- Arrest van 1 februari 2011

01/02/2011 - P.10.1550.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verwijzing in een rechtshulpverzoek naar de mogelijkheid dat de vonnisrechter later een bijzondere verbeurdverklaring zou kunnen uitspreken en dat het desbetreffende vonnis aan de aangezochte gerechtelijke autoriteiten zal worden medegedeeld, houdt niet in dat een verbeurdverklaring als een zekerheid in het vooruitzicht wordt gesteld, maar enkel dat de wettelijke mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring bestaat; hierdoor neemt de onderzoeksrechter geen enkel standpunt in over de schuld of onschuld van de verdachte en miskent hij geenszins het vermoeden van onschuld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1550.N

1. L. R.,

verzoeker,

2. Y. H.,

verzoekster,

3. E. R.,

verzoeker,

4. Y. W.,

verzoekster,

5. J. R.,

verzoeker,

6. M. V.,

verzoekster,

7. PLAZA nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Museumstraat 11, bus 211,

verzoekster,

8. PARKING ZUID nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Museumstraat 11, bus 211,

verzoekster,

9. TRADIHOME nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Museumstraat 11, bus 211,

verzoekster,

10. LE TOIT nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Vekestraat 13, bus 19,

verzoekster,

11. NORELIA nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Veke¬straat 13, bus 3,

verzoekster,

12. PLAZA bv, met zetel te Curaçao (Nederlandse Antillen), Wilhelminalaan 13, P.O. Box 4762,

verzoekster,

13. ORELY nv, met zetel te 2930 Brasschaat, Ter Borcht 23,

verzoekster,

14. PARBOLD OVERSEAS Ltd, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 281296,

verzoekster,

15. ABNER ENTERPRISES LIMITED, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 625991,

verzoekster,

16. AKAI LITIGATION Ltd, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Administration Drive 56, Wickhams Cay I, P.O. Box 3190, I.B.C. N°: 574075,

verzoekster,

17. BUNDORA ASSOCIATES Inc., met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 283102,

verzoekster,

18. BUNDORA Corp., met zetel te 19808 Delaware (Verenigde Staten van Amerika), 2711 Centerville Road, Suite 400, City of Wilmington, County of New Castle, EIN 74-3177312,

verzoekster,

19. BUNDORA INVESTMENTS LIMITED, met zetel te VLT-1470 Valletta (Malta), St. Frederick Street 7, Register N°: C38499,

verzoekster,

20. CARRÉE sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B87.388,

verzoekster,

21. CCC LITIGATION LIMITED, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Administration Drive 56, Wickhams Cay I, P.O. Box 3190, I.B.C. N°: 1516488,

verzoekster,

22. CHAP AUDIT sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B74.874,

verzoekster,

23. DARDANOS LIMITED, met zetel te VLT-1470 Valletta (Malta), St. Frederick Street 7, Register N° C39490,

verzoekster,

24. LATIN AGRO INVEST sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B20.528,

verzoekster,

25. MONASH UNITED sa, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 1423340,

verzoekster,

26. MONTE-CARLO ART sa, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 289439,

verzoekster,

27. MONTE-CARLO AVIATION CORPORATION, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 159892,

verzoekster,

28. NAVEN INVESTMENTS SP. Z O.O.-LUXEMBOURG BRANCH, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B122.238,

verzoekster,

29. NORTHERNLIGHTS INVEST & TRADE LIMITED, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.0. Box 4649, I.B.C. N°: 1513680,

verzoekster,

30. PETROLEUM RESOURCES HOLDING AG LUXEMBOUG sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B22.319,

verzoekster,

31. PLAZA LUXEMBOURG sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B74.882,

verzoekster,

32. PLAZA MANAGEMENT OVERSEAS sa, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 625992,

verzoekster,

33. PLAZA S.A.M., met zetel te MC-98000 Monte-Carlo (Monaco), avenue des Citronniers 3/5, N° 05 SC 01097,

verzoekster,

34. RUBY INVESTMENTS SP. Z O.O., met zetel te 00-803 Warschau (Polen), Al Jerozolimskie 56C, K.R.S. N° 0000253416,

verzoekster,

35. RUBY INVESTMENTS SP. Z O.O. - LUXEMBOURG BRANCH, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B116.777,

verzoekster,

36. SWAN INVESTMENT COMPANY sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B74.884,

verzoekster,

37. TIGER INVESTMENT sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B57.009,

verzoekster,

38. TONG INTERNATIONAL sa, met zetel te L-2652 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Albert Unden 156, N° B29630,

