- Arrest van 4 februari 2011

04/02/2011 - C.10.0412.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ingevolge de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van artikel 42, §5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, blijft het recht op een uitkering tot levensonderhoud, verschuldigd ingevolge een echtscheiding uitgesproken voor 1 september 2007 overeenkomstig de artikelen 229, 231 en 232 Burgerlijk Wetboek, verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden (1) (2) (3). (1) GwH, 3 dec. 2008, nr. 172/2008, rolnr. 4374, AGwH 2008, 2683. (2) Het O.M. concludeerde eveneens tot vernietiging, doch op het eerste onderdeel, op grond van tegenstrijdigheid van beslissingen. (3) Art. 301 BW zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0412.N

O. K.,

aan wie rechtsbijstand is verleend bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand op 24 juni 2010 (G.09.0231.N),

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

R.D.C.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 maart 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert navolgend middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 10, 11 en 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof;

- artikel 2 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 301, § 3, Burgerlijk Wetboek, in zijn versie na de wijziging bij de wet van 9 juli 1975 en vóór de wijziging bij de wet van 27 april 2007;

- artikel 301, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, in zijn versie na de wijzi¬ging bij de wet van 27 april 2007;

- artikelen 42, § 3 en 44 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervor¬ming van de echtscheiding;

- artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In het aangevochten vonnis van 2 maart 2009 verklaart de recht¬bank van eerste aanleg te Brussel eiseres' hoger beroep tegen het vonnis van 25 oktober 2007 van de vrederechter van het kanton Vilvoorde, waarbij de ver¬weerder werd veroordeeld om te betalen aan de eiseres ten titel van onder¬houdsbijdrage de som van 300,00 euro per maand vanaf maart 2007, ontvankelijk en gegrond, doet het vonnis a quo teniet en, opnieuw rechtsprekend, veroor¬deelt de verweerder om aan de eiseres een onderhoudsbijdrage te betalen ten be¬lope van 375,00 euro maandelijks vanaf de datum van het gedinginleidend ver¬zoekschrift.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel verklaart het inciden¬teel beroep van de verweerder ontvankelijk, doch ongegrond, veroordeelt hem tot de kosten en zegt voor recht dat de verschuldigdheid van deze onderhouds¬uitkering van rechtswege zal eindigen door het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, en dit op de volgende gronden:

"I. Feiten en procedurevoorgaanden

De belangrijkste feiten en voorafgaanden relevant voor de beoordeling van huidige zaak, zoals zij uit de door partijen neergelegde conclusies en stuk¬ken, alsook uit het rechtsplegingdossier blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

1.1 Aanleiding tot de betwisting is een discussie tussen partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage die (de verweerder) aan (de eiseres) dient te betalen.

1.2 De oorspronkelijke vordering, van (de verweerder) voor de vrederechter, strekte ertoe de onderhoudsbijdrage die hij diende te betalen aan (de eiseres) te verminderen naar een jaarlijks indexeerbare bijdrage ten belope van 275,00 euro.

1.3 In ondergeschikte orde de onderhoudsbijdrage die hij diende te be¬ta¬len aan (de eiseres) te verminderen naar een maximaal jaarlijks in¬dexeerbare bijdrage van 395,00 euro per maand.

(De eiseres) concludeerde tot de ongegrondheid van deze vordering.

1.4 De vrederechter verklaarde de vordering ontvankelijk en deels ge¬grond.

Bij vonnis, op tegenspraak gewezen, door het vredegerecht te Vilvoorde op 25 oktober 2007 de vordering van (de verweerder) gegrond verklaard, waarbij de onderhoudsbijdrage voor (de eiseres) werd herleid tot 300,00 euro per maand vanaf maart 2007, geïndexeerd, tot betaling waarvan (de verweerder) alsdan werd veroordeeld; waarbij (de eiseres) veroordeeld werd tot de kosten van het geding en waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, niet¬tegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

1.5 (De eiseres) tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Haar hoger beroep strekt ertoe het vonnis a quo teniet te doen en haar het oorspronkelijke toegekende bedrag van de onderhoudsuitkering bepaald bij vonnis van de vrederechter op 8 maart 1990 toe te kennen, zodat dienvol¬gens (de verweerder) dient veroordeeld te worden tot het betalen aan haar van een onderhoudsbijdrage ten belope van 456,20 euro en dit vanaf maart 2007.

