- Arrest van 3 februari 2011

03/02/2011 - C090039F-C090443F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verplichting tot terugbetaling van de waarde van de materialen en het arbeidsloon ontstaat voor de eigenaar van het erf op het ogenblik dat hij ervoor kiest de gebouwen voor zich te behouden en bijgevolg zijn recht van natrekking uit te oefenen.

Arrest - Integrale tekst

NR. C.09.0.039.F

IMMO ALPHA 80, bvba in vereffening,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B.P. BELGIUM, nv,

Nr. C.09.0443.F

ALDI, nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. IMMO ALPHA 80, bvba in vereffening,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. B.P. BELGIUM, nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten, op 8 januari en 10 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

Tot staving van het cassatieberoep met algemeen rolnummer C.09.0039.F voert de eiseres een middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 555, 861, 862, 1134, 1135, 1165 tot 1167, 1235, 1375 tot 1377, 1381, 1583, 1599, 1634, 1635, en 1673 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 5, 17, 18, 19 en 1138, inzonderheid 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 103 van de hypotheekwet van 18 april 1851;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de uitgaven, dat onder meer is vastgelegd in de artikelen 861, 862, 1375, 1381, 1634, 1635, 1673 van het Burgerlijk Wetboek en 103 van de hypotheekwet ;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich onrechtmatig ten nadele van een ander mag verrijken, welk beginsel onder meer is vastgelegd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Op de gronden van het tussenarrest van 4 december 2001 wijst het tweede bestreden arrest op het volgende :

a) bij onderhandse akte van 6 mei 1991 heeft de verweerster aan de eiseres een te Hoei (Tihange) gelegen stuk grond met een oppervlakte van 4.705 m², verkocht tegen de prijs van 2.850.000 frank, met dien verstande dat de overgang van de eigendom van het verkochte goed pas zal gebeuren bij de ondertekening van de authentieke akte die evenwel nooit is verleden,

b) de eiseres heeft op die grond door de Société mosane de construction (afgekort S.M.C.), naamloze vennootschap, een handelspand laten bouwen tegen de prijs van 15.541.812 frank. Voor die werken heeft genoemde vennootschap tot beloop van dat bedrag verschillende facturen opgemaakt op naam van de eiseres. Die facturen zijn onbetaald gebleven wat aanleiding gaf tot verschillende vonnissen waarbij de eiseres door de rechtbank van koophandel te Charleroi voorlopig werd veroordeeld,

c) bij het beroepen vonnis heeft de rechtbank van koophandel te Charleroi de ontbinding van de voorlopige koopovereenkomst van 6 mei 1991 uitgesproken in het nadeel van de eiseres,

d) "op 8 september 1998 hebben (de Aldi Gembloux, naamloze vennootschap, de S.M.C. en de verweerster) een dading gesloten waarbij de vennootschap Aldi Gembloux zich ertoe verbond de litigieuze grond en het daarop gebouwde pand te kopen van (de verweerster), onder verplichting voor laatstgenoemde om aan de Société mosane de construction een vergoeding te betalen voor de door haar uitgevoerde werken". "Bij de authentieke akte die op 30 december 1999 werd verleden heeft de (Aldi Gembloux) de litigieuze grond en het daarop gebouwde pand effectief van de (verweerster) gekocht tegen de prijs van 15.234.876 frank",

e) het tussenarrest van 4 december 2001 heeft met name de beslissing bevestigd waarin de eerste rechter de gerechtelijke ontbinding van de voorlopige koopovereenkomst van 6 mei 1991 uitspreekt maar ten nadele van beide partijen.

Vervolgens doet het tweede bestreden arrest uitspraak over de nieuwe vordering die de eiseres bij een op 8 februari 2001 bij het hof van beroep ingediende conclusie met name tegen de verweerster had ingesteld en die het tussenarrest van 4 december 2001 ontvankelijk verklaard had. Die vordering strekte ertoe de verweerster op grond van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek, en subsidiair, op grond van de leer van de uitgaven en de onrechtmatige verrijking te veroordelen tot betaling van het bedrag in hoofdsom van 15.541.812 frank (385.271,46 euro), zijnde het bedrag dat de S.M.C. aan de eiseres had gefactureerd.. Het tweede bestreden arrest wijst die vordering van de eiseres af om de volgende redenen:

"Bespreking

A.Wat betreft de nieuwe vordering die (de eiseres) tegen de (verweerster) had ingesteld en die strekte tot vergoeding van de op de litigieuze grond opgetrokken gebouwen