verzoekster,

39. VEDIRA TRADING Ltd, met zetel te VG-1110 Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden), Ground Floor, Palm Grove House, P.O. Box 4649, I.B.C. N°: 170908,

verzoekster,

eisers,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Dirk Dewandeleer, advocaten bij de balie te Brussel en mr. Victor Dauginet, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 september 2010.

De eisers voeren in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest doet onder meer uitspraak met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering over de opportuniteit van de uitgevoerde beslagen. Dit is geen eindbeslissing noch een uitspraak gewezen in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit het feit dat de Monegaskische agenten bijgestaan door hun Belgische collega's niet alle stukken die zich in de villa en de kantoren in Monaco bevonden, in beslag genomen hebben, een eenzijdig à charge karakter van het gerechtelijk onderzoek en een hieruit voortvloeiende schending van het vermoeden van onschuld niet kunnen worden afgeleid; het vermoeden van onschuld en de verplichting van de onderzoeksrechter zowel à charge als à décharge het gerechtelijk onderzoek te leiden, brengen met zich mee dat ook de documenten en stukken die de onschuld van de verdachte kunnen bewijzen in beslag moeten genomen worden; daarenboven beantwoordt het arrest eisers' verweer niet.

3. De rechter is niet verplicht te antwoorden op alle argumenten die een partij in conclusie ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt maar geen zelfstandig verweer uitmaken.

4. De in het middel vermelde feitelijke gegevens en argumenten hebben de eisers in conclusie aangewend om hun verweer te staven dat door bepaalde stukken en feitelijke gegevens die de onschuld van de eisers kunnen aantonen, niet in beslag te nemen en niet te noteren, het gerechtelijk onderzoek enkel à charge en niet à décharge werd gevoerd en het vermoeden van onschuld is miskend.

5. Met de in het middel weergegeven redenen, beantwoordt het arrest dit verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

6. Geen enkele wets- of verdragsbepaling verplicht de onderzoeksrechter alle stukken bij een huiszoeking in beslag te nemen. Hij moet enkel die stukken in beslag nemen waarvan hij oordeelt dat zij kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding. De omstandigheid dat hij enkel de stukken in beslag neemt die de schuld van de verdachte kunnen staven, houdt niet in dat hij het vermoeden van onschuld miskent noch dat hij enkel een onderzoek à charge voert. Daardoor spreekt de onderzoeksrechter zich immers niet uit over de schuld van de verdachte en is deze steeds in de mogelijkheid om andere niet in beslag genomen stukken en gegevens voor te leggen die zijn onschuld staven. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat op het ogenblik van het rechtshulpverzoek gericht aan de overheid van de Nederlandse Antillen op 26 januari 2010, feiten van misbruik van vennootschapsgoederen, misbruik van vertrouwen en oplichting bij de onderzoeksrechter aanhangig waren; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de vorderingen tot gerechtelijk onderzoek van 4 februari 2010 en 28 april 2010; de redenen van het arrest zijn desbetreffende ook tegenstrijdig; daarenboven kan de onderzoeksrechter enkel feiten onderzoeken die bij hem zijn aangebracht.

8. Het arrest oordeelt (p. 18) dat "het de onderzoeksrechter vrij staat - ten einde op een soepele en tijdige wijze uitvoering te bekomen van de gevraagde rechtshulp - om binnen zijn saisine en in rem gelast zijnde, aanvullende en/of nieuwe rechtshulpverzoeken uit te schrijven waarin bijkomende feiten, waarmede hij gelast is (supra, de uitbreidende vorderingen) onder al dan niet nieuwe kwalificaties, worden opgenomen en/of in het oorspronkelijke rechtshulpverzoek opgenomen feiten onder hun initiële kwalificaties worden weggelaten". Het arrest oordeelt ook (p. 19) dat het feit dat het rechtshulpverzoek van 26 januari 2010 geen melding maakt van de fiscaalrechtelijke misdrijven, niet wegneemt dat de onderzoeksrechter op dat ogenblik eveneens gelast was met feiten van witwassen, gemeenrechtelijke valsheden en criminele organisatie.