1.6 (De verweerder) concludeert tot de ongegrondheid van het hoger be¬roep.

1.7 (De verweerder) stelt bij een op tegenspraak genomen besluitschrift inci¬denteel hoger beroep aan, verzoekt de onderhoudsbijdrage te betalen aan (de eiseres) te verminderen tot een maandelijks bedrag ten belope van 275,00 euro en verzoekt tevens vast te stellen dat deze on¬derhoudsbijdrage zou beperkt worden in de tijd, rekeninghoudende met de nieuwe bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, desbetref¬fend.

II. Beoordeling

(...)

B. Nopens de gegrondheid

2.2 Aan het huwelijk van partijen van 23 mei 1975 werd een einde ge¬steld bij vonnis in echtscheiding uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 2 december 1986, overgeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand te Grimbergen.

2.3 Bij vonnis van het vredegerecht Vilvoorde van 8 maart 1990 werd de uitkering na echtscheiding bepaald op 8.403 frank, omgerekend ‘456,20 euro' per maand, geïndexeerd, rekeninghoudende met de toenmalige inkomsten van (de verweerder), in 1988 met name 55.208 frank of 1.368,57 euro per maand.

2.4 Bij vonnis van de vrederechter van 25 oktober 2007 werd bepaald dat het vroeger bepaalde onderhoudsgeld hoe dan ook 1/3 van de inkomsten van (de verweerder) in 2007 overschreed, met name 1.986,99 euro, zodat (de verweerder) een vermindering van de te betalen onderhoudsbijdrage verkreeg en dus thans een onderhoudsbijdrage betaalt ten belope van 300,00 euro vanaf de maand maart 2007, ogen¬blik van het neerleggen van het gedinginleidend verzoekschrift.

2.5 (De verweerder) stelt heden dat een vermindering zich opdringt naar 275,00 euro per maand, gelet op het feit dat zijn inkomen is verminderd, met name hij geniet van een pensioen ten belope van 1185,00 euro.

In rechte.

Met betrekking tot het hoofdberoep.

(De eiseres) vordert een onderhoudsbijdrage ten belope van het bedrag dat haar bij vonnis van de vrederechter in 1990 werd toegekend.

(De verweerder) stelt dat er sedert 1990 ingrijpende gewijzigde omstandighe¬den zijn, die een vermindering van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigen:

Zo stelt (de verweerder) dat hij op pensioen is gegaan, waardoor hij thans een pensioen geniet ten belope van 1.185,00 euro maandelijks.

Dat uit de stukken blijkt dat (de eiseres) thans ook een pensioen ontvangt ten belope van 412,97 euro (geïndexeerd maart 2007: 456,20 euro), en daarbovenop ontvangt zij maandelijks de onderhoudsbijdrage t.b.v. 300,00 euro, wat ons een totaal geeft van 756,20 euro.

(De verweerder) heeft volgens het bijgevoegde stukkenbundel een inkomen van 16.840,00 euro jaarlijks, wat ons een maandelijks inkomen geeft van 1.403,00 euro.

Rekening houdend met de inkomsten en lasten van partijen, acht de recht¬bank het billijk dat de onderhoudsbijdrage bepaald wordt op een bedrag van 375,00 euro maandelijks vanaf 15 maart 2007, datum van neerlegging van het gedinginleidende verzoekschrift.

Met betrekking tot het incidenteel beroep.

(De verweerder) stelt heden dat een vermindering zich opdringt naar 275,00 euro per maand gelet op het feit dat zijn inkomen verminderd is, met name, hij geniet van een pensioen ten belope van 1.185,00 euro.

Gelet op de bovenstaande beschouwingen waarbij het hoger beroep van (de eiseres) gegrond voorkomt dient dan ook het incidenteel beroep onge¬grond te worden verklaard.

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig de in artikel 149 Grondwet vervatte moti¬veringsverplichting mag een rechterlijke beslissing geen tegenstrijdigheid bevatten tussen haar motieven en haar beschikkend gedeelte.

