- Arrest van 14 februari 2011

14/02/2011 - S.09.0105.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs, regelen de verloven die de ambtenaar, waarop die bepalingen van toepassing zijn, wegens ziekte of invaliditeit kan verkrijgen evenals hun gevolgen voor zijn administratieve stand; zij strekken niet tot vergoeding van de getroffene van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg naar en van het werk of van een beroepsziekte.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0105.F

L. P.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FRANSE GEMEENSCHAP,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 7 tot 13 van het decreet van 5 juli 2000 van de Raad van de Franse Gemeenschap houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs;

- de artikelen 3, inzonderheid eerste lid, 1°, b), 3bis en 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

- artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat er geen grond bestaat om, alvorens recht te doen, een deskundige te belasten met de opdracht te onderzoeken of het feit dat de eiseres in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2006 niet op haar werk aanwezig was, het gevolg was van haar arbeidsongeval van 10 oktober 2002, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:

"Artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk verklaart de regeling, ingesteld bij de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, toepasselijk op de ambtenaren van de Franse Gemeenschap;

Krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, onder voorbehoud van de toepassing van een gunstigere wets- of verordeningsbepaling, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die door de wetgeving op de arbeidsongevallen voor een algehele tijdelijke ongeschiktheid zijn vastgesteld;

Krachtens artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, behouden de personeelsleden onderworpen aan dit besluit tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid de bezoldiging verschuldigd op grond van hun arbeidsovereenkomst of hun wettelijk of reglementair statuut. Dit artikel is een ‘gunstigere bepaling' in de zin van artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967;

Artikel 3, eerste lid, b), van de wet van 3 juli 1967 bepaalt daarenboven dat degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, recht heeft op een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid;

Artikel 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt ten slotte dat, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, het slachtoffer tijdens deze afwezigheidsperiode recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloos-stelling;

Er is sprake van blijvende ongeschiktheid wanneer de letsels geconsolideerd zijn, dat wil zeggen wanneer zij kennelijk niet meer kunnen evolueren. Na de consolidatie heeft de getroffene recht op de vergoeding van de blijvende arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van het arbeidsongeval en die bestaat in het verlies of de vermindering van de economische waarde van de getroffene op de algemene arbeidsmarkt. Net als in de privésector, wordt de omvang van die schade niet alleen beoordeeld op grond van de fysiologische ongeschiktheid, maar ook op grond van de leeftijd, de beroepsbekwaamheid, de wederaanpassings- en omscholingsmogelijkheden en het concurrentievermogen van de getroffene op de arbeidsmarkt. De getroffene heeft recht op een rente die berekend wordt naar rato van het invaliditeitspercentage;

De getroffene van een arbeidsongeval mag het loon voor vastbenoemde ambtenaren, dat hij bij tijdelijke ongeschiktheid ontvangt, en de rente, die hij bij blijvende ongeschiktheid ontvangt, voor een en dezelfde periode niet cumuleren;

Artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs staat geen afwijking toe van de vorenvermelde beginselen, die van openbare orde zijn. Voormeld artikel 10, dat betrekking heeft op het ‘verlof' wegens ziekte of invaliditeit, kan niet worden toegepast na de consolidatie van de letsels, daar alleen de terugval in tijdelijke ongeschiktheid voor vergoeding in aanmerking komt in het kader van artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967. Dat is te dezen niet het geval, aangezien (de eiseres) geen enkele beroepsactiviteit heeft hervat sinds 1 januari 2005;

De brieven van (de verweerster) waarop (de eiseres) zich beroept, kunnen de duidelijke beginselen die uit de wet van 3 juli 1967 voortvloeien niet ontkrachten en worden overigens tegengesproken door een nota van de ‘directeur-generaal organisatie' van 21 oktober 2005'.

