- Arrest van 31 januari 2011

31/01/2011 - C.10.0123.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig zijn voorgelegd en het voorwerp van de vordering niet wijzigt; daarbij moet hij het recht van verdediging van partijen eerbiedigen (1). (1) Cass., 28 sept. 2009, AR C.04.0253.F, A.C., 2009, nr. 529, met concl. adv.-gen. GENICOT. Bovenstaand arrest beslist daarenboven dat het derde, niet gepubliceerde onderdeel van het eerste middel feitelijke grondslag mist, terwijl het O.M. meende dat dit onderdeel niet kon worden aangenomen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0123.F

P. H.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. D. G.,

2. P. V. L.,

3. M. G.,

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 oktober 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 10 januari 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter de rechtsnorm die van toepassing is op de bij hem aanhangig gemaakte vordering moet vaststellen en deze moet toepassen, zonder daarbij het recht van verdediging te miskennen;

- algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de bewijslast in strafzaken;

- artikel 71 van het Strafwetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de oorspronkelijke rechtsvordering van de eiser, meer bepaald zijn vordering betreffende de vergoeding van 741.648 frank (d.i. 18.384,97 euro) die hij vordert "volgens het vonnis van 4 april 2000" en zijn vordering betreffende de vergoeding van 51.915 frank (d.i. 1.286,94 euro) die overeenstemt met de intrest op het eerste bedrag tot en met 13 september 2001, ontvankelijk maar ongegrond om alle redenen en in het bijzonder om de volgende redenen:

"De bedragen van 741.648 frank (18.384,97 euro) en 51.915 frank (1.286,94 euro)

6. Wanneer een contracterende partij, voor de uitvoering van haar contractuele verbintenis, handelt door een orgaan, een aangestelde of een agent, kan diens aansprakelijkheid buiten overeenkomst alleen in het gedrang komen indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming aan de algemene voorzichtigheidsverplichting oplevert en indien die fout een andere schade heeft veroorzaakt dan die welke voortvloeit uit de wanuitvoering van de overeenkomst (Cass., 7 november 1997, A.C., nr. 457).

Volgens de overheersende uitlegging die aan de in het arrest van het Hof van 7 november 1997 gestelde regel werd gegeven (...), houdt die regel in dat de fout en de schade die aangevoerd worden tot staving van een op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek gegronde en tegen het orgaan van een rechtspersoon ingestelde aansprakelijkheidsvordering, geen verband mogen houden met de overeenkomst die, in voorkomend geval, de benadeelde derde en die rechtspersoon bindt ter gelegenheid van de vastgestelde uitvoering of niet-uitvoering. Volgens die uitlegging moeten de fout en de schade met andere woorden van 'zuiver buitencontractuele' aard zijn (...).

Hieruit volgt inzonderheid dat indien de rechtspersoon ten aanzien van een derde een verbintenis, met name één van financiële aard, is aangegaan, tegen het orgaan geen enkele aquiliaanse rechtsvordering en uiteraard evenmin een contractuele rechtsvordering kan worden ingesteld om dat bedrag terug te vorderen of om het herstel, in de vorm van een vergoeding of anderszins, te vorderen van de schade die voortvloeit uit de wanuitvoering van die verbintenis (X. Dieux, ‘La responsabilité des administrateurs ou gérants d'une personne morale à l'égard des tiers: derniers développements?', Revue du notariat belge, 2006, p. 261).

7. Van dat beginsel van quasi-immuniteit wordt echter afgeweken wanneer de fout van het orgaan tevens een misdrijf is. Als een orgaan van een vennootschap of een lasthebber in de uitvoering van zijn mandaat een persoonlijke fout begaat die een misdrijf uitmaakt, verplicht die fout de bestuurder of mandataris zelf tot vergoeding (Cass., 11 september 2001, P.99.1742.N).