In zoverre een rechterlijke beslissing tegenstrijdige beschikkingen bevat, schendt ze bovendien artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

2. Zoals vastgesteld door het bestreden vonnis, stelde de verweerder bij conclusie incidenteel beroep in teneinde ondermeer vast te stellen dat de litigieuze onderhoudsbijdrage voor de eiseres zou worden beperkt in de tijd, reke¬ning houdend met het nieuw artikel 301, § 4, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, en de onderhoudsbijdrage dienvolgens te beperken tot de duur van het huwelijk (bestreden vonnis, p. 3, nr. 1.7; syn¬theseberoepsconclusie van de verweerder, gedateerd op 24 april 2008, p. 4, vierde en vijfde lid en p. 5, beschikkend gedeelte).

Zowel in het overwegend als in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis verklaren de appelrechters het incidenteel beroep onge¬grond en tegelijkertijd zeggen zij in het beschikkend gedeelte voor recht dat de verschuldigdheid van deze onderhoudsuitkering van rechtswege zal eindigen door het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, zoals bij incidenteel beroep door de verweerder gevorderd.

Door de verweerders incidenteel beroep aldus impliciet maar zeker gedeeltelijk gegrond te verklaren en door dit tegelijkertijd zowel in het overwe¬gend als in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis ongegrond te verklaren, bevat het bestreden vonnis een tegenstrijdigheid tussen zijn motie¬ven en zijn beschikkend gedeelte en schendt het artikel 149 Grondwet. Minstens bevat het aldus tegenstrijdige beschikkingen en schendt het artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

1. Artikel 44 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervor¬ming van de echtscheiding bepaalt dat die wet in werking treedt op 1 septem¬ber 2007.

Overeenkomstig artikel 2 Burgerlijk Wetboek is de nieuwe wet van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder het stelsel van de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortzetten onder de gel¬ding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan on¬herroepelijk vastgestelde rechten.

Artikel 301, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, zoals gewij¬zigd bij de wet van 27 april 2007, bepaalt dat de duur van de uitkering tot le¬vensonderhoud (na echtscheiding) niet langer mag zijn dan die van het huwe¬lijk.

2.1. Artikel 42 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervor¬ming van de echtscheiding stelt de overgangsbepalingen vast die met name betrekking hebben op het nieuw artikel 301 Burgerlijk Wetboek waar¬door de vroegere regeling van de na echtscheiding verschuldigde uitkering tot levensonderhoud werd gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 42, § 3 van de wet van 27 april 2007 blijft het in artikel 301 Burgerlijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007, bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet van 27 april 2007 overeenkomstig de vroegere de artikelen 229, 231 en 232 Burgerlijk Wet¬boek.

Op deze regel was evenwel één uitzondering voorzien wat betreft de toepassing van het nieuwe artikel 301, § 4, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 preciseerde inderdaad het volgende:

Artikel 301, § 4 van hetzelfde wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toe¬passing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4 bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan over¬schrijden.

2.3.1. In zijn arrest nr. 172/2008 van 3 december 2008, bekendge¬maakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2008, vernietigde het Grondwettelijk hof het artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 op de vol¬gende gronden:

B.18. Door echter, onder voorbehoud van de toepassing van het vroegere arti¬kel 301, § 3, Burgerlijk Wetboek, de regeling van een in de tijd onbe¬perkte uitkering te vervangen door een regeling die de uitkering van rechts¬wege beëindigt na een duur die gelijk is aan die van het huwelijk, doet de wet¬gever op discriminerende wijze afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de personen wier situatie onder de gelding van de vroegere wet was vastge¬steld en enkel onder de bij die wet vastgestelde voorwaarden kon worden gewijzigd.

(...)

B.20. Hoewel de wetgever vermocht te beslissen dat, voor de met toepassing van de nieuwe wet uitgesproken echtscheidingen, de uitkering tot levenson¬derhoud zal worden bepaald binnen de bij de wet vastgestelde beperkingen, met name met betrekking tot de duur ervan, is het niet redelijk verantwoord diezelfde regeling toe te passen op de uitkeringen die, onder de gelding van de vroegere wet, zijn toegekend bij vóór de inwerkingtreding van die wet defi¬nitief geworden rechterlijke beslissingen.

