- Arrest van 1 februari 2011

01/02/2011 - P.10.0616.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Abnormale geurhinder kan niet enkel door een erkend deskundige 'lucht' worden vastgesteld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0616.N

I

L. P. H. S.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Marc D'hoore en mr. Gregory Vermaercke, advocaten bij de balie te Brugge.

II

STERCOMPOST nv, met zetel te 8800 Roeselare, Guido Gezellelaan 123,

beklaagde,

eiseres,

met als raadslieden mr. Guy Baelde en mr. Nicole D'Hont, advocaten bij de balie te Brugge,

beide cassatieberoepen tegen

1. M. G,

burgerlijke partij,

2. C. D.,

burgerlijke partij,

3. F. G.,

burgerlijke partij,

4. K. G.,

burgerlijke partij,

5. A. G.,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 maart 2010.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen met dezelfde strekking aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eisers I en II

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet gelezen in samenhang met de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: enkel met stijlformules en zonder eigen motieven oordelen de appelrechters dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, bestraffing nog steeds noodzakelijk is; anders dan zij oordelen, is nochtans het recht van verdediging door deze overschrijding onherroepelijk aangetast; door het tijdsverloop is het niet meer mogelijk de beweringen in de processen-verbaal te weerleggen; de motivering dat de aanstelling van een deskundige niet relevant is omdat de eisers niet zijn vervolgd wegens overtreding van de emissienormen, gaat eraan voorbij dat abnormale geurhinder enkel door een erkend deskundige kan worden vastgesteld.

2. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het enkel toegelaten is abnormale geurhinder door een erkend deskundige lucht te laten vaststellen, faalt het naar recht.

3. In zoverre het middel aanvoert dat de abnormale geurhinder enkel door een erkend deskundige lucht kon worden vastgesteld, en dat de appelrechters zonder enige nadere toelichting stellen dat de ernst en de omvang van de feiten een bestraffing nog steeds maatschappelijk verantwoorden, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van de bewijswaarde van de hem overgelegde feitelijke gegevens evenals van de op te leggen straf.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

4. Voor het overige preciseert het middel niet welk verweer niet werd beantwoord.

In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid evenmin ontvankelijk.

Tweede middel van de eisers I en II

5. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 149 Grondwet gelezen in samenhang met de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het arrest oordeelt onterecht dat de bestraffing van de milieuzorgplicht zoals omschreven in artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet het legaliteitsbeginsel in strafzaken eerbiedigt; sedert de inwerkingtreding van het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (hierna: Decreet Aanvulling Milieubeleid), bevat het Milieuvergunningsdecreet zelf geen strafbepalingen meer waarop de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008), kan worden toegepast; de strafrechtelijke bepalingen werden uit de verschillende sectorale wetgevingen inzake lucht, water, bodem en milieuvergunning gelicht en overgeheveld naar Titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: Decreet Milieubeleid) waar zij een geharmoniseerd kader vormen, zonder rechtstreeks verband met het Milieuvergunningsdecreet; ook de ruime appreciatiebevoegdheid die de appelrechters zich toe-eigenen door de telastlegging bewezen te achten enkel op grond van de vaststellingen van de verbalisanten, zonder enige objectieve geurmeting noch juridisch afdwingbare geurnorm, is onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel in strafzaken.

6. Artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet bepaalt dat, ongeacht de verleende vergunning, de exploitant van een inrichting steeds de nodige maatregelen moet treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en om, bij ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt mogelijk te houden.

Tot vóór de inwerkingtreding van het Decreet Aanvulling Milieubeleid bepaalde artikel 39, § 1, 2°, Milieuvergunningsdecreet dat, onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 100 frank tot 100.000 frank of met één van die straffen alleen, hij die de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft.

Bij arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 22, tweede lid, en 39 Milieuvergunningsdecreet de artikelen 12 en 14 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 EVRM en 15 IVBPR, niet schenden.

7. Artikel 39 Milieuvergunningsdecreet, zoals vervangen bij artikel 34 Decreet Aanvulling Milieubeleid, bepaalt dat met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven gebeuren volgens de regels bepaald in Titel XVI Decreet Milieubeleid.

Artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, Decreet Milieubeleid, zoals ingevoegd bij artikel 9 Decreet Aanvulling Milieubeleid, bepaalt dat elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door Titel XVI gehandhaafde regelgeving strafbaar is met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro of met een van die straffen alleen.

8. Uit voorgaande bepalingen blijkt dat de oorspronkelijke omschrijving van de zorgvuldigheidsplicht van artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet, ook na de overheveling van haar strafbaarstelling naar Titel XVI Decreet Milieubeleid, verder behouden blijft en haar bewoording verder voldoet aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

9. In zoverre het middel het arrest verwijt het abnormale karakter van de geurhinder enkel af te leiden uit de vaststellingen van de verbalisanten, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de processen-verbaal.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

10. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters zich een te ruime beoordelingsbevoegdheid aanmeten in strijd met het legaliteitsbeginsel, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van het legaliteitsbeginsel door artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet, en is het evenmin ontvankelijk.