Wanneer de fout een misdrijf uitmaakt dat de litigieuze schade heeft veroorzaakt, kan het slachtoffer een buitencontractuele vordering tegen de uitvoeringsagent of tegen het orgaan instellen, zonder dat het hoeft aan te tonen dat de fout en de schade niets met de overeenkomst te maken hebben. Het orgaan blijft persoonlijk aansprakelijk voor de schade die een door hem gepleegd misdrijf aan een derde heeft berokkend (cf. Cass., 1 juni 1984, A.C., nr. 562 ; X. Dieux, op.cit., p. 259 ; J.-Fr. Goffin, Responsabilité des dirigeants de sociétés, Larcier, 2004, p. 129 ; O. Caprasse, ‘La responsabilité extracontractuelle des dirigeants de sociétés', opm. onder rechtbank van koophandel Bergen, 6 november 2002, J.L.M.B., 2003, p. 1290 e.v..).

De vordering tot betaling van achterstallig loon als herstel in natura van de door het misdrijf "niet-betaling van het verschuldigde loon" veroorzaakte schade, kan niet alleen tegen de werkgever worden ingesteld maar ook tegen een aangestelde of lasthebber die zich aan dit misdrijf schuldig heeft gemaakt in de zin van artikel 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon (artikel 20, eerste lid, 3°, van de wet van 3 juli 1978 ; artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 april 1965) (Cass., 22 januari 2007, S.05.0095.N).

Luidens voormeld artikel 42, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 tot 500 euro of met een van die straffen alleen, 1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de artikelen 3, 4, 5, 6, 9 tot 9quinquies, 11, 13, 14, 15, eerste lid, 18, 23 en 27 tot 34 of van de besluiten ter uitvoering van de artikelen 6, § 4, 9quater en 15, vierde lid, of van een beslissing van het bevoegde paritair comité, algemeen verbindend verklaard door de Koning bij toepassing van artikel 15, derde lid.

8. De vergoeding van 741.648 frank (18.384,97 euro) die de eiser volgens het vonnis van 4 april 2000 vordert, bestaat uit een opzeggingsvergoeding gelijk aan zes maanden loon, het achterstallig loon van de maanden augustus, oktober en november 1996, een eindejaarspremie voor 1996 en het vakantiegeld van 1996 en 1997.

Hoewel een opzeggingsvergoeding beschouwd wordt als loon in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan zij niet ex delicto worden gevorderd, daar de niet-betaling ervan niet strafbaar is in de zin van artikel 42, 1°, van de voormelde wet van 12 april 1965. De opzeggingsvergoeding valt noch onder artikel 9 noch onder artikel 11 van die wet.

Het achterstallig loon van de maanden augustus, oktober en november 1996 (176.136 frank), de eindejaarspremie voor 1996 (44.186 frank) en het vakantiegeld van 1996 en 1997 (73.079 frank en 32.697 frank) kunnen daarentegen onder de toepassing vallen van artikel 42, 1°, van de wet van 12 april 1965.

Het in dat artikel bedoelde misdrijf is een onopzettelijk misdrijf dat ten laste kan worden gelegd zowel aan de werkgever als aan zijn lasthebbers, wanneer die gemachtigd zijn om het loon uit te betalen.

Te dezen blijkt uit de conclusie die de vzw C.N.V.E.S. heeft neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Brussel, dat de eerste verweerster de enige bestuurder van de vereniging is en dus zij alleen verbintenissen voor haar kon aangaan (stuk 7a [van de eiser]).

Het is niet bewezen dat de tweede en de derde verweerders bevoegd waren om de lonen uit te betalen. Het misdrijf bedoeld in artikel 42,1°, van de wet van 12 april 1965 kan hen bijgevolg niet worden toegerekend.

Wat de eerste verweerster betreft, preciseert artikel 42 van de wet van 12 april 1965 met betrekking tot het moreel bestanddeel van het misdrijf niet welk opzet vereist is om van een misdrijf te kunnen spreken. Bij stilzwijgen van de wet bestaat het opzettelijk of moreel bestanddeel van het misdrijf wanneer de daad vrij werd verricht, in de wetenschap dat de wet geschonden werd of met de wil om deze te schenden (Luik, 30 juni 2006, R.R.D., 2006, liv. 119, 167).

[De eerste verweerster] zet uiteen dat de financiële toestand van de vzw C.N.V.E.S. sinds 1996 zorgwekkend was (zie de algemene vergadering van 1996, Belgisch Staatsblad van 20 juni 1996). Op 31 december 1997 was er een negatief saldo van 700.316 frank en op 31 december 1998 bedroeg dat saldo 429.154 frank. Zij kon de achterstallige lonen van de eiser dus niet meer uitbetalen.

