- Arrest van 10 februari 2011

10/02/2011 - C.09.0406.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat beslist een partij te veroordelen tot betaling van weddes en weddetoelagen die aan een andere partij die begeleider is in een koninklijk conservatorium, verschuldigd zijn voor haar prestaties in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan in twee muziekacademies en tot teruggave van een geldsom aan laatstgenoemde, verantwoordt zijn beslissing naar recht met de overweging dat de Koning, toen hij de koninklijke besluiten van 9 november 1978 en 25 juni 19763 uitvaardigde, geen begripsomschrijving heeft gegeven van het ambt met volledige prestaties die vereist zijn voor de uitwerking van artikel 77, §1, van de wet van 24 december 1976 en dat voornoemd begrip niet verward mag worden met dat van volledig uurrooster in de zin van de voornoemde koninklijke besluiten (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0406.F

FRANSE GEMEENSCHAP,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

V. A.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 september 2008, uitspraak doende als gerecht op verwijzing ten gevolge van het arrest van het Hof van 2 september 2005.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, in fine, 2 en 10, § 2, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, de eerste twee artikelen zoals ze zijn gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van hetzelfde personeel en van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;

- artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977;

- artikel 2, hoofdstuk III, van het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de weddeschalen van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en de Minister van Franse Cultuur, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de verweerster ontvankelijk en veroordeelt de eiseres om 670,73 euro, vermeerderd met de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 24 februari 1995 terug te betalen tot de algehele betaling, verklaart de vordering tot betaling van de achterstallige wedde en weddetoelagen voor de prestaties die de verweerster vanaf 1 december 1995 heeft verricht in de muziekacademies van Baudour en van Saint-Ghislain gegrond, beveelt dat de eiseres de berekening van die achterstallen, met de bewijsstukken daarvan, neerlegt op de griffie van het hof (van beroep) en ze aan de verweerster bezorgt, op straffe van een dwangsom, en veroordeelt de verweerster tot betaling van het provisionele bedrag van 10.000 euro, te verrekenen met de achterstallige weddes en weddetoelagen. Het baseert zijn beslissing op de onderstaande redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven:

"(De verweerster) zet in hoofdzaak uiteen dat (de eiseres) zich op geen enkele wettelijke bepaling kon beroepen om de functies die zij in de litigieuze academies uitoefende, als bijkomend aan te merken en de weddes die zij op grond daarvan kon ontvangen te beperken, terwijl die weddes volgens (de eiseres) beperkt moesten worden, zowel door de uitwerking van voornoemd koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 als van artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977.

Artikel 1, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 luidt als volgt: ‘dit besluit is niet van toepassing op het niet-uitsluitend ambt in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 ...'.

Zoals het Hof van Cassatie heeft vastgesteld in zijn arrest van 2 september 2005, dat de vernietiging uitsprak van het in deze zaak gewezen arrest van het hof van beroep te Bergen van 13 november 2003, slaat, luidens artikel 5, vierde lid, van voornoemd koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zoals die bepaling in deze zaak van toepassing was, de uitdrukking ‘niet-uitsluitend ambt' op het ambt dat in één of verschillende scholen of inrichtingen van het kunstonderwijs van de Staat uitgeoefend wordt door de leraar, belast met de artistieke vakken en door de begeleider.

Het is bewezen dat (de verweerster) het ambt van begeleider uitoefende in het conservatorium van Bergen.

De bepalingen van voornoemd koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 rechtvaardigen dus niet dat haar bezoldiging voor haar functies in de litigieuze academies wordt geschrapt. (...)

Het begrotingsdoel van artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976 bestond erin, in geval van cumulatie van ambten door de leraar, de bezoldigingen die de Staat verschuldigd was in de inrichtingen die rechtstreeks van hem afhingen en van de last van de weddetoelagen die hij aan die gesubsidieerde inrichtingen betaalde te beperken.