Derde middel van de eisers I en II

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, en van artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet, de artikelen 16.3.14 en 16.6.2, § 1, tweede lid, Decreet Milieubeleid, het B.Vl.Reg. van 12 december 2008 tot uitvoering van Titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid en artikel 62, § 3, Vlarem I:

- met de reden dat een afweging dient te gebeuren tussen een industriegebied, enerzijds, en een woongebied, anderzijds, terwijl de verweerders binnen de grenzen van het industriegebied en dus zonevreemd wonen, vertrekken de appelrechters van een onjuiste feitelijke vaststelling;

- de reden dat de vervolging niet werd ingesteld op basis van de naleving van emissienormen inzake geur maar op grond van de milieuzorgplicht, is onduidelijk of minstens dubbelzinnig, vermits de appelrechters aldus te kennen geven dat de vaststellingen in het kader van de vervolging op grond van de zorgvuldigheidsnorm minder zorgvuldig zouden moeten gebeuren dan in het kader van de vervolging op grond van de emissienormen, en hierdoor aan het openbaar ministerie als het ware een vrijgeleide wordt gegeven om te vervolgen op grond van de zorgvuldigheidsnorm;

- de beslissing dat de geurhinder een abnormaal karakter heeft is niet naar recht verantwoord aangezien de appelrechters hun oordeel steunen op de bewoordingen van processen-verbaal die niet voldoen aan de vereisten van representativiteit, kwaliteit en kwantiteit, en die alleen vaststellingen bevatten die niet door bevoegde personen werden gedaan;

- het arrest antwoordt niet op het verweer van de eisers dat de geurhinder niet is verdwenen alhoewel hun bedrijf de activiteiten heeft gestaakt;

- de appelrechters negeren ook het verweer van de eisers dat broeihaarden een natuurlijk fenomeen zijn dat geen verband houdt met de hoogte van de composthopen noch met een gebrek aan zorgvuldigheid of een beweerd structureel probleem, evenals het verweer dat er over een tijdspanne van twee jaar evenveel werd vastgesteld dat er geen noemenswaardige geurhinder was;

- de appelrechters houden ook helemaal geen rekening met de aangevoerde gegevens waaruit blijkt dat door de maatregelen die de eisers in 2001, 2002, 2003 en 2004 hebben genomen, effectieve resultaten werden geboekt, zodat minstens moet worden erkend dat de eisers in de gegeven omstandigheden als goede en zorgvuldige bestuurders alles hebben gedaan wat redelijkerwijze kon gedaan worden om zo weinig mogelijk hinder te veroorzaken; zodoende leggen de appelrechters de zorgvuldigheidsnorm van artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet uit als een resultaatsverbintenis.

11. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 16.3.14 Decreet Milieubeleid en van de bepalingen van het B.Vl.Reg. van 12 december 2008, die in werking zijn getreden op 1 mei 2009 en aldus ten tijde van de vaststellingen niet van toepassing waren, faalt het naar recht.

12. In zoverre het middel de appelrechters verwijt ten onrechte te oordelen dat een afweging dient te gebeuren tussen industriegebied enerzijds en woongebied anderzijds vermits de burgerlijke partijen zonevreemd wonen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

13. In zoverre het middel een dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert, geeft het niet aan in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig zou zijn.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

14. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters met hun vaststelling dat wordt vervolgd op grond van de milieuzorgplicht, aan het openbaar ministerie een vrijgeleide geven om te vervolgen, laat het na te verduidelijken welke wetsbepaling aldus wordt geschonden.

Het middel is in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid evenmin ontvankelijk.

15. In zoverre het middel de appelrechters verwijt de vaststelling van het abnormaal karakter van de geurhinder ten onrechte te gronden op de bewoordingen van de processen-verbaal, komt het op tegen de beoordeling van feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is evenmin ontvankelijk.

16. Anders dan waarvan het middel uitgaat, beantwoorden de appelrechters het verweer van de eisers dat de geurhinder nog niet was verdwenen hoewel het bedrijf van de eisers zijn activiteiten had gestaakt, door met de eerste rechter vast te stellen dat, gelet op de gegevens van het strafdossier, het ten laste gelegde bewezen is, en door te stellen dat het strafdossier zonder meer toont dat de geurhinder afkomstig was van de uitbating van de eiseres II.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

17. De appelrechters die op grond van de gegevens van het strafdossier vaststelden dat het ten laste gelegde bewezen was, dienden niet meer te antwoorden op het niet meer dienende verweer van de eisers dat broeihaarden een natuurlijk fenomeen waren en geen verband hielden met de hoogte van de composthopen noch met een gebrek aan zorgvuldigheid of een beweerd structureel probleem evenals op het niet meer dienende verweer dat gedurende een tijdspanne van twee jaar ook evenveel vaststellingen werden gedaan zonder noemenswaardige geurhinder.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

18. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hielden de appelrechters rekening met het verweer van de eisers omtrent de door hen verrichte handelingen en maatregelen in 2001, 2002, 2003 en 2004, door te oordelen dat noch het naleven van de milieuvergunning en de milieuvergunningsvoorwaarden op zich, noch het verkrijgen van een kwaliteitslabel door de Vlaamse Composteringsorganisatie, noch het tijdig antwoorden op aanmaningen door de overheid, noch het bedrag aan verrichte investering en evenmin het feit dat door de bevoegde overheid een proefvergunning werd afgeleverd, aantoont dat voldoende maatregelen ter voorkoming van de beschreven hinder werden genomen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Anders dan het middel aanvoert, leggen de appelrechters de zorgvuldigheidsnormen van artikel 22, tweede lid, Milieugvergunningsdecreet niet uit als een resultaatsverbintenis.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten in het geheel op 134,01 euro waarvan de eiser I 67,00 euro verschuldigd is en de eiseres II 67,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 1 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Geurhinder

  • Vaststelling van abnormale geurhinder

  • Vaststelling door een deskundige inzake luchtkwaliteit

  • Vereiste