Grieven

Eerste onderdeel

De eiseres betoogde in haar conclusie in hoger beroep dat zij haar functie als bijzonder leerkracht lichamelijke opvoeding, na het ongeval, niet meer heeft kunnen uitoefenen in de periode van 1 januari 2005 tot 2 april 2005 en dat zij het subjectieve recht had om de beslissing van Medex te betwisten, volgens welke haar afwezigheden na de consolidatie niet langer in verband stonden tot het arbeidsongeval. Zij heeft derhalve de aanwijzing van een geneesheer-deskundige gevorderd.

Krachtens de artikelen 7 tot 9 van het decreet van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs, geniet het lid van het onderwijzend personeel dat zijn functie niet langer normaal kan uitoefenen wegens ziekte of invaliditeit, tijdens zijn loopbaan een beperkt aantal verlofdagen wegens ziekte. Zodra hij dat aantal dagen opgenomen heeft, is hij krachtens artikel 13 van dat decreet met volle recht ter beschikking gesteld.

In afwijking van de artikelen 7 tot 9 van het decreet, wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit luidens artikel 10, eerste lid, onbeperkt in de tijd toegestaan wanneer dat het gevolg is van een arbeidsongeval, een ongeval van of naar het werk of van een beroepsziekte. Behoudens voor de toepassing van artikel 11 (definitieve onbekwaamverklaring), worden de krachtens het vorige lid toegestane verlofdagen niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal verlofdagen dat het personeelslid krachtens de artikelen 7 tot 9 geniet. Krachtens artikel 12 wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit gelijkgesteld met periodes van actieve dienst.

Dat decreet regelt de verloven wegens ziekte of invaliditeit die de ambtenaar kan verkrijgen evenals hun gevolgen voor zijn administratieve rechtspositie. Het heeft niet hetzelfde voorwerp als de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector, die de vergoeding van de getroffene van een arbeidsongeval regelt.

Het decreet wijkt dus niet af van de wet en kan niet worden uitgelegd volgens de algemene beginselen van die wet. Zo maakt het voor de uitlegging van artikel 10, eerste lid, van het decreet niet uit dat de arbeidsongevallenwet, na de consolidatie, alleen de volledige tijdelijke ongeschiktheid vergoedt, wat te dezen niet het geval is. Het maakt evenmin uit dat de rente die aan de getroffene verschuldigd is wegens blijvende ongeschiktheid vastgesteld wordt op grond van het verlies of de vermindering van zijn economisch vermogen op de algemene arbeidsmarkt. De mogelijkheid bestaat dat de ambtenaar zijn functie na de consolidatie niet kan uitoefenen, ongeacht zijn geraamde ongeschiktheid voor de algemene arbeidsmarkt. Zijn afwezigheid blijft verantwoord in het licht van het decreet en hij behoudt het recht op de in dat decreet bepaalde verloven.

Artikel 10, eerste lid, van het decreet maakt geen enkel onderscheid naargelang de afwezigheid wegens het arbeidsongeval vóór dan wel na de datum van consolidatie viel. Het begrip "consolidatie" houdt geen verband met die bepaling. Hieruit kan worden afgeleid dat alle dagen afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval verlofdagen zijn waarop de ambtenaar recht heeft en die voor de toepassing van artikel 13 van het decreet niet in aanmerking kunnen worden genomen.

Tevens kan hieruit worden afgeleid dat de ambtenaar, krachtens artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek, het recht heeft om een gerechtelijk deskundigenonderzoek te vragen teneinde zijn afwezigheden in het licht van het decreet te omschrijven.

Het arrest verwerpt de vordering van de eiseres, die ertoe strekte, alvorens recht te doen, een geneesheer-deskundige aan te wijzen opdat die zou verklaren dat haar afwezigheden van het werk, in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2006, het gevolg waren van het arbeidsongeval, op grond van "de duidelijke beginselen die uit de wet van 3 juli 1967 voortvloeien" en waarvan het decreet niet mag afwijken, en schendt bijgevolg alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 46, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, wordt het verlof wegens ziekte, naar aanleiding van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, zonder tijdsbeperking toegestaan. Behalve voor de toepassing van artikel 48, op grond waarvan de ambtenaar wegens ziekte definitief ongeschikt kan worden verklaard, komen die verlofdagen, zelfs na de datum van consolidatie, niet in aanmerking om te bepalen hoeveel verlofdagen de ambtenaar krachtens artikel 41 nog kan verkrijgen en, bijgevolg, om te bepalen op welk tijdstip hij met volle recht ter beschikking is gesteld overeenkomstig artikel 56 van datzelfde besluit.

