- Arrest van 9 februari 2011

09/02/2011 - P.11.0242.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de betekening van het bevel tot aanhouding binnen vierentwintig uren na de vrijheidsberoving geschiedt en de vermeldingen bevat die in artikel 16, §5, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis zijn bepaald, voldoet zij aan de verplichting om de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, in een eenvoudige en toegankelijke taal, kennis te geven van de redenen in feite en in rechte waarop zijn arrestatie is gegrond, om hem de mogelijkheid te bieden de wettigheid ervan te betwisten voor een rechtbank die zijn invrijheidstelling zal bevelen indien de detentie onrechtmatig is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0242.F

B. K.,

zonder gekende woon- of verblijfplaats in België,

inverdenkinggestelde, gedetineerd,

eiser,

mr. Hamid El Abouti, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het eerste middel in zijn geheel

De drie onderdelen van het middel verwijten het arrest het artikel 5.2 EVRM te schenden op grond dat de daarin bepaalde informatie niet onverwijld aan de eiser werd verstrekt en dat verschillende processen-verbaal van de politie in het Nederlands werden opgesteld, een taal die hij niet begrijpt.

Volgens die verdragsbepaling moet aan de persoon die van zijn vrijheid is beroofd, in een eenvoudige en toegankelijke taal, kennis worden gegeven van de redenen in feite en in rechte waarop zijn arrestatie is gegrond, om hem de mogelijkheid te bieden de wettigheid ervan te betwisten voor een rechtbank die, overeenkomstig de vierde paragraaf van artikel 5, zijn invrijheidstelling zal bevelen indien de gevangenhouding onrechtmatig is.

De betekening van het bevel tot aanhouding voldoet aan die verplichting wanneer zij binnen de vierentwintig uur na de vrijheidsberoving geschiedt en dit bevel de vermeldingen bevat die in artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet zijn bepaald.

De appelrechters stellen vast dat de eiser, na zijn weigering om door de politie te worden verhoord, binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding door de onderzoeksrechter over de redenen van zijn aanhouding werd ingelicht.

Voor de onderzoeksmagistraat is de rechtspleging in het Frans verlopen, een taal die de eiser begrijpt.

Het arrest verantwoordt aldus naar recht de beslissing dat artikel 5.2 niet was geschonden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arrestatie

  • Verplichting om op de hoogte te worden gebracht van de redenen van de arrestatie

  • Bevel tot aanhouding

  • Betekening