- Arrest van 14 februari 2011

14/02/2011 - S.10.0115.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter mag geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd was; behalve wanneer de wet hem beveelt ambtshalve uitspraak te doen, verbiedt die bepaling de rechter een partij een zaak toe te kennen die zij niet gevraagd heeft, zelfs als de bepaling die de zaak toekent van openbare orde is (1). (1) Zie J. LINSMEAU en X. TATON, 'Le principe dispositif et l'activisme du juge', Finalité et légitimité du droit judiciaire, Brugge - Brussel, Die Keure - La Charte, 2005, p. 107, nr. 10 en noot 25. In zijn conclusie verantwoordde het O.M. de in de samenvatting van het arrest weergegeven regel als volgt: in het gerechtelijk recht heeft de openbare orde in de regel slechts een negatieve functie, met dien verstande dat zij de rechter alleen machtigt een akkoord tussen de partijen, dat tot de miskenning van de openbare orde zou leiden, ongedaan te maken, en niet aan een partij een zaak toe te kennen die zij niet gevraagd zou hebben. In tegenstelling tot onderhavig arrest, meende het O.M. evenwel dat het bestreden arrest vernietigd moest worden, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaarde.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0115.F

RIJKSDIENST VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. J.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 29 juni 2010 gewezen door het arbeidshof te Luik, afdeling Namen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie van de partijen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt voor recht dat de verweerder voldoet aan alle voorwaarden voor de toekenning van de verhoging vanaf 12 november 2006 en daarna van de forfaitaire tegemoetkoming vanaf 1 januari 2007, zonder beperking in de tijd.

Die beslissing is gegrond op de volgende redenen:

"[De verweerder] wil de periode van erkenning beperkt zien tot de periode waarin hij meent bijzonder afhankelijk te zijn geweest van andermans hulp;

Die aangelegenheid raakt echter de openbare orde. Indien de verweerder voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de verhoging, moet het recht hem zonder beperking in de tijd worden toegekend tot zijn geval herzien wordt. Indien hij daarentegen, gedurende een ononderbroken periode van minstens drie maanden, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de verhoging, heeft hij eveneens recht op die verhoging maar alleen voor die periode, zelfs als hij die voorwaarden daarna niet meer vervult;

Het recht op de forfaitaire tegemoetkoming, dat ontstaat door de erkenning van andermans hulp, moet onderzocht worden met ingang van de datum waarop de aanvraag is ingediend, d.i. 12 november (en niet 2 november : zie het dossier [van de eiser]) 2006 en nadien".

Grieven

1. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de wilsautonomie van de partijen en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, mag de feitenrechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd was, zelfs als de wet die het recht toekent van openbare orde is.

De omstandigheid dat een vordering gegrond is op bepalingen van openbare orde of op wetten van dwingend recht, geeft de feitenrechter bijgevolg niet het recht om aan een partij een groter dan het door hem gevorderde voordeel toe te kennen.

Het arrest stelt het volgende vast:

- de verweerder heeft een brief naar de rechtbank gestuurd "waarin hij opmerkt dat de betrokken periode ingaat op 2 november 2006 en eindigt in maart 2007";

- de verweerder "stelt hoger beroep in, op grond dat de vordering slechts betrekking heeft op vier maanden, gedurende welke hij meer afhankelijk van andermans hulp was geweest", en

- de verweerder "wil de periode van erkenning beperkt zien tot een periode waarin hij meent buitengewoon afhankelijk te zijn geweest van andermans hulp".

Ondanks die vaststellingen, waaruit blijkt dat de vordering van de verweerder beperkt is in de tijd en slechts betrekking heeft op een periode van vier maanden, zegt het arrest voor recht dat de verweerder "aan alle voorwaarden voor de toekenning van de verhoging vanaf 12 november 2006 en daarna van de forfaitaire tegemoetkoming vanaf 1 januari 2007 voldoet", zonder dat het de verhoging ook maar enigszins beperkt in de tijd. Het arrest baseert zijn beslissing hierop dat, enerzijds, de aangelegenheid de openbare orde raakt en dat, anderzijds, indien de verweerder aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van de verhoging, "het recht hem zonder beperking in de tijd moet worden toegekend".

Het arrest, dat wel vaststelt dat de verweerder zijn vordering heeft beperkt tot een periode van vier maanden maar hem de verhoging zonder beperking in de tijd toekent, kent aan de verweerder een groter dan het door hem gevorderde voordeel toe, miskent bijgevolg het beginsel van de wilsautonomie van de partijen en schendt artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd was.

Behalve wanneer de wet hem beveelt ambtshalve uitspraak te doen, verbiedt die bepaling de rechter een partij een zaak toe te kennen die zij niet vraagt, zelfs als de bepaling die de zaak toekent van openbare orde is.

Het arrest, dat vaststelt dat de vordering van de verweerder tot toekenning van het litigieuze voordeel beperkt was tot een periode van vier maanden met ingang van 12 november 2006, en hem vervolgens dat voordeel vanaf die datum maar zonder beperking in de tijd toekent, op grond dat "de aangelegenheid de openbare orde raakt", schendt voormeld artikel 1138, 2°.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het aan de verweerder de litigieuze voordelen toekent zonder beperking in de tijd.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Niet gevorderde zaken

  • Verplichting van de rechter

  • Openbare orde