In het arrest van 8 januari 2008 stelde het hof [van beroep] de vraag of de (eiseres) nog haar vordering tot vergoeding tegen de (verweerster) mocht instellen voor de gebouwen die op de verkochte grond opgericht waren, daar laatstgenoemde geen eigenaar van dat stuk grond meer was op het ogenblik dat die vordering werd ingesteld;

Ter herinnering dient gezegd dat de vordering van de (eiseres) tegen de (verweerster) achtereenvolgens is gegrond op artikel 555 in fine van het Burgerlijk Wetboek, op artikel 555 initio, op de leer van de uitgaven en de leer van de onrechtmatige verrijking;

1.Wat betreft de toepassing van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek

Jacques Hansenne zegt daarover terecht het volgende: ‘Si le fonds principal fait l'objet d'une transmission avant que ne soient réglées les indemnités dues au constructeur, à qui incombe le paiement de celles-ci? ... Pour Laurent, c'est sans doute l'ancien propriétaire, dont la chose a été améliorée, qui doit en definitive payer l'indemnité. Cela ne suffirait cependant pas pour conclure que c'est contre lui que la demande doit nécessairement être formée. Cette distinction entre l'obligation et la contribution à la dette nous paraît judicieuse; la philosophie de l'article 555 semble en effet impliquer que le constructeur puisse en toux cas s'adresser de façon directe à celui qui est propriétaire du sol au moment où éclate le conflit né de l'accession. On ne voit point qu'il doive tenir compte du fait qu'entre l'époque de la construction et le moment de la naissance du litige, le bien principal ait fait l'objet d'une ou de plusieurs mutations successives auxquelles il est étranger. Telle est la position de notre Cour suprême, dans l'hypothèse où les travaux ont été édifiées, avant la cession du fonds, par un locataire. Selon elle (Cass., 23 avril 1965, R.C.J.B., 1966, 51, et note Kruythof), "en cas de vente du bien loué pendant le cours du bail, et même si l'acte de vente ne contient, à cet égard, aucune stipulation au profit du preneur, c'est en tout cas l'acquéreur et non le bailleur originaire qui est tenu de l'indemnité du chef des plantations, constructions et ouvrages faits par le preneur antérieurement à la vente, s'il désire les conserver, et ce parce que tant le droit d'accession réglé par l'article 555 du code civil que l'action fondée sur l'enrichissement sans cause ne peuvent être exercés qu'à l'expiration du bail et que c'est l'acquéreur qui est à ce moment aux droits du bailleur originaire". L'acquéreur, ajoute la Cour de cassation, a cependant un recours contre le vendeur, si celui-ci ne lui a pas révélé, au moment de l'aliénation, que les constructions et plantations n'étaient pas la propriété du vendeur et si, dans cette ignorance, l'acquéreur n'a pas usé des droits que lui confèrent la loi ou le bail. Cette solution nous paraît pouvoir être étendue à tous les cas où la transmission du bien a précédé la naissance du litige relatif à l'indemnisation du constructeur, quelle que soit la qualité de celui-ci' (J. Hansenne, Les biens, II, nr. 750; in dezelfde zin R. Derine, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Zakenrecht, deel I, B, 1042, en F. Van Neste, Natrekking, Onroerend Goed in de Praktijk, 1996, I, G.3-10, 1966);

De leer van het Hof van Cassatie heeft betrekking op de door een huurder uitgevoerde werken waarop het recht van natrekking pas kan worden uitgeoefend bij het verstrijken van de huur. Dat is de reden waarom de eis tot schadevergoeding enkel kan worden ingesteld tegen degene die eigenaar van het gehuurde goed was bij het verstrijken van de huur;

Aldus kan, in geval van overdracht van het goed tijdens de huur, de op artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering tot schadevergoeding van de huurder enkel worden ingesteld tegen de verkrijger van dat goed;

Vervolgens rijst de vraag of de overige bouwers geacht moeten worden in dezelfde toestand te verkeren als de huurder, gelet op het feit dat de natrekking van hun werken niet bepaald ogenblikkelijk geschiedt;

In die fase moet de toestand van de bezitter te goeder trouw (artikel 555 in fine van het Burgerlijk Wetboek) die niet kan veroordeeld worden tot afbraak van zijn gebouwen, worden onderscheiden van die van alle andere bouwers, onder wie de bezitter te kwader trouw, die afhankelijk zijn van de keuze van de eigenaar van de grond waarop de gebouwen zijn opgetrokken. Die heeft de keuze ofwel om die gebouwen voor zich te behouden tegen een vergoeding, ofwel om de derde-bouwer ertoe te verplichten ze weg te nemen (artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek);

