- Arrest van 1 februari 2011

01/02/2011 - P.10.1334.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 5 Strafwetboek, noch het recht van verdediging vereisen dat de strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon samen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon wordt vervolgd en het niet betrekken van de rechtspersoon in het strafproces doet geen afbreuk aan de normale toepassing van de bewijsregels in strafzaken; dit geldt evenzeer wanneer aan de natuurlijke persoon enkel een onopzettelijke fout wordt verweten (1). (1) Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N, A.C., 2004, nr. 539; Cass., 25 okt. 2005, AR P.05.0721.N, A.C., 2005, nr. 536.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1334.N

J. F. E. Y.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan De Groote, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8300 Knokke-Heist, Dorpsstraat 140-142, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. D. V., in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen M. V., A. V. en C. V.,

burgerlijke partij,

verweerster,

2. B. V.,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank van Brugge, van 25 juni 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 21, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de feiten die dagtekenen van 5 augustus 2009 zijn op heden verjaard.

2. Het middel dat ervan uitgaat dat de verjaring van de strafvordering niet geschorst is door het cassatieberoep, faalt naar recht.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 163, 176, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 5 Strafwetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: niettegenstaande het misdrijf intrinsiek verband houdt met de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon waarvan de eiser zaakvoerder is, wordt alleen hij vervolgd; niet uit te sluiten is dat wanneer ook de rechtspersoon verantwoordelijk zou worden gesteld, deze de zwaarste fout heeft begaan, waardoor alleen hij kan worden veroordeeld; door de rechtspersoon niet te vervolgen kan niet worden uitgemaakt wie de zwaarste fout heeft begaan; aldus wordt het voor de eiser onmogelijk aan te voeren dat de rechtspersoon verantwoordelijk is voor zijn optreden; uit het dossier blijkt geenszins dat de eiser wetens en willens heeft gehandeld; de telastlegging van artikel 561, 1°, Strafwetboek betreft een onopzettelijk misdrijf waarvan de vervolging enkel kan tegen diegene die de zwaarste fout heeft gepleegd.

4. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek bepaalt onder meer: "Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld."

Noch deze bepaling noch het recht van verdediging vereisen dat de strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon samen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon wordt vervolgd. Het niet betrekken van de rechtspersoon in het strafproces doet geen afbreuk aan de normale toepassing van de bewijsregels in strafzaken. Dit geldt evenzeer wanneer aan de natuurlijke persoon enkel een onopzettelijke fout wordt verweten.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering en miskenning kracht van gewijsde: de eiser werd in eerste aanleg niet veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster in eerste aanleg die daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld; de appelrechters die aan deze burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toekennen, statueren ultra petita en zonder eenparigheid.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd, en dat de eiser daartegen geen verweer heeft gevoerd.

Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

Vierde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 163, 176, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis kent onterecht schadevergoedingen toe aan gezinsleden waarvan niet vaststaat dat zij op het ogenblik van de feiten aanwezig waren.

8. Het middel komt op tegen de beoordeling van feiten door de rechter of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 1 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon

  • Onopzettelijke fout

  • Gelijktijdige vervolging

  • Vereiste