De ambtenaren van de Staat die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 genieten, net als de ambtenaren van de gemeenschappen en krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, de toepassing van de artikelen van de wet van 3 juli 1967. Die twee categorieën van ambtenaren zijn dus onderling vergelijkbaar.

Indien artikel 10, eerste lid, van het decreet van 5 juli 2000 aldus moet worden uitgelegd dat het aantal dagen afwezigheid wegens ziekte of invaliditeit wegens een arbeidsongeval niet kan worden geneutraliseerd na consolidatie van de letsels, dan voert die bepaling een verschil in behandeling in tussen de personen bedoeld in artikel 1 van het decreet en de ambtenaren van de Staat die onder de toepassing vallen van artikel 46, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen; dat verschil in behandeling kan niet worden verantwoord, zodat het arrest, dat de eiseres het recht op de aanwijzing van een geneesheer-deskundige ontzegt, teneinde te bepalen of de verlofdagen die zij na de consolidatie wegens ziekte heeft opgenomen aan het arbeidsongeval te wijten zijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In dat geval moet de in het dictum van het verzoekschrift geformuleerde prejudiciële vraag gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel bekritiseert de beslissing van het arrest waarbij de vordering van de eiseres ongegrond verklaard wordt, welke ertoe strekte een deskundige te doen aanwijzen opdat die zou verklaren dat haar afwezigheden, van het werk, in de periode van 1 januari 2005 tot 31 maart 2006, te wijten zijn aan haar arbeidsongeval van 10 oktober 2002.

Eerste onderdeel

De tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw:

De verweerster voert aan dat de eiseres, aangezien zij voor het arbeidshof betoogde dat artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs, een bepaling is die, in de zin van artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, een gunstigere regeling inzake schadeloosstelling van de getroffene bevat dan de bepalingen waarnaar dat artikel 3bis verwijst, in het cassatiegeding geen middel kan aanvoeren dat gegrond is op een andere uitlegging van het voorwerp van en de respectieve verhoudingen tussen artikel 10 van het decreet en artikel 3bis van de wet.

Zowel de bepalingen van het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap als die van de wet van 3 juli 1967 zijn van openbare orde.

De eiseres kan bijgevolg, ongeacht de middelen die zij aan de feitenrechter heeft voorgelegd, tegen het arrest een middel opwerpen dat, aangezien het de schending van dergelijke bepalingen aanvoert, voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Krachtens artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap, wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit onbeperkt in de tijd toegestaan wanneer het een gevolg is van een arbeidsongeval, een ongeval van of naar het werk of van een beroepsziekte, en wordt dat verlof niet in aanmerking genomen om te beoordelen of de ambtenaar, die het maximum aantal verlofdagen heeft opgenomen die hem kunnen worden toegekend wegens ziekte of invaliditeit, met volle recht ter beschikking is gesteld.

Evenmin als de andere bepalingen van het decreet, dat de verloven regelt waarop de ambtenaar, op wie dat decreet van toepassing is, wegens ziekte of invaliditeit recht heeft, heeft artikel 10 betrekking op de vergoeding van de getroffene van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg naar en van het werk of van een beroepsziekte.

Dat artikel maakt geen enkel onderscheid naargelang het verlof, waarop het betrekking heeft, vóór dan wel na de consolidatie van de letsels wordt toegekend.

Het arrest, dat om de in het middel weergegeven redenen beslist dat artikel 10 "niet kan worden toegepast na de consolidatie van de letsels", wegens "de duidelijke beginselen die uit de wet van 3 juli 1967 voortvloeien", "die van openbare orde zijn", schendt die wettelijke bepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Franse Gemeenschap

  • Disponibiliteit

  • Regeling

  • Arbeidsongeval

  • Overheidssector