Natrekking geschiedt immers slechts ogenblikkelijk vanaf de incorporatie van de materialen wanneer de bouwer te goeder trouw is, wat betekent dat voor degene die te kwader trouw heeft gebouwd de natrekking pas geschiedt op het ogenblik dat de eigenaar zijn optierecht uitoefent;

Jacques Hansenne preciseert dat punt als volgt: ‘Il reste cependant à mentionner l'opinion de De Page et Dekkers, dont l'influence reste importante sur les juristes, théoriciens et praticiens, de notre pays. Selon ces éminents auteurs, l'accession s'opère en droit dès le moment où elle se réalise en fait; En d'autres termes, l'accession est en principe instantanée: elle joue dès le moment de l'incorporation. Cependant, toujours selon ces auteurs, la règle ne vaut pleinement que dans trois hypothèses: [...] c) l'accession artificielle résultant d'ouvrages faits sur le fonds d'autrui par le possesseur de bonne foi, ouvrages dont le propriétaire du fonds ne peut demander la suppression (article 555 in fine) et qui lui sont par conséquent acquis d'office. Au contraire, l'accession n'est pas instantanée: a) en cas d'accession artificielle résultant d'ouvrages faits sur le fonds d'autrui par tout autre qu'un possesseur de bonne foi car, en pareil cas, le propriétaire du sol a une option: l'accession ne jouera qu'au moment où le propriétaire décide de conserver les ouvrages. On ne voit pas en effet pourquoi cette décision aurait un effet rétroactif' (J. Hansenne, Les biens, deel I, nr. 512);

Dat wettigt de conclusie dat, anders dan in het door het Hof van Cassatie bedoelde geval, de natrekking slechts ogenblikkelijk plaatsvindt wanneer de eiseres zich erop kan beroepen te goeder trouw te hebben gebouwd;

Als dat niet het geval is, met andere woorden als de eiseres te kwader trouw heeft gebouwd, is de natrekking niet automatisch gebeurd zoals in het door het Hof van Cassatie vermelde geval, en moet zijn leer worden toegepast op de hierna te preciseren wijze;

Te dezen moet dus worden uitgemaakt of de eiseres zich al dan niet erop kan beroepen te goeder trouw te hebben gebouwd;

Volgens Jacques Hansenne is de bezitter te goeder trouw ‘celui qui possède en vertu d'un titre translatif dont il ignore les vices' (J. Hansenne, Les biens, deel II, nr. 706);

Gesteld dat de tussen de eiseres en de verweerster gesloten voorlopige koopovereenkomst als een akte van overdracht moet worden beschouwd, ondanks het beding dat de eigendomsoverdracht uitstelt tot de datum waarop de authentieke akte verleden wordt (artikel 6), moet worden onderzocht of de eiseres al dan niet kan worden geacht te goeder trouw te zijn;

‘Pour être de bonne foi, le possesseur doit ignorer les vices de son titre, c'est-à-dire la raison pour laquelle il n'est pas le propriétaire du fonds sur lequel se réalisent les ouvrages' (J. Hansenne, Les biens, deel II, nr. 707);

Te dezen kan de eiseres niet staande houden dat zij dacht eigenaar te zijn van het erf waarop zij haar werken had uitgevoerd aangezien de authentieke akte niet verleden was en de eigendomsovergang niet was gebeurd;

Het doet niet terzake dat de gerechtelijke ontbinding die op de uitvoering van de werken gevolgd is aan de oorsprong ligt van de definitieve niet-overgang van de eigendom;

Die evidentie belet niet dat er op het ogenblik van de werken een andere oorzaak bestond die de eigendomsovergang voorlopig in de weg stond, namelijk het beding van eigendomsvoorbehoud waarvan de eiseres op de hoogte was en die vermeld stond in artikel 6 van de voorlopige koopovereenkomst;

Aldus staat vast dat de eiseres op het ogenblik dat zij haar werken uitvoerde, wel degelijk wist dat zij geen eigenaar was van het erf waarop zij gebouwd had, zodat zij in geen geval kan aanvoeren te goeder trouw te hebben gebouwd en zich evenmin kan beroepen op de toepassing van artikel 555 in fine van het Burgerlijk Wetboek;

De vraag moet verder worden onderzocht van wie degene die te kwader trouw heeft gebouwd vergoeding kan eisen op grond van artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek;

