- Arrest van 9 februari 2011

09/02/2011 - P.10.1616.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het oud artikel 77bis, §1bis, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vereist niet dat de vreemdeling wordt uitgebuit in het kader van mensensmokkel of dat zijn toestemming in het huurcontract met bedrog of geweld is verkregen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1616.F

I. M. M.,

mr. Alain Bartholomeeusen, advocaat bij de balie te Brussel,

II. NIVADMIN, nv,

mr. Bruno Van der Smissen, advocaat bij de balie te Brussel,

III. RUMAN, nv,

mr. Etienne Vauthier, advocaat bij de balie te Brussel,

beklaagden,

eisers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 september 2010.

De eiser M. M. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De naamloze vennootschappen Nivadmin en Ruman voeren elk drie middelen aan in een memorie.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van M. M.

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het onderdeel verwijt het arrest dat het, eensdeels, het oud artikel 77bis Vreemdelingenwet, die te dezen toepasselijk is, en, anderdeels, artikel 149 Grondwet schendt, door niet te verantwoorden waarom de vreemdelingen die de litigieuze panden huren geen andere echte en aanvaardbare keuze hadden dan zich door de verhuurders te laten misbruiken.

In strijd met wat het middel aanvoert, vereist de voormelde wetsbepaling niet dat de vreemdeling wordt uitgebuit in het kader van mensensmokkel of dat zijn toestemming met het huurcontract met bedrog of geweld is verkregen.

Voor het overige leidt het arrest het misbruik niet alleen af uit de verkrotting van de panden. De appelrechters hebben immers op grond van een feitelijke beoordeling die het Hof niet vermag na te gaan, vastgesteld dat de precaire administratieve toestand van de vreemdelingen hen niet in staat heeft gesteld elders onderdak te vinden dan in de door de eiser aangeboden mensonwaardige omgeving. Zij hebben daaruit kunnen afleiden dat de slachtoffers geen andere echte keuze hadden dan zich te laten misbruiken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de slechte staat van de huisvesting te wijten was aan het feit dat de huurders hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen. Het middel verwijt het arrest dat het niet aangeeft waarom aan de eiser, in zijn hoedanigheid van eigenaar, die slechte staat kan worden verweten.

Het arrest verwerpt het voormelde verweer op grond dat de staat van verkrotting en onbewoonbaarheid van de kamers en appartementen de verhuur ervan uitsloot.

Die overweging antwoordt op de conclusie van de eiser en is niet aangetast door de door het middel aangevoerde onduidelijkheid tussen de verplichtingen van de verhuurder en die van de huurders.

Voor het overige kan geen schending van artikel 149 Grondwet of van het oud artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet worden afgeleid uit het feit dat de appelrechters, om tot de onbewoonbaarheid van de woningen te besluiten, zich hebben gebaseerd op het geheel van verscheidene gegevens uit de processen-verbaal, de fotoreportages en de verslagen van de gemeentediensten en van de landmeter-expert in onroerende zaken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Het arrest beslist dat de huurders van de eiser, vluchtelingen of kandidaat-politieke vluchtelingen die uitbetaald worden door een instelling voor maatschappelijk werk, zich in de kwetsbare positie bevonden die de wetgever heeft willen beschermen.

Die beslissing schendt de toegepaste wetsbepaling niet. Bovendien dienden de appelrechters niet te verduidelijken waarom de aangevoerde administratieve toestand het precaire karakter vertoont dat in de wet wordt bedoeld.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Het middel verwijt het arrest dat het beslist dat de eiser een abnormaal voordeel had gerealiseerd, zonder dat het arrest het abnormale karakter van de ontvangen huurgelden vaststelt.

De bodemrechter beoordeelt in feite het abnormale karakter van het voordeel, als bedoeld in artikel 77bis Vreemdelingenwet.

In zoverre het onderdeel kritiek uitoefent op die beoordeling, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige kan het abnormaal voordeel blijken uit het feit dat huurgeld wordt gevraagd voor woningen die verhuurd worden in omstandigheden die onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid.

