- Arrest van 8 februari 2011

08/02/2011 - P.11.0244.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De pleegvormen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering bij het verhoor van de verdachte, de vrijheidsbeneming die in geen geval langer mag duren dan vierentwintig uur, zoals bepaald door artikel 12, derde lid, Grondwet, de onmiddellijke overhandiging bij de betekening van het bevel tot aanhouding van alle stukken bedoeld in de artikelen 16, §7 en 18, §2, Voorlopige Hechteniswet, het recht van de verdachte van vrij verkeer met zijn raadsman overeenkomstig artikel 20, §1 en §5, Voorlopige Hechteniswet, de terbeschikkingstelling van het dossier met het oog op de verschijning voor het onderzoeksgerecht overeenkomstig artikel 21, §3, Voorlopige Hechteniswet, de aanwezigheid van de raadsman van de verdachte bij de samenvattende ondervraging bepaald in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook de rechten die aan de verdachte zijn toegekend bij de artikelen 61ter, 6lquater, 6lquinquies, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering bevatten een geheel van waarborgen die aan de inverdenkinggestelde een eerlijke procesvoering moeten verzekeren (1). (1) Cass., 22 juni 2010, AR P.10.0872.N, A.C., 2010, nr. 445.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0244.N

M S A,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: eisers verzoek tot een samenvattend verhoor door de onderzoeksrechter in aanwezigheid van zijn advocaat is niet ingewilligd, hoewel hem bij zijn initiële zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen op dit recht is gewezen.

2. In zoverre het middel de beslissing van de onderzoeksrechter bekritiseert om niet in te gaan op eisers verzoek tot een samenvattend verhoor in aanwezigheid van zijn raadsman, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

3. Het verzuim van de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde op te roepen voor het door artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde samenvattende verhoor leidt op zich niet tot de nietigheid van de rechtspleging.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

4. Artikel 6 EVRM, zoals thans uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplicht de onderzoeksgerechten niet om de opheffing te bevelen van een bevel tot aanhouding om de enkele reden dat de inverdenkinggestelde voorafgaand aan dit bevel en ook daarna werd verhoord zonder de bijstand van een advocaat of nog geen gevolg werd gegeven aan zijn verzoek om een samenvattend verhoor in aanwezigheid van zijn raadsman.

Deze verdragsbepaling ontneemt de onderzoeksgerechten die uitspraak moeten doen over de eventuele handhaving van de voorlopige hechtenis, niet de rechtsmacht te onderzoeken of de aangevoerde schending van aard is het voeren van een eerlijk proces te verhinderen.

De wet bevat een geheel van waarborgen die aan de inverdenkinggestelde een eerlijke procesvoering moeten verzekeren, zoals daar zijn: de pleegvormen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering bij het verhoor, de vrijheidsbeneming die in geen geval langer mag zijn dan vierentwintig uur, zoals bepaald in artikel 12, derde lid, Grondwet, de onmiddellijke overhandiging bij de betekening van het bevel tot aanhouding van alle stukken bedoeld in de artikelen 16, § 7, en 18, § 2, Voorlopige Hechteniswet, het recht van de inverdenkinggestelde van vrij verkeer met zijn raadsman overeenkomstig artikel 20, §§ 1 en 5, Voorlopige Hechteniswet, de terbeschikkingstelling van het dossier met het oog op verschijning voor het onderzoeksgerecht overeenkomstig artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet, de aanwezigheid van de raadsman van de inverdenkinggestelde bij de samenvattende ondervraging bepaald in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook de rechten die aan de inverdenkinggestelde zijn toegekend bij de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering.

5. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- de inverdenkinggestelde zowel bij de politiediensten als bij de onderzoeksrechter uitdrukkelijk kennis kreeg van zijn zwijgrecht naast de mededeling dat zijn verklaring als bewijs in rechte zou kunnen worden gebruikt;

- bij het verhoor door de onderzoeksrechter en bij alle latere verhoren alle waarborgen werden ingebouwd opdat de inverdenkinggestelde al zijn middelen en bezwaren en eventuele bijkomende onderzoeksmaatregelen zou kunnen kenbaar maken;

- de inverdenkinggestelde nooit heeft beweerd op een of andere manier onder druk te zijn gezet bij het afleggen van verklaringen;

- de inverdenkinggestelde de telastleggingen heeft betwist;

- het gebrek aan bijstand van de advocaat vanaf het eerste verhoor geen afbreuk doet aan het toen reeds regelmatig verkregen bezwarend feitenmateriaal en de verklaringen van mede-inverdenkinggestelden of andere vormen van bewijsverkrijging of van bewijselementen verworven in het erop volgend onderzoek;

- de inverdenkinggestelde na het verhoor door de onderzoeksrechter met zijn raadsman heeft kunnen overleggen en hij verder in het onderzoek alle kansen heeft gekregen om zijn verweer met zijn raadsman te bespreken;

- niet blijkt dat de onderzoeksrechter definitief het verzoek tot een samenvattende ondervraging heeft afgewezen.

De beslissing dat het aangevoerde verzuim eisers recht van verdediging niet heeft miskend, is aldus naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 8 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Paul Kenis, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verhoor

  • Geen bijstand van een advocaat

  • Waarborgen voor de verdachte tijdens het onderzoek en in het kader van de voorhechtenis