Wat dat betreft preciseert artikel 555 initio dat de eigenaar van het erf waarop de gebouwen zijn opgericht de keuze heeft ofwel om de werken voor zich te houden en daarvoor een vergoeding te betalen ofwel om de derde die heeft gebouwd ertoe te verplichten die gebouwen weg te nemen;

Ingeval een procedure tot vergoeding zou worden ingesteld door een persoon die te kwader trouw heeft gebouwd, is het ondenkbaar dat de verkoper van het erf waarop die gebouwen zich bevinden als niet-eigenaar dat optierecht nog zou kunnen uitoefenen ten koste van de koper die dat niet meer zou kunnen doen;

Dat optierecht is ongetwijfeld een toebehoren van de verkochte zaak dat overeenkomstig artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek bij de verkoop wordt overgedragen samen met de verkochte zaak;

‘les accessoires visés par l'article 1615 sont donc les éléments matériels ou juridiques qu'il faut considérer comme indivisibles ou inséparables de la chose' (De Page, deel IV, 3e ed., nr. 99, 3°). ‘Sont de tels accessoires (...), l'action en garantie d'éviction, en garantie des vices cachés ou en garantie décennale appartenant au vendeur contre son propre vendeur ou le constructeur' (L. Simont, J. De Gavre en P.A. Foriers, ‘Examen de jurisprudence. Les contrats spéciaus (1981-1991)'; R.C.J.B., 1995, nr. 35, p. 168);

Om te voldoen aan artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek moet, net zoals voor voornoemde vorderingsrechten, worden aangenomen dat de verkoper eveneens zijn in dat artikel bedoelde optierecht heeft overgedragen wat betreft de gebouwen die een derde op het verkochte goed heeft opgetrokken;

Indien de verkoper dat optierecht niet heeft uitgeoefend voor de verkoop, doet het niet terzake dat de derde al dan niet een huurder is omdat de eigenaar in beide gevallen nog over zijn optierecht beschikt op het ogenblik dat de derde die heeft gebouwd de rechtsvordering instelt;

In het geval van een huurder heeft de verkoper het optierecht niet kunnen uitoefenen indien de verkoop voor het verstrijken van de huur is gebeurd, terwijl in voorliggend geval de oplossing enkel dezelfde is als blijkt dat de verkoper dat optierecht niet heeft uitgeoefend, hoewel hij dat had kunnen doen;

Zo is inzake vorderingen tot vrijwaring gedurende tien jaar beslist dat ‘la Cour de cassion qui, dans son arrêt du 5 décembre 1980 (Pas., 1981, I, 398) rattachait expressément la solution à l'article 1615 du Code civil, à propos de la transmission d'une action en garantie décennale à l'occasion de la vente d'un immeuble, apporté une nuance intéressante à sa doctrine en précisant que, si la vente intervenait alors que le vendeur avait déjà intenté l'action en garantie, cette action reste dans son patrimoine à moins que les conditions de la vente ou un acte distinct ne prévoient la cession de cette action à l'acheteur (Cass., 15 septembre 1989, Pas., 1990, I, 65 et la note Herbots)' (L. Simont, J. De Gavre e P.-A Foriers, ‘Examen de jurisprudence. Les contrats spéciaus (1981-1991)', R.C.J.B., 1995, nr. 57, p. 207);

Te dezen moet de rechter dus oordelen of (de verweerster) dat optierecht heeft uitgeoefend voor de verkoop van haar grond aan de vennootschap Aldi;

Professor Hansenne zegt het volgende: ‘d'abord, il paraît évident que celui qui a manifesté clairement sa "préférence" pour le maintien des constructions et ouvrages ne peut, ultérieurement, revenir sur sa décision; ensuite, ce choix en faveur de l'indemnisation peut résulter d'une renonciation tacite (pour autant qu'elle soit certaine) au droit d'exiger la démolition' (J. Hansenne, Les biens, deel II, nr. 745);

Het feit dat de (verweerster) de grond samen met de litigieuze gebouwen heeft verkocht aan de vennootschap Aldi met de precisering dat die haar door natrekking toebehoorden betekent daarom nog niet dat zij noodzakelijkerwijze het optierecht heeft uitgeoefend door afstand te doen van haar recht om de afbraak van die gebouwen te eisen;

