- Arrest van 7 februari 2011

07/02/2011 - S.10.0056.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
1° Artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten (1). (1) Zie de andersluidende concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0056.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

WADICO nv, met zetel te 2170 Antwerpen (Merksem), Van Stralenlei 76,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni 2009.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift tot cassatie een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, § 1, eerste lid, 14, § 1, 22 en 22ter van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 22ter na zijn wijziging door de Programmawet van 27 december 2004;

- de artikelen 157, 158 en 159 Programmawet van 22 december 1989;

- de artikelen 1350 en 1352 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond, bevestigt het vonnis van de eerste rechter en verwijst de zaak met toepassing van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek voor verdere behandeling naar de eerste rechter.

Het bestreden arrest oordeelt dat het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet, ook na 1 januari 2005, een weerlegbaar vermoeden blijft, op grond van de navolgende motieven:

"Er is dan ook sprake van ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters van E.H., zodat het vermoeden geldt dat hij arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer (tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet - laatste versie).

(De eiser) houdt vol dat dit vermoeden, na de wetswijziging in de programmawet van 27 december 2004 met ingang vanaf 1 januari 2005, een onweerlegbaar vermoeden is geworden (iuris et de iure).

Verwijzend naar artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, stemt (de eiser) er nochtans mee in dat het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet nog steeds een weerlegbaar vermoeden blijft.

Volgens (de eiser) bestaat er echter een derde categorie van vermoedens, de zogenaamde ‘gemengde' vermoedens. Bij deze vermoedens is het tegenbewijs toegelaten, maar het tegenbewijs kan enkel worden geleverd op de wijze, die de wet bepaalt.

Toegepast op het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet zou dit betekenen dat er geen sprake is van onweerlegbaar vermoeden in de gevallen waarin de inspectie de materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten heeft vastgesteld.

De aanhef van het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet: ‘Behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten' bepaalt geen ‘wijze' waarop het tegenbewijs van het verderop geformuleerde vermoeden kan worden weerlegd, maar maakt een onderscheid tussen twee soorten ‘gevallen'.

Meer bepaald zijn er de gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten en de gevallen van materiële mogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten. Het is voor de laatste categorie dat het vermoeden geldt, niet voor de eerste categorie. Maar daarmee is niets gezegd over de aard van het vermoeden zelf.

Ook al is de memorie van toelichting bij de programmawet van 27 december 2004 duidelijk: ‘Het weerlegbaar vermoeden wordt daarom vervangen door een onweerlegbaar vermoeden' (Parlementaire Stukken Kamer 2003-2004, 23), toch bepaalt de tekst zelf van het artikel 22ter RSZ-wet, ook na 1 januari 2005, niet dat het (tweede) vermoeden een onweerlegbaar vermoeden is.

De RSZ-wet is van openbare orde en ze moet bijgevolg strikt worden geïnterpreteerd.

Zo kan de memorie van toelichting een nuttige leidraad zijn bij de interpretatie van een wetsartikel, maar ze kan aan die wettelijke bepaling geen draagwijdte geven die tegen de bewoordingen van de wet zelf indruist.

Er moet worden van uitgegaan dat een in de wettekst niet nader toegelicht wettelijk vermoeden steeds een weerlegbaar vermoeden is.

Bijgevolg blijft het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet, ook na 1 januari 2005, een weerlegbaar vermoeden. De eerste rechters kwamen op goede gronden tot hetzelfde besluit.

Om het vermoeden te weerleggen, volstaat het te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid (...).

Het bewijs moet worden aangebracht door de werkgever, in casu (de verweerster).

Daarbij is niet vereist dat de werkgever het bewijs levert dat de betrokken werknemers zich in de materiële onmogelijkheid bevonden om voltijdse prestaties te leveren.

Evenmin moet het bewijs van de effectief geleverde prestaties worden geleverd. Het volstaat dat de werkgever bewijst dat de betrokken werknemers deeltijds werkten.

De eerste rechters waren terecht van oordeel dat in de huidige stand van zaken er nog geen voldoende bewijs door de (verweerster) was voorgelegd om het vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet als weerlegd te beschouwen.

Terecht lieten zij het getuigenverhoor toe."

Grieven

1. Artikel 22ter RSZ-wet van 27 juni 1969, ingevoegd bij artikel 181 van de Programmawet van 22 december 1989, en gewijzigd bij KB van 10 juni 2001, bepaalt: "Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid".

Artikel 22ter RSZ-wet werd vervangen door de Programmawet van 27 december 2004, en luidt, met ingang van 1 januari 2005, als volgt:

"Behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, worden bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, de deeltijdse werknemers vermoed hun normale werkelijke arbeid te hebben uitgevoerd volgens de normale werkroosters van de betrokken werknemers die openbaar werden gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet.

Behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, worden bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer".

2. De artikelen 157 tot 169 Programmawet van 22 december 1989 leggen aan de werkgevers verplichtingen op met betrekking tot de bekendmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers en met betrekking tot de vaststelling van de afwijkingen op de normale werkroosters. Deze voorschriften strekken ertoe een efficiënte controle mogelijk te maken op de werkelijk verrichte prestaties, met het oog op de voorkoming en de bestrijding van zwartwerk.

Zo schrijft artikel 157 Programmawet van 22 december 1989 voor dat een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een schriftelijk uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, te weten de werkplaats waar de werknemers zijn tewerkgesteld.

