- Arrest van 31 januari 2011

31/01/2011 - S.10.0030.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de berekening van de bestaansmiddelen van de aanvrager van het leefloon kunnen, binnen de grenzen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont, in aanmerking worden genomen; die bepaling machtigt de Koning om de gevallen te bepalen waarin de bestaansmiddelen van de samenwonenden van de aanvrager van het leefloon in aanmerking moeten of kunnen komen of niet in aanmerking worden genomen (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0030.F

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LA LOUVIÈRE,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

E. B.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 16 december 2009 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 108, 149 en 159 van de Grondwet;

- de artikelen 14, inzonderheid § 1, eerste lid, 3°, en § 2, en 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, zoals gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 maart 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon;

- artikel 34, inzonderheid § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, genomen ter uitvoering van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vermeldt het volgende:

"I. (...) in dit geschil, dat tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort, werden de partijen in hun middelen gehoord op de openbare rechtszitting van de zevende kamer van 18 november 2009; na de pleidooien werd de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie dat meteen een mondeling advies heeft uitgebracht; gelet op de replieken waarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting akte werd genomen.

II. Wat de middelen in hoger beroep betreft, betoogt de eiser in substantie dat het beroepen vonnis artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 schendt, in zoverre het voor onbepaalde tijd, vanaf 24 augustus 2008 en uiterlijk tot 31 augustus 2009, een leefloon voor personen met 'gezinslast' toekent maar van dat leefloon niet de kinderbijslag voor wezen aftrekt die de echtgenote van de verweerder voor haarzelf ontvangt (zij is nog steeds studente), hoewel dit ontegenzeglijk 'bestaansmiddelen' zijn.

[De verweerder] betoogt van zijn kant dat, zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 van toepassing zou zijn, de aftrek van de kinderbijslag facultatief is ; dat artikel, dat vervat is in een koninklijk besluit, zou strijdig zijn met artikel 16 van de wet van 26 mei 2002, krachtens hetwelk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat soort bestaansmiddelen in aanmerking kan nemen, zonder dat het daartoe evenwel verplicht is, terwijl het koninklijk besluit het net verplicht om ze in aanmerking te nemen ; het leefloon moet de betrokkenen in elk geval in staat stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, wat niet het geval zou zijn wanneer de door de echtgenote van de verweerder ontvangen kinderbijslag voor wezen hiervan afgetrokken zou worden ; de verweerder verklaart ten slotte dat hij zich voor de terugvordering van het voorschot van 120 euro op het leefloon verlaat op de wijsheid van de rechter.

III. Het met het hoger beroep beoogde feitelijke resultaat, dat wil zeggen het voorwerp van dit geschil, bestaat erin dat de eiser de wijziging van het beroepen vonnis en de bevestiging van de administratieve beslissingen van 11 september 2008 wil verkrijgen.

[De verweerder] vordert van zijn kant het beroepen vonnis zonder meer te bevestigen en de eiser te veroordelen in de kosten, beperkt tot een rechtsplegingsvergoeding, bepaald op 291,50 euro, en vraagt tegelijkertijd de rechter om over het gedeelte van het hoger beroep betreffende het leefloon uitspraak te doen als naar recht.

IV. Wat de oorzaak van het geschil betreft, blijkt uit de door de partijen in het bijzonder aangevoerde feiten die als precies, steekhoudend en bewezen kunnen worden beschouwd en die in oplopende chronologische volgorde zijn uiteengezet, dat de verweerder, een Belg van 20 jaar, met zijn echtgenote van 19 jaar en hun zoon van één jaar samenwoont. De echtgenote is een wees, studeert nog en ontvangt als zodanig kinderbijslag voor zichzelf. Het koppel ontvangt tevens kinderbijslag voor het kind.

Het koppel dat de verweerder samen met zijn echtgenote vormt, is zich sinds 25 augustus 2008 op het grondgebied van de gemeente La Louvière komen vestigen. Enkele dagen later, namelijk op 29 augustus 2008, heeft de verweerder het leefloon aangevraagd.

Aldus werd een verslag betreffende de maatschappelijke enquête opgemaakt en daaruit blijkt, buiten het voornoemde, dat zij bescheiden gewone kosten hebben, zoals een redelijk gematigde huishuur van 390 euro per maand, en dat zij elke maand 369,31 euro kinderbijslag ontvangen.

Ten gevolge van de ingediende aanvraag en gelet op de gegevens uit het verslag betreffende de maatschappelijke enquête, heeft de eiser op 11 september 2008 twee beslissingen genomen die hij op dezelfde dag, met name 16 september 2008, ter kennis heeft gebracht.

