- Arrest van 11 februari 2011

11/02/2011 - F.10.0022.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring van de rechtsvordering tot teruggaaf van registratierechten, die ontstaat op het ogenblik van de betaling, gaat in de regel op dat ogenblik in; de verjaring gaat evenwel in op een later tijdstip wanneer de verplichting tot betaling van registratierechten een verandering ondergaat door een latere gebeurtenis die voor de belastingplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0022.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de btw, registratie en domeinen, met kantoor te 3200 Aarschot, Amerstraat 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

D.M.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 oktober 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 215 Wetboek Registratierechten is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van rechten, interesten en boeten, na twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechtsvordering is ontstaan.

De verjaring van de rechtsvordering tot teruggaaf van registratierechten ontstaat op het ogenblik van de betaling gaat in de regel op dat ogenblik in. De verjaring gaat evenwel in op een later tijdstip wanneer de verplichting tot betaling van registratierechten een verandering ondergaat door een latere gebeurtenis die voor de belastingplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht.

Een beslissing waarbij het bestuur zijn standpunt wijzigt over de uitlegging van een wettelijke regel, is geen normatieve gebeurtenis die rechten doet ontstaan voor de belastingplichtige.

2. De appelrechter oordeelt dat:

- door de beslissing nr. E.E./95.655, Rep. RJ, R117, §/10-01, genomen naar aanleiding van het cassatiearrest van 9 maart 2006 de onverschuldigdheid van het betwiste registratierecht kwam vast te staan;

- de eiser in conclusie bevestigde dat de heffing onregelmatig was;

- de verjaringstermijn van artikel 215 Wetboek Registratierechten pas liep vanaf de datum van de voormelde beslissing nr. E.E./95.655, Rep. RJ, R117, §1/10-01;

- op het ogenblik dat de verweerder zijn vordering tot teruggave op 28 augustus 2006 instelde, de verjaringstermijn dus zeker niet verstreken was.

3. Door aldus te oordelen schendt de appelrechter de voormelde wetsbepaling.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 11 februari 2011 uitgesproken door afdelings-voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Rechtsvordering tot teruggaaf

  • Verjaringstermijn van twee jaar

  • Aanvang