9. Met deze redenen noch met de overige redenen die het bevat, oordeelt het arrest dat de onderzoeksrechter op 26 januari 2010 door het openbaar ministerie reeds gevorderd was een onderzoek te doen over de feiten van misbruik van vennootschapsgoederen, misbruik van vertrouwen en oplichting.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

10. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en van artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat de bewoordingen van het rechtshulpverzoek geenszins als een zekerheid stellen dat de eisers 1 tot en met 6 in Brasschaat hun fiscale woonplaats hebben en dat de onderzoeksrechter daardoor geen uitspraak doet over de schuld van enige inverdenkinggestelde; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het rechtshulpverzoek van 26 januari 2010 alsmede de regel dat de onderzoeksrechter zowel à charge als à décharge onderzoek doet en het vermoeden van onschuld.

12. Het rechtshulpverzoek van 26 januari 2010 vermeldt: "L. R. en zijn echtgenote Y. H. bleken en blijken woonachtig te zijn op het ‘...', vlakbij Antwerpen". Met het oordeel dat het in die zin vermelde feit "geenszins als een zekerheid (wordt) gesteld" en dat de onderzoeksrechter "nog veel minder uitspraak doet over de schuld van enige inverdenkinggestelde", geeft het arrest aan die akte geen uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

13. De overige onwettigheden zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het rechtshulpverzoek van 26 januari 2010.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en van artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat de bewoordingen van het rechtshulpverzoek geenszins als een zekerheid stellen dat er op grote schaal ontdraging van activa van vennootschapsgoederen is en dat de onderzoeksrechter daardoor geen uitspraak doet over de schuld van enige inverdenkinggestelde; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het rechtshulpverzoek van 26 januari 2010 alsmede de regel dat de onderzoeksrechter zowel à charge als à décharge onderzoek doet en het vermoeden van onschuld.

15. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel weergegeven. Het oordeelt ook dat deze zin moet gelezen worden in de context van het geheel van het rechtshulpverzoek dat twaalf pagina's telt.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het in dat artikel vervatte beginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit de bewoordingen in het rechtshulpverzoek aan de Ierse overheid van 1 en 2 december 2009 geen miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid; door melding te maken van een toekomstig vonnis dat de bijzondere verbeurdverklaring zou kunnen uitspreken, neemt de onderzoeksrechter standpunt in over de verwijzing naar het vonnisgerecht na verloop van het gerechtelijk onderzoek, over de schuld van de eisers en over het bestaan van daaruit voortvloeiende verbeurdverklaringen.

17. De verwijzing in het rechtshulpverzoek naar de mogelijkheid dat de vonnisrechter later een bijzondere verbeurdverklaring zou kunnen uitspreken en dat het desbetreffende vonnis zal worden medegedeeld, houdt niet in dat een verbeurdverklaring als een zekerheid in het vooruitzicht wordt gesteld, maar enkel dat de wettelijke mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring bestaat. Hierdoor neemt de onderzoeksrechter geen enkel standpunt in over de schuld of onschuld van de eisers en miskent hij geenszins het vermoeden van onschuld. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Vierde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt het specifiek verweer niet van de eisers met betrekking tot de miskenning van het vermoeden van onschuld.

19. Met het in het middel weergegeven argument beoogden de eisers enkel hun verweer te illustreren dat de onderzoeksrechter door de wijze waarop hij de rechtshulpverzoeken heeft geredigeerd, blijk gegeven heeft van zijn miskenning van het vermoeden van onschuld. Het arrest hoefde dit argument niet afzonderlijk tegemoet te komen en beantwoordt het verweer met het geheel der redenen die het bevat.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 141,77 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 1 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Rechtshulpverzoek

  • Verzoek tot inbeslagname van goederen

  • Verwijzing naar de mogelijkheid van een latere bijzondere verbeurdverklaring door de vonnisrechter

  • Miskenning van het vermoeden van onschuld

  • Toepassing