Overeenkomstig artikel 9, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 van het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, hebben de door het Arbitragehof, thans Grondwettelijk hof genoemd, gewezen vernietigingsarres¬ten een absoluut ge¬zag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

2.3.2. Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaar¬borgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel houdt in dat de rechtssub¬jecten die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, op gelijke wijze moeten worden behandeld.

In zijn arresten nrs. 115/2009 van 16 juli 2009 en 141/2009 van 17 september 2009 zegde het Grondwettelijk Hof voor recht dat artikel 42, § 3 van de wet van 27 april 2007 de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt geïnterpreteerd in die zin dat, wanneer de echtscheiding is uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, de daarin vermelde vroe¬gere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel voor de toekenning van het recht op een uitkering tot levensonderhoud als voor de wijze van vaststelling daarvan. In die interpretatie bestaat er geen discrimine¬rend verschil in behandeling vermits de situatie der echtgenoten uitsluitend wordt geregeld door de vroegere artikelen van het Burgerlijk Wetboek.

2.4. Uit de voormelde in hun onderlinge samenhang gelezen be¬palingen en gelet op de vernietiging van artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 volgt dat het recht op een uitkering na echtscheiding verworven blijft overeenkomstig de vroegere wettelijke voorwaarden, bepaald bij artikel 301 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007, indien de echtscheiding op grond van fout werd uit¬gesproken bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest vóór 1 september 2007.

In dat geval blijft het oude artikel 301 Burgerlijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007, van toepassing om de aanspraak, de omvang en de modaliteiten van de onderhoudsuitkering na echtscheiding te bepalen. Dit houdt in dat de duur van die uitkering kan wor¬den beperkt onder de voorwaarden van artikel 301, § 3, Burgerlijk Wet¬boek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007, en dat die uitkering derhalve niet van rechtswege vervalt na een duur, gelijk aan de periode dat het ontbonden huwelijk heeft geduurd, zoals voorzien in het nieuwe artikel 301, § 4, Burgerlijk Wetboek.

2.5. Artikel 301, § 3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, in zijn versie vóór de wijziging bij de wet van 27 april 2007, bepaalt dat de rechtbank de uitkering kan verminderen of opheffen indien de toestand van de uitke¬ringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is.

De rechter kan die uitkering, bij toepassing van artikel 301, § 3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, in zijn versie vóór de wijziging bij de wet van 27 april 2007, in de tijd beperken wanneer de uitkeringsgerechtigde echtgenoot, gelet op zijn inkomsten en mogelijkheden, na verloop van een be¬paalde tijd in staat zal zijn zelf in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaar¬dige wijze als tijdens het samenleven.

3. Het bestreden vonnis stelt vast dat aan het huwelijk van partijen een einde werd gemaakt bij vonnis van 2 december 1986, overgeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand te Grimbergen (1) en dat de uitkering na echtscheiding bij vonnis van het vredegerecht Vilvoorde van 8 maart 1990 werd bepaald op 8.403 frank of ‘456,20 euro' per maand, geïndexeerd (2) terwijl tussen partijen geen betwisting bestond dat dit onderhoudsgeld werd toege¬kend bij toepassing van het artikel 301 Burgerlijk Wetboek (3).

Bij het bestreden vonnis werd verweerder veroordeeld om aan eise¬res, vanaf de datum van het gedinginleidend verzoekschrift, een onder¬houdsuitkering na echtscheiding te betalen van 375,00 euro per maand.

Het aldus vastgestelde onderhoudsgeld kon bijgevolg enkel in de tijd worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 301, § 3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 27 april 2007, nu de echtscheiding op grond van fout tussen partijen werd uit¬gesproken bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis vóór 1 september 2007.

