- Arrest van 11 februari 2011

11/02/2011 - F.09.0161.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedragsregel van de overheid; daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd; de verwachtingen van de burger mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0161.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van het controlecentrum Tienen van de A.O.I.F., sector btw, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

UITGEVERIJ AVERBODE nv, met zetel te 3271 Scherpenheuvel-Zichem, Abdijstraat 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 september 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat een gedragslijn die afwijkt van de voorwaarden bepaald voor de toepassing van een vaste gedragslijn van het bestuur, geen gewettigde verwachtingen kan creëren bij de burger; een afwijking van een algemene vaste gedragslijn kan immers geen vaste gedragslijn zijn; de algemene gedragslijn is bepaald in de aanschrijving nr. 82 van 15 december 1970; de algemene gedragslijn voorziet slechts in een btw-vrijstelling voor tijdschriften die minimaal 48 keer per jaar verschijnen; de tijdschriften van de verweerster verschijnen geen 48 keer per jaar; uit het feit dat de eiser als afwijking op de algemene gedragslijn ooit aanvaard heeft dat de voormelde btw-vrijstelling ook geldt voor de in het geding zijnde tijdschriften van de verweerster volgt niet dat die afwijking een voor de eiser bindende algemene vaste gedragslijn is.

2. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur sluit het recht op rechtszekerheid in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. De verwachtingen van de burger mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk.

De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of er een vaste gedragslijn bestaat, mits hij het begrip vaste gedragslijn niet miskent.

3. Wanneer het bestuur met een algemene maatregel een bepaalde gedragslijn bepaalt en in de toepassing en uitlegging van die algemene maatregel ten aanzien van bepaalde belastingplichtigen een bepaald vast gedrag aanneemt, dat gedeeltelijk afwijkt van de algemene gedragslijn, kan dit afwijkend gedrag bij de belastingplichtigen gewettigde verwachtingen creëren, mits dit gedrag niet strijdt met een wettelijke regel.

4. De appelrechters oordelen dat:

- de vrijstelling voor tijdschriften omschreven in aanschrijving nr. 82 een vaste gedragslijn van het bestuur is;

- de eiser die aanschrijving nr. 82 ten aanzien van de verweerster zo heeft uitgelegd of toegepast dat nummers konden worden gebundeld zonder dat dit de frequentievoorwaarde die de aanschrijving oplegde, heeft aangetast;

- die aanvaarde afwijking van de algemene gedragsregel zelf een vaste gedragsregel is waarop de verweerster mocht vertrouwen.

De appelrechters beoordelen zodoende de gedragslijn van het bestuur zowel in haar geheel zoals die is uitgelegd in de aanschrijving nr. 82, als in haar toepassing op de verweerster als bestuurde. Ze oordelen dan ook zonder miskenning van het in het onderdeel aangevoerde rechtsbeginsel dat die gedragslijn het bestuur bond.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. De appelrechters stellen vast dat:

- artikel 11 Btw-wetboek bepaalt dat indien de daarin omschreven inbreng zich voordoet, voor de doeleinden van de btw-wetgeving, de overnemer geacht wordt de persoon van de overdrager voort te zetten;

- na nazicht van het geheel van de voorliggende gegevens, moet worden vastgesteld dat de rechtsvoorganger van de verweerster het nultarief voor de uitgaven heeft toegepast;

- de btw-administratie kennis had van de verschijningsfrequentie, wat blijkt uit het overgelegde stuk nr. 40 waarin zij de rechtsvoorganger van de verweerster de aanbeveling gaf de tijdschriften te factureren met vermelding : "Vrijstelling btw. Aanschrijving van 15 december 1970 nr. 82";

- de verweerster aantoont dat het bundelen van "vakantienummers" een handelwijze van de rechtsvoorganger van de verweerster was die reeds lang bestond, zonder dat de btw-administratie dit in vraag heeft gesteld;

- de verweerster aantoont dat tweemaal een btw-controle plaatsgreep bij haar rechtsvoorganger en dat geen gegevens in het dossier erop wijzen dat dit gegeven, belangrijk ten aanzien van de vraag of terecht het nultarief werd toegepast, toen niet is gecontroleerd;

- er op grond van de overgelegde stukken ook geen redenen zijn om aan te nemen dat de rechtsvoorganger verzwegen heeft dat niet voldoende verschijningen per jaargang zouden hebben bestaan en dat het tarief van de toegepaste boete erop wijst dat de eiser niet uitging van de kwade trouw van de verweerster.

De appelrechters oordelen daarop dat:

- de btw-administratie jarenlang de handelwijze die erin bestaat om nummers te bundelen, ook indien dit niet leidt tot een afzonderlijke verschijning van meerdere nummers van de tijdschriften, heeft aanvaard als in overeenstemming zijnde met de aanschrijving nr. 82;

- de verweerster daaraan het vertrouwen heeft ontleend dat de vaste gedragslijn ten aanzien van haar rechtsvoorganger ook ten aanzien van haar uitgavenactiviteit zou worden toegepast, zodat ze zich terecht beroept op een schending van het rechtszekerheidsbeginsel ten aanzien van het uitgevaardigde dwangbevel.

6. De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 258,17 euro jegens de eisende partij en op de som van 146,24 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 11 februari 2011 uitgesproken door afdelings-voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Algemeen

  • Algemene rechtsbeginselen

  • Rechtszekerheidsbeginsel

  • Draagwijdte