Gelet op die geloofwaardige toelichtingen, staat het aan de eiser het moreel bestanddeel van het misdrijf aan te tonen, wat hij niet doet."

Grieven

Eerste onderdeel

De feitenrechter kan de door de partijen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen het bestaan hebben uitgesloten, dat hij alleen steunt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn overgelegd en dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt. Hij moet daarbij het recht van verdediging eerbiedigen.

Na te hebben herinnerd aan de door de verweerders voor de appelrechters aangevoerde leer van het arrest van het Hof van 7 november 1997, vermeldt het arrest ambtshalve dat "het beginsel van de quasi-immuniteit van het orgaan van de rechtspersoon" een uitzondering kent indien de fout van het orgaan tevens een misdrijf uitmaakt. Het vermeldt aldus dat wanneer de fout een misdrijf uitmaakt dat de litigieuze schade heeft veroorzaakt, het slachtoffer tegen de uitvoeringsagent of tegen het orgaan een buitencontractuele vordering kan instellen zonder dat het hoeft aan te tonen dat de fout en de schade niets met de overeenkomst te maken hebben. Verder vermeldt het arrest nog dat als een orgaan van een vennootschap of een lasthebber in de uitvoering van zijn mandaat een persoonlijke fout begaat die een misdrijf uitmaakt, die fout de bestuurder of mandataris zelf tot vergoeding verplicht.

Het arrest preciseert vervolgens dat artikel 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon de niet-betaling van het verschuldigde loon als een misdrijf aanmerkt en dat "de vordering tot betaling van achterstallig loon als herstel in natura van de door het misdrijf 'niet-betaling van het verschuldigde loon' veroorzaakte schade niet alleen tegen de werkgever kan worden ingesteld maar ook tegen een aangestelde of lasthebber die zich aan dit misdrijf schuldig heeft gemaakt".

Het arrest preciseert zelf dat het achterstallig loon van de maanden augustus, oktober en november 1996 (176.136 frank), de eindejaarspremie van 1996 (44.186 frank) en het vakantiegeld van 1996 en 1997 (73.079 frank en 32.697 frank) onder de toepassing vallen van artikel 42, 1°, van de wet van 12 april 1965, en beslist vervolgens, op een eerste ambtshalve opgeworpen middel, dat "te dezen [...] uit de conclusie die de vzw C.N.V.E.S. heeft neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Brussel, blijkt dat [de eerste verweerster] de enige bestuurder van de vereniging is en dat zij alleen verbintenissen voor [haar] kon aangaan (stuk 7a [van de eiser])", dat "niet is bewezen dat [de tweede en de derde verweerders] bevoegd waren om de lonen uit te betalen", en dat "het misdrijf bedoeld in artikel 42,1°, van de wet van 12 april 1965 hen bijgevolg niet kan worden toegerekend".

Het arrest oordeelt vervolgens, op een tweede ambtshalve opgeworpen middel, dat de eerste verweerster "uiteenzet dat de financiële toestand van de vzw C.N.V.E.S. sinds 1996 zorgwekkend was (zie de algemene vergadering van 1996, Belgisch Staatsblad van 20 juni 1996). Op 31 december 1997 was er een negatief saldo van 700.316 frank en op 31 december 1998 bedroeg dat saldo 429.154 frank. Zij kon de achterstallige lonen [van de eiser] dus niet meer uitbetalen", en komt tot de slotsom dat "gelet op die geloofwaardige toelichtingen, het aan [de eiser] staat het moreel bestanddeel van het misdrijf aan te tonen, wat hij niet doet".

In deze zaak hadden noch de eiser noch de verweerders hun argumentatie gebaseerd op het misdrijf "niet-betaling van loon", dat een grond uitmaakt om af te wijken van de theorie van de samenloop van aansprakelijkheid. De verweerders, in het bijzonder, hebben alleen gepreciseerd dat zij krachtens de theorie van de samenloop van aansprakelijkheid niet persoonlijk aansprakelijk gesteld konden worden op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, daar de eiser slechts de vergoeding vorderde "van de schade voortvloeiend uit de wanuitvoering van de overeenkomst door de vereniging".