Het feit alleen dat de voorlopige koopakte vermeldt dat de gebouwen door recht van natrekking aan de (verweerster) toebehoren betekent niet dat het optierecht ook automatisch is uitgeoefend maar misschien alleen dat zij nog tot de verkoop kon beslissen over wat er met de op haar grond opgerichte gebouwen diende te gebeuren (virtuele natrekking, overgedragen aan de koper);

Het is bovendien interessant erop te wijzen dat de (verweerster) in artikel 2 van de authentieke koopakte van 30 december 1999 verklaard heeft de grond te verkopen met alle daaraan verbonden gewone waarborgen en de gebouwen zonder enige waarborg;

De dading die tussen de (verweerster), de vennootschap Aldi, en de vennootschap S.M.C., is gesloten en naar luid waarvan de (verweerster) de facturen van de aannemer van die gebouwen heeft betaald, bewijst niet dat de verweerster op enigerlei wijze gebruik gemaakt heeft van het in artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegde optierecht, maar heeft enkel tot doel een situatie te ontwarren en de vennootschap Aldi in staat te stellen het goed te kopen zonder tegenwerking van de aannemer, de vennootschap S.M.C;

Bovendien preciseert de (eiseres) ten onrechte dat haar gebouwen niet toekomen aan de vennootschap Aldi aangezien zij juist integendeel de eigendom heeft overgenomen van de grond waarop die gebouwen zijn opgericht en zij in voorkomend geval van haar verkoper de eventuele vergoedingen kan terugvorderen die zij had moeten storten;

Uit het bovenstaande volgt dat de (eiseres) haar vordering ten onrechte tegen (de verweerster) heeft ingesteld;

Het hof [van beroep] beslist aldus dat degene die te kwader trouw op het goed van een ander heeft gebouwd, zijn rechtsvordering enkel kan instellen tegen degene die eigenaar van het goed was op het ogenblik dat hij zijn rechtsvordering instelde, tenzij hij aantoont, wat te dezen niet het geval is, dat de verkoper reeds voor de verkoop het in artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek bedoelde optierecht heeft uitgeoefend;

2. Wat betreft de leer van de uitgaven en de onrechtmatige verrijking

Dezelfde oplossing geldt ook in het geval dat de leer van de uitgaven of van de onrechtmatige verrijking moet worden toegepast aangezien het vermogen van de vennootschap Aldi is verrijkt met de waarde van de gebouwen;

Het is trouwens niet mogelijk hier de leer van de onrechtmatige verrijking toe te passen gelet op het feit dat die slechts een subsidiair karakter heeft en het hof [van beroep] de middelen die de (eiseres) op grond van artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek heeft aangevoerd niet naar de inhoud heeft onderzocht, daar die rechtsvordering niet gericht was tegen de koper, de vennootschap Aldi;

Derhalve verklaart het hof [van beroep] de nieuwe vordering van de (eiseres) tegen de (verweerster) tot vergoeding van de op de litigieuze grond opgerichte gebouwen niet gegrond terwijl het tevens verklaart dat de (eiseres) moet worden geacht de gebouwen te kwader trouw te hebben opgericht".

Die redenen kunnen in hoofdzaak als volgt worden samengevat:

a) In de lijn van de leer van het arrest van het Hof van 23 april 1965 wijst het arrest erop dat, wanneer de huurder zonder enig recht gebouwen heeft opgetrokken en de eigenaar het goed achteraf verkoopt, de op artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering tot terugbetaling van de huurder gericht moet worden tegen de koper, die eigenaar is van het verhuurde goed en die in de rechten en verplichtingen getreden is van de verkoper, die de oorspronkelijke verhuurder was;

b) Ongetwijfeld, zo stelt het arrest, is de reden hiervan dat de verhuurder de gebouwen pas door natrekking verkrijgt bij het verstrijken van de huurtijd (intussen heeft de huurder het recht de gebouwen weg te nemen). Daaruit volgt dat de huurder niet vroeger mocht optreden. Hij kan pas een rechtsvordering instellen bij het verstrijken van de huur en kan die bijgevolg enkel richten tegen de persoon die op dat ogenblik eigenaar van het goed is;

c) Het arrest oordeelt dat het de oplossing bij uitbreiding kan toepassen op de situatie van elke derde die te kwader trouw gebouwd heeft op de grond van iemand anders. In dit geval immers (en alleen in dit geval: als de derde te goeder trouw is, kan de eigenaar de wegneming van de gebouwen niet eisen), staan de eigenaar twee wegen open: hij betaalt de derde terug en houdt de gebouwen voor zich of hij eist, omgekeerd, de wegneming ervan. Daaruit volgt dat de rechtsvordering tot vergoeding van de derde te kwader trouw niet kan worden ingesteld zolang de eigenaar zijn keuzerecht niet heeft uitgeoefend. Als zij wel wordt ingesteld, moet zij gericht zijn tegen degene die eigenaar van het erf is op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld;