Zoals uit die bepaling volgt, vereist de toepassing van artikel 77, § 1, dat het begrip ambt met voltijdse prestaties wordt omschreven.

Dat begrip volgde blijkbaar uit een koninklijk besluit van 15 december 1978 dat werd opgeheven en vervangen door een ander van 8 augustus 1984. (...)

Toch oordeelde het Hof van Cassatie nadien, in een arrest van 7 oktober 2004 dat het koninklijk besluit van 8 augustus 1984 als onwettig moest worden beschouwd (...). In een arrest van 10 oktober 2006, nr. 163.325, sloot de Raad van State zich bij die zienswijze aan en voegde eraan toe dat hetzelfde, om dezelfde redenen, gold voor het koninklijk besluit van 15 december 1978.

Het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de weddeschalen in het kunstonderwijs en dat van 25 juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke Muziekconservatoria, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1976 geven geen omschrijving van het begrip ‘ambt met volledige prestaties' in de zin van artikel 77, § 1, van de voornoemde wet van 24 december 1976.

Nadat de Raad van State, in een arrest van 21 april 1993, geoordeeld had dat het koninklijk besluit van 9 november 1978 uitsluitend de weddeschalen per betrekking bepaalde (arrest nr. 46.628), heeft hij later beslist dat ‘le volume des prestations que le requérant pouvait être appelé à assurer en tant que professeur de musique dans un conservatoire royal de musique pendant l'année académique 2000-2001 ne s'élève qu'à douze heures par semaine, se décomposant comme suit:

- les six heures de cours de base que l'intéressé doit dispenser pour pouvoir bénéficier d'un traitement correspondant à l'intégralité de l'échelle barémique selon l'article 2, chapitre III, de l'arrêté royal du 9 novembre 1978 fixant au 1er avril 1972 les échelles de traitement des membres du personnel enseignant des établissements d'enseignement artistique de plein exercice;

- les six heures de cours complémentaires qu'un professeur d'harmonie écrite peut, sauf empêchement motivé, être tenu d'assurer en vertu des articles 13 et 23 de l'arrêté royal du 25 juin 1973 fixant les conditions d'admission des élèves et la durée des cours dans les conservatoires royaux de musique' (arrest van de Raad van State nr. 163.325 van 10 oktober 2006).

Aldus wordt aangenomen dat het koninklijk besluit van 9 november 1978 het basisuurooster vastlegt op zes uur per week voor de muziekleraars in een koninklijk conservatorium en dat volgens artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 juni 1973 voor sommige vakken aan de leraar bijkomende uren kunnen worden opgelegd, namelijk ten hoogste zes uur per week, zodat het volledige uurrooster van die leraars twaalf uur per week bedraagt.

Het is niet bewezen dat voornoemd begrip ‘volledig uurrooster' zou samenvallen met dat van ‘ambt met voltijdse prestaties' die vereist zijn om uitwerking te verlenen aan artikel 77, § 1, van de voornoemde wet van 24 december 1976.

Indien zulks het geval was geweest, zou de Koning immers niet de noodzaak hebben aangevoeld om de koninklijke besluiten van 15 december 1978 en 8 augustus 1984 uit te vaardigen naast dat koninklijk besluit van 9 november 1978.

Bijgevolg is het verantwoord (de eiseres) te veroordelen om aan (de verweerster) de wedde en de weddetoelage te betalen die zij gerechtigd is te ontvangen voor haar prestaties in de muziekacademies van Baudour en van Saint-Ghislain en die haar ten onrechte werden ontzegd, en de heropening van het debat te bevelen omwille van de in de dictum van dit arrest weergegeven redenen. Het is eveneens verantwoord (de eiseres) te bevelen om aan (de verweerster) het bedrag van 670,73 euro terug te betalen dat ten onrechte op haar wedde werd ingehouden, vermeerderd met de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 24 februari 1995".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 77,§ 1, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, luidt als volgt:

"Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die reeds een hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs of prestaties levert in het onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de functies die overeenkomen met deze prestaties.

Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan. (...)".

Om artikel 77 van de wet van 24 december 1976 toe te passen, moest het begrip ambt met volledige prestaties bijgevolg door een koninklijk besluit worden omschreven. Die begripsomschrijving werd gegeven in een koninklijk besluit van 15 december 1978 houdende uitvoering van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, opgeheven en vervangen door het koninklijk besluit van 8 augustus 1984 houdende uitvoering van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977. Het bestreden arrest maakt er geen toepassing van op grond dat die koninklijke besluiten door zowel door het Hof als door de Raad van State onwettig werden verklaard.

Artikel 2, hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de weddeschalen van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en de Minister van Franse Cultuur, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs luidt als volgt:

"Artikel 2. De weddeschaal van elk der ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs, wordt als volg vastgesteld: (...)

Hoofdstuk III. - Bestuurs- en onderwijzend personeel van het hoger kunstonderwijs. (...)

Leraar artistieke vakken (niet-uitsluitend ambt): (...)

1. Onderwijs in de bouwkunst en de plastische kunsten (...)

2. Muziekonderwijs:

6 uren per week:

a) leraar eerste reeks

b) leraar tweede reeks (...)

Begeleider:

- muziekonderwijs (niet-uitsluitend ambt): 12 uren per week".

De artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit van 25 juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke Muziekconservatoria, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1976, leggen het aantal bijkomende uren vast die de leraars compositie, fuga, contrapunt, muziekanalyse, geschreven en praktische harmonie, orkestleiding, instrumenten, kamermuziek, zang, lyrische kunst, voordracht, dramatische kunst, dictie voor zangers, muzieklezen en transpositie, specialisatie notenleer en notenleer voor leerlingen-zangers, in een koninklijk muziekconservatorium moeten kunnen presteren. Het koninklijk besluit van 25 juni 1973 heeft enkel betrekking op leraars binnen een conservatorium, en niet op de begeleiders, terwijl het koninklijk besluit van 9 november 1978 wel op hen betrekking heeft en aldus hun volledig uurrooster vastlegt.

Het bestreden arrest vermeldt dat, op grond van de koninklijke besluiten van 9 november 1978 en 25 juni 1973, het volledig uurrooster van de muziekleraars in een koninklijk conservatorium twaalf uur per week bedraagt.

Het koninklijk besluit van 25 juni 1973 heeft geen betrekking op de muziekbegeleiders, terwijl het koninklijk besluit van 9 november 1978 wel op hen betrekking heeft en aldus hun volledig uurrooster vastlegt.

Het bestreden arrest vermeldt echter dat "het (...) niet bewezen (is) dat voornoemd begrip ‘volledig uurrooster' zou samenvallen met dat van ‘ambt met voltijdse prestaties' die vereist zijn om uitwerking te verlenen aan artikel 77, § 1, van de voornoemde wet van 24 december 1976". Het bestreden arrest stelt aldus dat, wat een volledig uurrooster van muziekleraars of muziekbegeleiders in een koninklijk conservatorium ook inhoudt, het niet bewezen is dat voornoemd begrip samenvalt met dat van een ambt met volledige prestaties. Het bestreden arrest beslist bijgevolg dat de anticumulatieregels van artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976 niet van toepassing waren omdat de omschrijving van het begrip volledige prestaties ontbrak.

Artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976 beperkt de wedde en de weddetoelage voor de bijkomende prestaties die worden geleverd door een persoon die reeds prestaties levert in het onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige prestaties. Met de bewoordingen uitoefening van een "ambt met volledige prestaties" doelt dat artikel 77 op de uitoefening door een persoon, in het ambt dat overeenstemt met de prestaties die hij levert, van volledige prestaties, dus van een volledig uurrooster. Het begrip ambt met volledige prestaties kan niet iets anders betekenen dan het volledig uurrooster dat een persoon kan uitoefenen in het kader van het ambt dat met zijn prestaties overeenstemt. Die twee begrippen verschillen niet van elkaar.