Hoewel aangenomen wordt dat de feitenrechter ambtshalve, en zonder noodzakelijk het debat te moeten heropenen, kan nagaan of de voorwaarden voor de toepassing van een door de partijen aangevoerde rechtsregel vervuld zijn, is zijn optreden buitensporig en onmogelijk te verantwoorden wanneer dat onderzoek hem ertoe brengt om ambtshalve verschillende middelen in feite op te werpen die wel gegrond zijn op feiten die door de partijen zijn aangevoerd maar die zij niet expliciet hebben benadrukt, zodat hij hun verwachtingen dermate in de war stuurt dat het recht van verdediging op flagrante wijze is miskend, aangezien de partijen over die middelen geen tegenspraak hebben kunnen voeren.

Hoewel de verweerders hun argumenten niet op die feiten hebben gebaseerd, beslist het arrest aldus dat "uit de conclusie die de vzw C.N.V.E.S. heeft neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Brussel, blijkt dat [de eerste verweerster] de bestuurder van de vereniging is en dus zij alleen verbintenissen voor [haar] kon aangaan", en dat derhalve niet is bewezen dat de tweede en de derde verweerder gemachtigd waren om het loon uit te betalen, zodat het misdrijf bedoeld in artikel 42, 1°, van de wet van 12 april 1965 hen niet kan worden toegerekend. Het arrest werpt zodoende ambtshalve een middel in feite op en miskent het recht van verdediging van de eiser, alsook het algemeen rechtsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter de rechtsnorm moet vaststellen die van toepassing is op de bij hem aanhangig gemaakte vordering en deze moet toepassen zonder daarbij het recht van verdediging te miskennen, aangezien het arrest de heropening van het debat niet heeft bevolen om de eiser de mogelijkheid te bieden zich hierover uit te spreken.

Hoewel geen enkele partij een grond van ontoerekenbaarheid heeft aangevoerd, beslist het arrest vervolgens dat "[de eerste verweerster] uiteenzet dat de financiële toestand van de vzw C.N.V.E.S. sinds 1996 zorgwekkend was (zie de algemene vergadering van 1996, Belgisch Staatsblad van 20 juni 1996). Op 31 december 1997 was er een negatief saldo van 700.316 frank en op 31 december 1998 bedroeg dat saldo 429.154 frank. Zij kon de achterstallige lonen [van de eiser] dus niet meer uitbetalen", en stelt het vast dat de eiser het moreel bestanddeel van het misdrijf niet heeft bewezen, wat hij volgens het arrest nochtans had moeten doen, daar de "toelichtingen" van de eerste verweerster geloofwaardig waren. Het arrest werpt aldus ambtshalve een middel in feite op waarover de partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren, zodat het arrest het recht van verdediging van de eiser miskent, alsook het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel betreffende de bevoegdheid van de rechter.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Eerste onderdeel

De rechter kan de voor hem aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn overgelegd en het voorwerp van de vordering niet wijzigt. Hij moet daarbij het recht van verdediging eerbiedigen.

Het arrest stelt vast dat de eiser vorderde dat de verweerders, in hun hoedanigheid van bestuurders van een vereniging zonder winstoogmerk, zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan drie maanden loon, een eindejaarspremie en het vakantiegeld die de vereniging hem nog steeds verschuldigd was.

Het arrest verwerpt die vordering door uit de hem ter beoordeling voorgelegde feiten af te leiden dat het moreel bestanddeel van het misdrijf "niet-betaling van het loon" ten aanzien van de eerste verweerster niet was aangetoond en dat het misdrijf aan de tweede en de derde verweerder niet kan worden toegerekend.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt eensdeels dat de verweerders niet hebben aangevoerd dat het moreel bestanddeel van het misdrijf ontbrak of dat het misdrijf hen niet kon worden toegerekend, en, anderdeels, dat het hof van beroep de partijen niet de mogelijkheid heeft geboden over die door het hof ambtshalve opgeworpen middelen tegenspraak te voeren.

Het arrest miskent derhalve eisers recht van verdediging.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiser tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan drie maanden loon, een eindejaarspremie en het vakantiegeld, vermeerderd met de intrest, verwerpt en over de kosten uitspraak doet.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid van de rechter

  • Ambtshalve aangevulde reden

  • Debat op tegenspraak