard worden het voornemen van de verpachter om het verpachte goed binnen een termijn van minder dan vijf jaar zelf te exploiteren of de exploitatie over te dragen aan de in deze bepaling aangeduide personen.

2. Uit deze bepalingen volgt dat het verzet van de verpachter tegen de pachtvernieuwing ingevolge een bevoorrechte pachtoverdracht betrekking moet hebben op het door hem verpachte goed.

De overdeeldheid waarin de verpachter zich met betrekking tot dit goed bevindt, staat er niet aan in de weg dat hij tegen deze pachtvernieuwing kan opkomen om zijn verzet geldig te horen verklaren met het oog op de exploitatie van zijn deel van het goed door de in artikel 37, § 1, 2° Pachtwet aangeduide personen.

Het middel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. De appelrechters oordelen dat "Artikel 37 van de Pachtwet duidelijk (voorziet) dat de verpachter zich kan verzetten tegen de pachtvernieuwing door de pachter en dit om de in dat artikel voorziene redenen" en onderzoeken vervolgens de regelmatigheid van het verzet door de verweerders sub 1 tot en met 4.

Door te oordelen "(De eisers) roepen ten onrechte de toepassing in (...) van artikel 577-2, § 5, van het Burgerlijk Wetboek om het verzet te horen afwijzen" beantwoorden en verwerpen de appelrechters de met hun beoordeling door de eisers aangevoerde strijdige rechtsopvatting.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Artikel 577-2, § 5, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat andere daden van beheer dan daden van behoud van het goed en daden van voorlopig beheer, alsmede daden van beschikking om geldig te zijn moeten geschieden met medewerking van alle mede-eigenaars. Evenwel kan een der mede-eigenaars de overige noodzaken deel te nemen aan daden van beheer waarvan de rechter de noodzakelijkheid erkent.

5. Als mede-eigenaars verzet wensen te doen tegen een pachtoverdracht waarvan het overeenkomstig artikel 35 Pachtwet is kennis gegeven door een pachter die tegelijk mede-eigenaar is, dan verplichten zij deze pachter mede-eigenaar deel te nemen aan deze daad van beheer door hem te dagvaarden in verzet overeenkomstig artikel 36 Pachtwet.

Als de rechter dit verzet gegrond verklaart dan erkent hij daardoor de noodzaak van de beheersdaad gesteld op initiatief van de verzetdoende mede-eigenaars.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

In zoverre het onderdeel artikel 37, § 1, 2°, Pachtwet als geschonden aanwijst, bevat het geen zelfstandige grief, zodat het in zoverre niet ontvankelijk is.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 857,33 euro jegens de eisende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bevoorrechte pachtoverdracht

  • Pachtvernieuwing

  • Verpachter

  • Verzet

  • Voorwaarde

  • Mede-eigenaar