De vermoedens neergelegd in artikel 22ter RSZ-wet sanctioneren de niet-naleving van deze voorschriften en zijn specifiek ten gunste van de eiser ingesteld, ten behoeve van de inning en invordering van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen.

3. Het (tweede) vermoeden bedoeld in artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, luidens hetwelk de deeltijdse werknemers vermoed worden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, krijgt geen uitwerking wanneer door de sociale inspectiediensten wordt vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

Wanneer de sociale inspectiediensten deze materiële onmogelijkheid niet hebben vastgesteld, krijgt het vermoeden van artikel 22ter, tweede lid, daarentegen zijn volle uitwerking en worden de deeltijdse werknemers, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters, onweerlegbaar vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer, dus zonder dat de werkgever het tegenbewijs kan leveren.

4. Deze lezing van artikel 22ter, tweede lid, vindt steun in de parlementaire werkzaamheden waaruit duidelijk blijkt dat de wetgever een onweerlegbaar vermoeden heeft willen invoeren.

Zo wordt bijvoorbeeld in de Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 27 december 2004 letterlijk gesteld dat:

"Dit artikel vervangt het huidige artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders door een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse arbeid van deeltijdse arbeiders voor wie de formaliteiten betreffende de sociale documenten niet werden nageleefd" (Parl.St., Kamer, 2004-05, nrs.1437/001, 24, zie ook Parl.St., Kamer, Doc. 51, 1437/025, p.15; Senaat, 2004-05, nr.3-966/3).

De invoering van een onweerlegbaar vermoeden dat arbeid werd verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, spoort volledig met de wil van de wetgever om van artikel 22ter, tweede lid, een efficiënt instrument te maken in de strijd tegen zwartwerk.

5. Ook bij een vergelijking van de oude met de nieuwe versie van artikel 22ter RSZ-wet, komt naar voren dat het bedoelde tweede vermoeden - zoals ook het eerste - voortaan onweerlegbaar is.

De aanhef in de nieuwe versie van artikel 22ter, tweede lid: "behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten", komt immers precies in de plaats van de zinsnede die maakte dat het tweede vermoeden van artikel 22ter, in de versie geldig tot 31 december 2004, weerlegbaar was: "behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht".

Nu in de nieuwe versie van artikel 22ter, tweede lid, niet wordt hernomen dat het vermoeden geldt: "behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht", kan vanaf 1 januari 2005 derhalve niet langer sprake zijn van een weerlegbaar vermoeden.

6. Het vermoeden van artikel 22ter, tweede lid, zou ook in die zin kunnen worden gelezen dat het een zogenaamd gemengd vermoeden bevat, waarvan het tegenbewijs enkel is toegelaten op de wijze bepaald in de wet, te dezen met de vaststelling door de sociale inspectiediensten dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

Bij ontstentenis van de vaststelling van deze materiële onmogelijkheid, is het tegenbewijs daarentegen niet toegelaten zodat het vermoeden van artikel 22ter, tweede lid, in dat geval slechts kan gelden als een onweerlegbaar vermoeden.

Het werd door de appelrechters, noch door de partijen betwist dat in onderhavige zaak niet door de sociale inspectiediensten was vastgesteld dat het materieel onmogelijk was om voltijdse arbeid te verrichten.

7. Anders dan de appelrechters voorhouden, druist de Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 27 december 2004, in zoverre daarin sprake was van een onweerlegbaar vermoeden, derhalve niet in tegen de bewoordingen van de wet, die immers ruimte laat om artikel 22ter, tweede lid, in die zin te interpreteren dat de deeltijdse werknemers, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters, onweerlegbaar worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer, behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten.

8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat het tweede vermoeden van artikel 22ter RSZ-wet, ook na 1 januari 2005 een weerlegbaar vermoeden is gebleven, dienvolgens niet wettig het tegenbewijs van dit vermoeden heeft toegelaten en de zaak te dien einde terug heeft verwezen naar de eerste rechter die, alvorens ten gronde te oordelen, een getuigenbewijs had toegestaan (schending van artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1, 22 en 22ter RSZ-wet, 157, 158 en 159 Programmawet van 22 december 1989, 1350 en 1352 Burgerlijk Wetboek, 1068 Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1352, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ontslaat het wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs.

Krachtens artikel 1352, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten.

2. Krachtens artikel 22ter, tweede lid, RSZ-wet, zoals vervangen bij artikel 8 van de Programmawet van 27 december 2004, worden behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijds werknemer.

3. Die bepaling die de aard van het vermoeden niet kwalificeert, kan alleen zo worden gelezen dat het ingevoerde vermoeden dat door de deeltijdse werknemers voltijds arbeid werd verricht, wanneer geen normale werkroosters werden bekendgemaakt, niet geldt wanneer door de sociale inspectiediensten is vastgesteld dat het materieel onmogelijk is om voltijdse arbeid te verrichten.

4. Hieruit volgt dat, waar voormeld artikel 22ter, tweede lid, niet vermeldt dat het vermoeden onweerlegbaar is en de wet op grond van dit vermoeden geen bepaalde handeling nietig verklaart of een rechtsvordering ontzegt, dit wettelijk vermoeden als weerlegbaar moet worden beschouwd, ongeacht de bewoordingen van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, die aan deze wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die met de wettekst zelf niet overeenstemt.

Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 106,37 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Deeltijdse arbeid

  • Artikel 22ter, tweede lid RSZ-wet

  • Vermoeden van voltijdse arbeid

  • Toepassing