Aangezien het bestreden arrest had aangetoond dat het volledig uurrooster, of het ambt met volledige prestaties, van de muziekleraars, en dus van de muziekbegeleiders, vastgelegd was door de koninklijke besluiten van 9 november 1978 en 25 juni 1973, moest het uitwerking verlenen aan het in het middel aangewezen artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976.

Het bestreden arrest dat stelt dat de koninklijke besluiten van 9 november 1978 en 25 juni 1973 een begripsomschrijving geven van het volledig uurrooster van de muziekleraars, en bijgevolg, wat het koninklijk besluit van 9 november 1978 betreft, van de muziekbegeleiders, maar dat voornoemd begrip volledig uurrooster niet samenvalt met het begrip volledige prestaties, zoals het wordt gebruikt door artikel 77, § 1, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, maakt een verkeerde toepassing van het begrip volledige prestaties zoals het wordt gebruikt in de bewoordingen van dat artikel 77, § 1. Bijgevolg schendt het die bepalingen doordat het weigert ze toe te passen en schendt het bovendien het in het middel aangewezen koninklijk besluit van 9 november 1978 doordat het weigert vast te stellen dat genoemd koninklijk besluit het volledig uurrooster vastlegt en dus ook het ambt met volledige prestaties van een muziekbegeleider in een koninklijk conservatorium in de zin van voornoemd, in het middel aangewezen artikel 77, § 1, waarvan het de objectieve uitvoeringsmaatregel is bedoeld in die wetsbepaling.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 77, § 1, tweede lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 luidt als volgt: "Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan".

Het arrest stelt vast dat twee koninklijke besluiten van 15 december 1978 en van 8 augustus 1984 een begripsomschrijving gaven van het ambt met volledige prestaties in verscheidene functies in het onderwijs, maar dat het eerste opgeheven werd door het tweede en dat het tweede door een arrest van het Hof van 7 oktober 1984 onwettig werd bevonden.

Het vermeldt vervolgens dat het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de weddeschalen van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de rijksinrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan, ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en de Minister van Franse Cultuur, alsmede van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op de inrichtingen voor kunstonderwijs het basisuurrooster voor de muziekleraars vastlegt en dat artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke Muziekconservatoria voor sommige vakken aan de leraar bijkomende uren kunnen worden opgelegd, namelijk ten hoogste zes uur per week, zodat het volledige uurrooster van die leraars twaalf uur per week bedraagt.

Het arrest dat beslist dat "het (...) niet bewezen (is) dat voornoemd begrip ‘volledig uurrooster' zou samenvallen met dat van ‘ambt met voltijdse prestaties' die vereist zijn om uitwerking te verlenen aan artikel 77, § 1, van de (...) wet van 24 december 1976", oordeelt bijgevolg dat de Koning, toen hij de koninklijke besluiten van 9 november 1978 en 25 juni 1973 uitvaardigde, het begrip ambt met volledige prestatie niet heeft omschreven en dat voornoemd begrip niet mag worden verward met dat van volledig uurrooster.

Het voegt eraan toe dat, indien die twee begrippen zouden samenvallen, "de Koning niet de noodzaak zou hebben aangevoeld om de koninklijke besluiten van 15 december 1978 en 8 augustus 1984 uit te vaardigen (...) naast (het) koninklijk besluit van 9 november 1978".

Met die overwegingen verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing om de eiseres te veroordelen om aan de verweerster de weddes en de weddetoelagen te betalen die zij haar verschuldigd is voor haar prestaties in de muziekacademies van Baudour en van Saint-Ghislain en om 670,73 euro aan de verweerster terug te geven.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 10 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Geldelijke bepalingen

  • Anticumulatieregeling

  • Niet-uitsluitend ambt

  • Begeleider in conservatorium

  • Bijkomende opdrachten in andere instellingen

  • Ambt met voltijdse prestaties

  • Volledig uurrooster