Het arrest beslist dat de litigieuze woningen nooit hadden mogen verhuurd worden en leidt daaruit af dat, ongeacht het bedrag van de huurgelden, het voordeel dat uit de verhuur ervan wordt gehaald als abnormaal diende te worden beschouwd.

De appelrechters omkleden hun beslissing aldus regelmatig met redenen en verantwoorden ze naar recht.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Tweede middel

Artikel 42, 3°, Strafwetboek voorziet in de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen. Krachtens artikel 43bis, tweede lid, van hetzelfde wetboek, raamt de rechter de geldwaarde ervan indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

In tegenstelling tot artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, dat toepasselijk is op het voorwerp van het witwassen, wat hier niet aan de orde is, voorziet het oud artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet niet in de terugvordering van de verbeurdverklaring van hetzelfde bedrag ten aanzien van ieder van de daders, mededaders of medeplichtigen.

Als vermogensvoordelen die uit de telastlegging II zijn verkregen zoals zij tegen M. M. en de naamloze vennootschap Ruman waarvan hij de bestuurder was, bewezen werd verklaard, raamt het arrest het bedrag van de huurgelden die werden ontvangen voor het pand in de rue de Namur, 169 te Nijvel, op 25.830,61 euro.

Als vermogensvoordelen die uit de telastlegging III zijn verkregen zoals zij tegen M. M. en de naamloze vennootschap Nivadmin waarvan hij de afgevaardigde bestuurder was, bewezen was verklaard, raamt het arrest het bedrag van de ontvangen huurgelden die werden ontvangen voor de panden in de rue de Namur, 184 en 186, op 122.422,46 euro.

Het eerste bedrag wordt zowel ten laste van de eiser als ten laste van de naamloze vennootschap Ruman verbeurdverklaard.

Het tweede bedrag wordt zowel ten laste van de eiser als ten laste van de naamloze vennootschap Nivadmin verbeurdverklaard.

De appelrechters hebben dus, wat de voormelde panden betreft, niet het equivalent maar het dubbele van de vermogensvoordelen verbeurdverklaard die uit het illegaal verhuren verkregen zijn.

Die beslissing schendt de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is, behoudens de hierna vernietigde onwettigheid, overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Nivadmin

Wanneer de bodemrechter een lasthebber ad hoc heeft aangesteld om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, is die lasthebber als enige bevoegd om in naam van de voormelde rechtspersoon de rechtsmiddelen in te stellen, met inbegrip van een cassatieberoep, tegen de beslissingen op de tegen haar ingestelde strafvordering.

De eiseres werd samen met de eiser M. M., haar afgevaardigd bestuurder, vervolgd en veroordeeld. Bij arrest van 3 mei 2010 heeft het hof van beroep te Brussel ambtshalve Meester Bruno Putzeys, advocaat bij de balie te Brussel, aangesteld als lasthebber ad hoc om haar in het kader van die rechtspleging met betrekking tot de strafvordering te vertegenwoordigen.

Het derde middel van de eiser strekt ertoe het cassatieberoep ontvankelijk te verklaren. Vermits het kritiek uitoefent op de aanwijzing van de lasthebber ad hoc, heeft het evenwel geen betrekking op de bestreden beslissing.

Het cassatieberoep dat is ingesteld door Meester Bruno Van der Smissen, advocaat bij de balie te Brussel, die optreedt in naam van de eiseres en niet van de lasthebber ad hoc, is niet ontvankelijk.

Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken die door de eiseres worden aangevoerd, aangezien ze geen verband hebben met de ontvankelijkheid van haar cassatieberoep.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, oordelend over de schriftelijke vorderingen van het openbaar ministerie, ten laste van de eiser de verbeurdverklaring bij equivalent beveelt van de bedragen van 25.830,51 en 122.422,46 euro.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in drie vierde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiseressen in de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Mensenhandel

  • Huisjesmelker

  • Bestanddelen van het misdrijf