De eerste beslissing kent de verweerder vanaf 29 augustus 2008 een leefloon toe voor personen met gezinslast, in dit geval een minderjarig kind. Die beslissing is gemotiveerd als volgt : ‘U vervult alle wettelijke voorwaarden voor de toekenning van het leefloon. Ter informatie, (...) het maandelijks bedrag dat u wordt toegekend is het volgende : van 29 augustus 2008 tot 31 augustus 2008 : 56,77 euro ; van 1 september 2008 tot 31 december 2008 : 586,77 euro. Hierbij wordt rekening gehouden met de eventuele inkomsten van uw levenspartner (...). Op jaarbasis ontvangt u dus een bedrag van 7.039,98 euro, dat berekend is als volgt: 11.167,70 euro, na aftrek van de gezinsbijslagen (4.431,72 euro) plus 310 euro'. (...)

De hierboven samengevatte eerste beslissing werd binnen de voorgeschreven termijn betwist [...]. Het beroepen vonnis heeft een leefloon voor personen met gezinslast toegekend vanaf 25 augustus 2008 (het gaat om een verschrijving, daar het leefloon pas kon worden toegekend vanaf de datum waarop de aanvraag was ingediend, namelijk 29 augustus 2008)."

Het arrest beslist vervolgens als volgt:

"verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis, dat voor recht zegt dat er aan de verweerder een leefloon voor personen met gezinslast moest worden toegekend zonder aftrek van de bestaansmiddelen van de echtgenoot, te dezen de door de echtgenote ontvangen kinderbijslag; preciseert evenwel dat het leefloon voor personen met gezinslast moet worden toegekend vanaf de aanvraag, dat wil zeggen 29 augustus 2008, en niet vanaf 25 augustus 2008 ; veroordeelt de eiser, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van het geding in hoger beroep, die door de verweerder zijn bepaald op een rechtsplegingsvergoeding van 291,50 euro, die echter verminderd wordt tot het basisbedrag van 145,78 euro, aangezien de vordering in de eerste plaats ertoe strekte het beginsel van een administratieve akte te betwisten, zonder dat daarbij een precieze berekening werd overgelegd op grond waarvan het bedrag van de vordering bepaald kon worden,"

Het grondt zijn beslissing op de volgende redenen:

"Artikel 14, § 2, van de wet van 26 mei 2002 bepaalt dat het bedrag van het leefloon verminderd wordt met de bestaansmiddelen van de sociaal verzekerde, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II. Artikel 16, § 1, van dezelfde wet, bepaalt dat alle bestaansmiddelen waarover de sociaal verzekerde beschikt (d.w.z. die hij ontvangt of concreet kan ontvangen), van welke aard en oorsprong ook, in aanmerking komen. Diezelfde paragraaf 1 bepaalt daarenboven dat 'eveneens in aanmerking kunnen worden genomen, binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont'.

De Koning heeft met toepassing van die bepaling het koninklijk besluit van 11 juli 2002 uitgevaardigd. Artikel 34, § 4, van dat besluit bepaalt het volgende : 'indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet (dat wil zeggen een leefloon voor personen met gezinslast), worden alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking genomen'. Noch de wet noch het koninklijk besluit geven een specifieke omschrijving van het begrip 'bestaansmiddelen', zodat het overeenkomt met de omschrijvingen die woordenboeken er gewoonlijk aan geven, met name : ‘alles waarmee een moeilijke situatie kan worden verbeterd, of het nu gaat om mogelijkheden, financiële of materiële middelen dan wel om inkomsten in ruime zin'. Het kan niet worden betwist dat de echtgenote van de verweerder kinderbijslag ontvangt die, krachtens de toepasselijke reglementering, onder het begrip 'bestaansmiddelen' valt en bijgevolg in aanmerking moet worden genomen. Uit het gebruik van het overgankelijk werkwoord 'kunnen' (wat duidt op een mogelijkheid) in de eerste paragraaf van artikel 16 van de wet van 26 mei 2002, blijkt echter dat dit artikel voorzag in een zekere vrijheid bij de beoordeling van de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont, terwijl het koninklijk besluit zonder meer bepaalt dat alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner, zonder enige uitzondering of beoordelingsvrijheid, in aanmerking worden genomen. Door een aldus gesteld besluit uit te vaardigen, heeft de uitvoerende macht de bevoegdheid overschreden die de wetgever haar had toegekend bij artikel 16, § 1, van de wet van 26 mei 2002.

Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en de rechtbanken de besluiten echter alleen toe voor zover zij met de wetten overeenstemmen, wat niet geldt voor de vierde paragraaf van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, zoals die werd gewijzigd bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 2004. Aangezien de vierde paragraaf van artikel 34 buiten toepassing moet worden gelaten, vloeit hieruit voort dat het beroepen vonnis niettemin, maar dan wel om andere redenen, moet worden bevestigd, onder voorbehoud van de verduidelijkingen in het ... dictum van onderhavig arrest."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, "bedraagt het leefloon (...) 8.800 euro voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste. Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is. Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner. Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind. Onder levenspartner wordt verstaan, de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen".

Het bedrag van 8.800 euro werd verhoogd tot 9.339,55 euro door artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, zoals het werd gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 maart 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon.

Artikel 14, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, bepaalt dat "het bedrag van het leefloon verminderd wordt met de bestaansmiddelen van de aanvrager, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II". Artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie luidt als volgt : "§ 1. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2, komen alle bestaansmiddelen in aanmerking van welke aard en oorsprong ook, waarover de aanvrager beschikt, met inbegrip van alle uitkeringen krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Kunnen eveneens in aanmerking worden genomen binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad de modaliteiten van het onderzoek naar de bestaansmiddelen en stelt de regels vast van de berekening van die middelen. § 2. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad de inkomsten aanduiden die, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet in aanmerking komen bij het berekenen van de bestaansmiddelen."

Artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dat genomen werd ter uitvoering van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, bepaalt het volgende : "Indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet worden alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking genomen. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet".

Het arrest beslist om aan de verweerder een leefloon toe te kennen op grond van artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, zonder daarvan de bestaansmiddelen van de echtgenote van de verweerder af te trekken, om alle redenen die in het middel weergegeven worden, en in het bijzonder op grond dat "de uitvoerende macht, toen zij artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie uitvaardigde, ‘de bevoegdheid heeft overschreden die de wetgever haar had toegekend [bij] artikel 16, § 1, van de wet van 26 mei 2002. Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en de rechtbanken de besluiten echter alleen toe voor zover zij met de wetten overeenstemmen, wat niet geldt voor de vierde paragraaf van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, zoals die werd gewijzigd bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 2004. Aangezien de vierde paragraaf van artikel 34 buiten toepassing moet worden gelaten, vloeit hieruit voort dat het beroepen vonnis niettemin, maar dan wel om andere redenen, moet worden bevestigd, onder voorbehoud van de verduidelijkingen in het [...] dictum [van onderhavig arrest]".

3. Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken "de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover zij met de wetten overeenstemmen". Op grond van artikel 108 van de Grondwet maakt de Koning immers "de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen". Hoewel de uitvoerende macht, bij de vervulling van de haar door artikel 108 van de Grondwet toevertrouwde opdracht, de draagwijdte van de wet niet mag uitbreiden en evenmin mag inperken, moet zij evenwel uit het beginsel en de algemene opzet van de wet de gevolgen afleiden die daaruit natuurlijkerwijze voortvloeien naar de geest waarin zij is tot stand gekomen en volgens het doel dat de wet ermee beoogde.

4. Het hierboven weergegeven artikel 16, § 1, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie geeft de Koning een uitgebreide verordenende bevoegdheid om de regels te bepalen voor het berekenen van alle bestaansmiddelen die in aanmerking komen om het bedrag van het leefloon vast te stellen, zonder een onderscheid te maken naargelang die bestaansmiddelen rechtstreeks ten goede komen aan de aanvrager dan wel aan de personen met wie hij samenwoont.

Die bepaling is ingevoegd in hoofdstuk II van titel II van de wet, dat betrekking heeft op de algemene regels voor de berekening van de bestaansmiddelen, en niet in hoofdstuk III van dezelfde titel, dat betrekking heeft op de procedure die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn moet volgen om de aanvragen concreet te onderzoeken.

De aanwending van het werkwoord "kunnen" in de tweede zin van artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, drukt bijgevolg de mogelijkheid uit voor de Koning om, binnen de grenzen die Hij bepaalt bij een na overleg in de ministerraad vastgesteld besluit, de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont, in aanmerking te doen nemen.

Artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie maakt van die mogelijkheid gebruik en bepaalt aldus dat alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking moeten worden genomen.

Dat artikel sluit aldus de mogelijkheid voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uit om geen acht te slaan op het geheel of een gedeelte van die bestaansmiddelen wanneer het een individuele beslissing neemt over de aanvragen voor een leefloon die tot het centrum worden gericht.