Door voor recht te zeggen dat de verschuldigdheid van deze onder¬houdsuitkering van rechtswege zal eindigen door het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, zoals voorzien in het nieuwe artikel 301, § 4, Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, schenden de appelrechters het artikel 42, § 3 van de wet van 27 april 2007 lui¬dens hetwelk het in artikel 301 Burgerlijk Wetboek (oud) bepaalde recht op een uitkering verworven blijft krachtens de vroegere wettelijke voor¬waarden indien de echtscheiding, zoals in casu, werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 en schenden zij tevens de arti¬kelen 2 Burgerlijk Wetboek, 44 van de wet van 27 april 2007 en 301, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 27 april 2007, door laatstgenoemd artikel met terugwerkende kracht toe te passen op een onderhoudsuitkering verschuldigd na een echtscheiding uitge¬sproken en in kracht van gewijsde getreden vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007.

Door, onder voorbehoud van toepassing van het vroegere artikel 301, § 3, Burgerlijk Wetboek, de regeling van een in de tijd onbeperkte uitkering te vervangen door een uitkering die van rechtswege eindigt na een duur, gelijk aan die van het huwelijk, doen de appelrechters bovendien op dis¬criminerende wijze afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van eiseres wiens situatie onder de vroegere wet was vastgesteld en enkel onder de bij die wet vastgestelde voorwaarden kon worden gewijzigd, en schenden zij de arti¬kelen 10 en 11 Grondwet.

Door de verschuldigdheid van de litigieuze onderhoudsuitkering ‘van rechtswege' te beëindigen na het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, zonder vast te stellen of na te gaan dat eiseres, gelet op haar inkomsten en mogelijkheden, na verloop van die termijn in staat zal zijn in haar bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenle¬ven, schenden de appelrechters tevens artikel 301, § 3, Burgerlijk Wet¬boek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 april 2007.

Door bij toepassing van artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 te zeggen voor recht dat de verschuldigdheid van de toegekende onderhouds¬uitkering van rechtswege zal eindigen door het verstrijken van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk en door aldus artikel 301, § 4, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, toe te passen op de uit¬keringen tot levensonderhoud vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wanneer voormeld artikel 42, § 5 bij ar¬rest nr. 172/2008 van 3 december 2008 door het Grondwettelijk hof werd vernietigd, miskennen de appelrechters tevens het absoluut gezag van gewijsde van dit arrest, nu dit vóór de uitspraak van het bestreden vonnis werd bekend¬gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2008, en schenden zij artikel 9, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Artikel 301, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de duur van de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding niet langer mag zijn dan die van het huwelijk.

Artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding (verder: Wet 27 april 2007), in werking getreden op 1 september 2007, bepaalt dat indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde wetboek, het in artikel 301 van hetzelfde wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

2. Artikel 42, § 5, Wet 27 april 2007 voorzag echter in een uitzondering op de voormelde regel. Het bepaalde immers:

"Artikel 301, § 4 van hetzelfde wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toe¬passing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4 bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan over¬schrijden."

Bij arrest nummer 172/2008 van 3 december 2008 (BS 24 december 2008) heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 42, § 5, vernietigd.

3. Ingevolge de vernietiging van dit artikel 42, § 5, blijft het recht op een uitkering tot levensonderhoud, verschuldigd ingevolge een echtscheiding uitgesproken vóór 1 september 2007 overeenkomstig de artikelen 229, 231 en 232 Burgerlijk Wetboek, verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 december 1986 de echtscheiding van de partijen heeft uitgesproken;

- het vonnis van de vrederechter van het kanton Vilvoorde van 8 maart 1990 de uitkering na echtscheiding heeft bepaald;

- het beroepen vonnis die uitkering heeft verminderd.

De appelrechters beperken van rechtswege de uitkering tot een periode gelijk aan de duur van het huwelijk, niettegenstaande het huwelijk werd ontbonden vóór 1 september 2007.

Aldus verantwoorden ze hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang van de cassatie

5. De cassatie strekt zich ook uit tot de beslissing over de omvang van de uitkering. Die beslissing is er immers nauw mee verbonden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en op de openbare rechtszitting van 4 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Levensonderhoud

  • Echtscheiding uitgesproken voor 1 september 2007

  • Artikel 42, § 5, wet 27 april 2007

  • Vernietiging door het Grondwettelijk Hof

  • Toepasselijke wettelijke voorwaarden