d) Was de eiseres in casu te kwader trouw? Het antwoord is volgens het arrest bevestigend: de eiseres "kan niet staande houden dat zij dacht eigenaar te zijn van het erf waarop zij haar werken had uitgevoerd aangezien de authentieke akte niet verleden was en de eigendomsovergang niet had plaatsgevonden". De omstandigheid dat achteraf de gerechtelijke ontbinding van de voorlopige koopovereenkomst is uitgesproken doet wat dat betreft niet terzake;

e) Wanneer de derde te kwader trouw heeft gebouwd, wordt het keuzerecht van de eigenaar, als toebehoren van het erf, overgedragen bij de verkoop van dat erf. Voortaan komt het optierecht toe aan de koper die het naar eigen believen kan uitoefenen. Dienovereenkomstig is de koper degene tot wie de derde-bouwer zich moet wenden om een vergoeding te krijgen ingeval de koper vraagt de gebouwen voor zich te houden;

f) Het arrest wijst bovendien erop dat de bovenstaande regels betrekking hebben op de verplichting tot vergoeding. Wat betreft de bijdrage is de koper die gehouden is tot vergoeding ten aanzien van de derde-bouwer, in de regel gerechtigd zijn kosten te verhalen op de verkoper;

g) De oplossing zou verschillend zijn indien de verkoper, voor de overdracht van het erf, zijn optierecht zou hebben uitgeoefend. Indien hij ervoor kiest de gebouwen voor zich te houden, is hij gehouden tot vergoeding en dient de rechtsvordering van de derde-bouwer tegen hem gericht te zijn;

h) Te dezen evenwel heeft de verweerster dat optierecht niet uitgeoefend, zelfs niet stilzwijgend. Uit de overdracht van het erf en de gebouwen kan niet worden afgeleid dat de koper door toedoen van de verkoper dat optierecht verloren heeft of dat de verkoper dit noodzakelijkerwijs heeft uitgeoefend door het erf te verkopen;

i) De overeenkomst die als dading werd omschreven en die op 8 september 1998 werd aangegaan tussen de verweerster, Aldi Gembloux en de S.M.C. en waarin de verweerster zich ertoe verbond de door S.M.C. aan de eiseres gerichte facturen te betalen bij ontvangst van de verkoopprijs van het goed impliceert voor het hof van beroep niet dat de verweerster reeds voor de verkoop of op het ogenblik ervan het optierecht zou hebben uitgeoefend, bedoeld in artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek;

j) Dezelfde oplossing vindt steun in de leer van de uitgaven en de onrechtmatige verrijking, daar het vermogen van Aldi Gembloux "is verrijkt met de waarde van de gebouwen" en het arrest daarenboven geen uitspraak kon doen over de leer van de onrechtmatige verrijking, daar het niet "ten gronde" uitspraak doet over de toepassing van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek.

Het eerste bestreden arrest had immers om de volgende redenen de heropening van het debat bevolen over de nieuwe vordering van de eiseres:

"Uit de stukken van de rechtspleging blijkt evenwel dat die nieuwe vordering van de (eiseres) voor de eerste maal is ingesteld op 8 februari 2001, dus na de datum waarop de (verweerster) de in Hoei gelegen grond heeft verkocht waarop, op vraag van de (eiseres,) de gebouwen zijn opgetrokken door de vennootschap S.M.C.;

Naar aanleiding van die verkoop van de (verweerster) aan de vennootschap Aldi werd immers op 8 september 1998 een voorlopige koopakte en op 30 december 1999 een authentieke akte opgemaakt;

De hamvraag is of de (eiseres) haar vordering tot vergoeding, die met name gegrond is op artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek, nog kon instellen tegen de (verweerster), hoewel laatstgenoemde op het ogenblik waarop de vordering werd ingesteld niet langer eigenaar was van het erf waarop de gebouwen waren opgericht;

De vraag rijst met andere woorden of de vordering moest worden ingesteld tegen de (verweerster) dan wel tegen degene die eigenaar van de grond was op het ogenblik dat de vordering werd ingesteld, de vennootschap Aldi".

Grieven

(...)

Artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar van het erf waarop een derde met zijn materialen heeft gebouwd het recht heeft ze voor zich te behouden ofwel de derde ertoe te verplichten ze weg te nemen, met dien verstande dat de eigenaar in het eerste geval de waarde van de materialen en het arbeidsloon moet terugbetalen.

Als de derde echter te goeder trouw is, met andere woorden als hij niet wist dat hij op de grond van een ander bouwde, wordt die keuzemogelijkheid ontzegd aan de eigenaar die bijgevolg de wegneming van de gebouwen niet kan eisen.

De overdracht van het erf door de eigenaar waarop een derde heeft gebouwd ontneemt laatstgenoemde in de regel niet het hem a contrario door die wettekst toegekende recht om van de overdragende eigenaar, namelijk degene die eigenaar van het erf was toen de gebouwen er werden opgericht, vergoeding te eisen; zelfs als de derde die heeft gebouwd niet te goeder trouw is, dat wil zeggen als hij wist dat hij bouwde op andermans erf, beschikt hij over de keuzemogelijkheid die de tekst aan de eigenaar toekent (de gebouwen voor zich houden of de derde ertoe verplichten die weg te nemen).

In geval van verkoop van het erf en de gebouwen door de eigenaar van het erf impliceert de overdracht van de gebouwen in de regel dat de overdragende eigenaar afstand doet van zijn recht om de wegneming ervan te eisen en bijgevolg dat het optierecht wordt uitgeoefend.

Uit de verkoop van de gebouwen volgt immers dat de eigenaar van het erf ervan uitgaat dat hij die door natrekking heeft verkregen voor die verkoop en er eigenaar van geworden is. De verkoop van een goed veronderstelt immers dat de verkoper eigenaar is van het verkochte goed waarvan hij de eigendom aan de koper overdraagt.

De uitoefening van dat optierecht heeft tot gevolg dat de eigenaar definitief afstand heeft gedaan van het recht om de wegneming van de gebouwen te eisen en dus gehouden is tot terugbetaling van de waarde van de materialen en het arbeidsloon aan de derde die de gebouwen heeft opgetrokken. Zijn keuzerecht is vervallen.

Ongetwijfeld zou kunnen worden beslist dat de toestand anders is wanneer de derde die de gebouwen heeft opgetrokken het erf huurt en de eigenaar bij het verstrijken van de huur dat erf heeft overgedragen. In dat geval kan de eigenaar het hem door de tekst toegekende optierecht pas uitoefenen bij het verstrijken van de huur. Indien het erf op die datum is overgedragen, komt het optierecht toe aan de koper die in de rechten en verplichtingen van de overdrager getreden is, met als gevolg dat de huurder, die de gebouwen op andermans grond heeft opgericht, genoodzaakt zou kunnen zijn om zich voor vergoeding tot laatstgenoemde te wenden en niet tot de oorspronkelijke eigenaar. Die uitzondering kan echter, op straffe van schending van de wettekst, niet worden uitgebreid tot gelijk welke derde die wetens en willens bouwt op de grond van iemand anders en die zich dus niet op zijn goede trouw kan beroepen. Hij blijft bijgevolg gehouden om het door de tekst toegekende optierecht te eerbiedigen.

Met de bestreden gronden waaruit het arrest afleidt (...) dat "degene die te kwader trouw op het goed van een ander heeft gebouwd, zijn rechtsvordering enkel kan instellen tegen degene die eigenaar van dat goed was op het ogenblik dat hij zijn rechtsvordering instelt, tenzij hij aantoont, wat te dezen niet het geval is, dat de verkoper reeds voor de verkoop het in artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek bedoelde optierecht heeft uitgeoefend", verantwoordt het tweede bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest van 4 december 2001 had bovendien erop gewezen dat Aldi Gembloux, de koper van het erf, zich blijkens de bewoordingen van de overeenkomst van 8 september 1998 "ertoe verbonden had de litigieuze grond en het daarop opgetrokken gebouw van de (verweerster) te kopen, onder verplichting voor laatstgenoemde om de (S.M.C.) een vergoeding te betalen voor de door haar uitgevoerde werken". Die verkoop werd vastgelegd in de authentieke akte van 30 december 1999.

Het hof van beroep heeft daarenboven erkend dat "de (verweerster) de grond en de litigieuze gebouwen heeft verkocht aan de vennootschap Aldi met de precisering dat die haar toebehoorden door natrekking".