Die uitsluiting beperkt in geen geval de draagwijdte van artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, daar het werkwoord "kunnen", zoals hierboven is gezegd, geen betrekking heeft op de individuele beslissingen, maar bedoeld is om, op een hoger niveau, te wijzen op de ruime bevoegdheid waarover de uitvoerende macht beschikt om zijn verordenende opdracht te vervullen.

5. Daarenboven moeten volgens de algemene opzet van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie in beginsel alle bestaansmiddelen van de aanvrager, van welke aard en oorsprong ook, in aanmerking worden genomen, behalve wanneer de Koning in voorkomend geval preciseert dat zij niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking mogen worden genomen.

Volgens de bewoordingen van artikel 16, § 1, komen immers alle bestaansmiddelen van de aanvrager, van welke aard of oorsprong ook, in aanmerking en heeft alleen de Koning de bevoegdheid om, in voorkomend geval, het aldus gestelde beginsel van de samenvoeging van de bestaansmiddelen in te perken. Die wil van de wetgever blijkt duidelijk uit de bewoordingen "onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2", die betrekking hebben op de bevoegdheid van de Koning om bepaalde bestaansmiddelen voor de berekening van het leefloon geheel of gedeeltelijk uit te sluiten.

6. De Koning overschrijdt bijgevolg niet de bevoegdheid die hem werd toegekend bij artikel 108 van de Grondwet en bij artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wanneer Hij in artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt dat alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager van het leefloon bij de berekening van dat leefloon in aanmerking worden genomen.

Het arrest dat beslist om op grond van artikel 159 van de Grondwet dit artikel 34, § 4, niet toe te passen en te dezen aan de verweerder, krachtens artikel 14, inzonderheid § 1, eerste lid, 3°, en § 2, en artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, zoals het werd gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 maart 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, een leefloon voor personen met gezinslast toe te kennen, zonder dat het daarvan de bestaansmiddelen van zijn echtgenote aftrekt, verantwoordt derhalve zijn beslissing in het licht van alle in het middel bedoelde bepalingen niet naar recht, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

1. Uit de in het middel weergegeven redenen blijkt dat het arrest verklaart dat het met name de tweede zin van artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie toepast, naar luid waarvan "eveneens in aanmerking kunnen worden genomen (...) de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont".

2. Het arrest beslist, op grond van die bepaling, om aan de verweerder een leefloon voor personen met "gezinslast" toe te kennen, zonder dat het daarvan de bestaansmiddelen van zijn echtgenote aftrekt. Het arrest geeft evenwel met geen enkele reden aan waarom het te dezen beslist de bestaansmiddelen van de echtgenote van de verweerder niet in aanmerking te nemen. Het arrest stelt het Hof aldus in de onmogelijkheid het hem opgedragen wettigheidstoezicht uit te oefenen en motiveert zijn beslissing niet regelmatig. Het arrest schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 3, 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, kan een persoon dat recht genieten indien hij niet over toereikende bestaansmiddelen beschikt.

Artikel 14 van die wet stelt het bedrag van het leefloon voor elke categorie van begunstigden vast. De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat dit bedrag verminderd wordt met de bestaansmiddelen van de sociaal verzekerde.

Overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet, kunnen ook de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont, in aanmerking worden genomen, binnen de grenzen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.

Die wetsbepaling machtigt de Koning de gevallen te bepalen waarin de bestaansmiddelen van de samenwonenden met de sociaal verzekerde moeten of kunnen in aanmerking worden genomen of niet in aanmerking komen.

Dat is het voorwerp van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie waarvan paragraaf 4 bepaalt dat, indien de sociaal verzekerde gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet, dat wil zeggen indien hij samenwoont met een gezin te zijnen laste, alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking worden genomen.

Het arrest dat oordeelt dat door het uitvaardigen van de voormelde bepaling die "in geen enkele uitzondering voorziet of geen enkele beoordelingsvrijheid laat", de Koning de bevoegdheid heeft overschreden die Hem is toegekend bij artikel 16, § 1, van de wet, dat "in een zekere vrijheid voorziet bij de beoordeling van de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont", en op grond daarvan beslist om artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit niet toe te passen en de bestaansmiddelen van de echtgenote van de verweerder niet in aanmerking te nemen, schendt derhalve artikel 16, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 26 mei 2002.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Recht op maatschappelijke integratie

  • Bestaansmiddelen

  • Berekening

  • Eiser

  • Samenwonende

  • Koning

  • Machtiging