- Arrest van 9 februari 2011

09/02/2011 - P.10.1784.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 6 Verdrag Rechten van de Mens bepaalt niet dat, in de fase van het vooronderzoek of van het gerechtelijk onderzoek, het psychologisch deskundigenonderzoek van een minderjarige die door een politiedienst wordt ondervraagd, op tegenspraak moet plaatsvinden; het tegensprekelijke karakter van een rechtspleging wordt in acht genomen wanneer alle partijen de mogelijkheid krijgen om de gegevens te doen kennen die noodzakelijk zijn voor hun verdediging en om kennis te nemen van elk stuk of elke opmerking die de rechter wordt voorgelegd, en deze te betwisten (1). (1) Zie Cass., 19 feb. 2003, AR P.02.1400.F, A.C., 2003, nr. 118, J.T., 2003, p. 464, en R.D.P.C., 2004, met noot A. Fettweis.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1784.F

A. A.,

beklaagde, gedetineerd,

eiser,

mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

Georges RIGO,

optredend als voogd ad hoc van D. en M. F. M.,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 21 oktober 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Middel

Het middel voert schending aan van de artikelen 6 EVRM en 11 Gerechtelijk Wetboek. Het voert eveneens miskenning aan van het recht van verdediging. De eiser voert aan dat de appelrechters hun overtuiging met name niet konden gronden op tijdens het vooronderzoek eenzijdig verrichte deskundigenonderzoeken waaruit de geloofwaardigheid van de verklaringen van de slachtoffers werd afgeleid.

Artikel 6 EVRM bepaalt niet dat in de fase van het vooronderzoek of van het gerechtelijk onderzoek, het psychologisch deskundigenonderzoek van een minderjarige die door een politiedienst wordt ondervraagd, op tegenspraak moet plaatsvinden. Het tegensprekelijke karakter van een rechtspleging wordt in acht genomen wanneer alle partijen de mogelijkheid krijgen om de gegevens te doen kennen noodzakelijk voor hun verdediging en om kennis te nemen van elk stuk of van elke opmerking die aan de rechter wordt voorgelegd en die te betwisten.

Het arrest vermeldt, enerzijds, dat de deskundigenonderzoeken voor de beide meisjes werden gevorderd op een tijdstip waarop de eiser nog niet in verdenking was gesteld en zelfs niet was verhoord in het kader van deze rechtspleging, en dat het in die fase van het onderzoek gewettigd is dat de rechtspleging inquisitoir verloopt teneinde rekening te houden met het vermoeden van onschuld en de efficiëntie van het onderzoek te waarborgen.

De appelrechters hebben, anderzijds, hun overtuiging niet alleen gegrond op de verklaringen van beide slachtoffers en op het deskundigenonderzoek omtrent de geloofwaardigheid ervan. Zij hebben erop gewezen dat verschillende, door de slachtoffers vermelde materiële gegevens door het onderzoek zijn bevestigd, zoals de ontdekking van een informaticadrager met films die met de camera van de eiser zijn gedraaid en die hen tonen bij het uitkleden, het daadwerkelijk bestaan van een door één van hen beschreven seksvoorwerp en het gat dat in de muur van de kamer van één meisje is gemaakt om de slachtoffers te bespioneren. Zij hebben eveneens verwezen naar de verklaringen van verschillende getuigen die de aantijgingen van misbruik bevestigen. Zij hebben ten slotte geoordeeld dat de gegevens van het dossier geenszins, in strijd met wat de eiser beweerde, een escalatie aantoonden van de door de slachtoffers geuite beschuldigingen.

Voor het overige blijkt uit het arrest dat de deskundigenopdrachten, zoals hierboven vermeld, gediend hebben om de rechter voor te lichten over feitelijke gegevens om uitspraak te kunnen doen over de strafvordering, zonder dat die samenvallen met vragen waarover hij uitspraak moet doen.

Daaruit volgt dat de appelrechters, door de voormelde uiteenzetting, geen van de aangevoerde bepalingen schenden en evenmin het recht van verdediging miskennen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • In de fase van het vooronderzoek of van het gerechtelijk onderzoek bevolen deskundigenonderzoek

  • Psychologisch deskundigenonderzoek van een minderjarige

  • Niet op tegenspraak uitgevoerd deskundigenonderzoek

  • Wettigheid