Uit die overwegingen kan worden afgeleid dat de verweerster uiterlijk op het ogenblik van de verkoop van het erf en de erop staande gebouwen definitief afstand heeft gedaan van het haar door artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek toegekende optierecht alsook van het recht om de wegneming van de gebouwen te eisen, waardoor zij toegaf dat die gebouwen haar eigendom geworden waren door natrekking.

Het bewijs is dus geleverd dat de verweerster haar optierecht heeft uitgeoefend voor de verkoop van de grond en de gebouwen.

Bijgevolg kon de verweerster haar optierecht niet overdragen aan Aldi Gembloux, daar het optierecht vervallen was. De verweerster was de vergoeding verschuldigd aan de eiseres, zonder dat de verkoop van het erf en de gebouwen haar van die schuld heeft kunnen bevrijden.

Het arrest dat het tegendeel beslist schendt niet alleen artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek wat reeds werd aangeklaagd, maar het miskent tevens de verbindende kracht van de op 8 september 1988 tussen de verweerster, Aldi Gembloux en de Société mosane de construction gesloten overeenkomst en van de authentieke akte van 30 december 1999 (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Tevens schendt het de wetsbepalingen volgens welke de verkoper eigenaar moet zijn van het goed waarvan hij de eigendom overdraagt aan de koper (artikelen 1583 en 1599 van het Burgerlijk Wetboek) en miskent het de gevolgen die genoemde overeenkomst en akte teweegbrengen voor derden (schending van de artikelen 1165 tot 1167 van het Burgerlijk Wetboek).

(...)

Tot staving van het cassatieberoep met algemeen rolnummer C.09.0443.F voert de eiseres vier middelen aan:

(...)

III. BESLISSSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen met algemeen rolnummer C.09.0039.F en C.09.0443.F zijn tegen dezelfde arresten gericht. Er is grond tot voeging.

(...)

Het cassatieberoep met algemeen rolnummer C.09.0039.F:

In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 10 september 2008:

Middel

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 555 initio van het Burgerlijk Wetboek heeft de eigenaar van het erf waarop een derde die geen bezitter is te goeder trouw, gebouwen heeft opgetrokken, in de regel de keuze ofwel om de derde ertoe te verplichten de gebouwen op zijn kosten weg te nemen, ofwel ze voor zich te behouden mits hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon terugbetaalt.

De verplichting tot terugbetaling ontstaat voor de eigenaar van het erf op het ogenblik dat hij ervoor kiest de gebouwen te behouden en bijgevolg zijn recht van natrekking uit te oefenen.

Het bestreden arrest van 10 september 2008 vermeldt dat:

- de eiseres op een grond die aan de verweerster toebehoorde gebouwen heeft laten optrekken zonder bezitter te goeder trouw te zijn;

- B.P Belgium vervolgens "de grond en de litigieuze gebouwen heeft verkocht aan de naamloze vennootschap Aldi met de toevoeging [in de voorlopige koopovereenkomst] dat die haar door natrekking toebehoorden";

- B.P. Belgium in de authentieke koopakte van 30 december 1999 "verklaard heeft de grond te verkopen met alle gewone waarborgen en de gebouwen zonder enige waarborg".

Op grond van de aldus vastgestelde gegevens heeft het arrest niet wettig kunnen oordelen dat B.P. Belgium niet voor de verkoop ervoor gekozen had de litigieuze gebouwen voor zich te behouden en bijgevolg heeft het niet wettig kunnen beslissen dat "[de eiseres] ten onrechte haar vordering [op grond van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek] heeft ingesteld tegen [B.P. Belgium]".

Het schendt derhalve artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

De overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Het cassatieberoep met algemeen rolnummer C.09.0443.F :

In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 8 januari 2008:

(...)

Tweede middel

Om de redenen die vermeld staan in het antwoord op het tweede gelijklopend onderdeel van het middel dat is aangevoerd tot staving van het cassatieberoep C.09.0039.F is het middel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen met algemeen rolnummer C.09.0039.F en C.09.0443.F;

Vernietigt het bestreden arrest van 10 september 2008, in zoverre het de nieuwe vordering van Immo Alpha 80 tegen B.P. Belgium tot betaling van een vergoeding voor de op de litigieuze grond opgetrokken gebouwen niet gegrond verklaart;

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

(...)

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 3 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gebouwen, opgetrokken op andermans erf door een derde die geen bezitter te goeder trouw is

  • Keuzemogelijkheid van de eigenaar om de gebouwen voor zich te behouden

  • Verplichting tot terugbetaling van de waarde van de materialen en het arbeidsloon

  • Tijdstip waarop de verplichting tot terugbetaling ontstaat