- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - P.10.1665.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De controle van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering heeft slechts een voorlopig karakter en zal later gevolgd worden door de verplichte wettigheidscontrole overeenkomstig artikel 235ter, §1, van hetzelfde wetboek, rechtspleging waaraan de inverdenkinggestelde kan deelnemen en beslissing waartegen hij cassatieberoep kan instellen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1665.N

R T,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 september 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest is gewezen met toepassing van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, op vordering van het openbaar ministerie.

Na inzage van het strafdossier en van het vertrouwelijk dossier zoals bedoeld in artikel 47septies, § 1, tweede lid, en artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, stellen de appelrechters vast dat de bijzondere opsporingsmethode van observatie, regelmatig is verlopen.

Het arrest is geen eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, 6 en 14 EVRM, de artikelen 14 en 26 IVBPR, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet en artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht van verdediging: er bestaat geen redelijke verantwoording waarom er wel een onmiddellijk cassatieberoep openstaat tegen een arrest overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering maar niet tegen een arrest overeenkomstig artikel 235quater Wetboek van Strafvordering; ondergeschikt verzoekt de eiser het Hof hierover de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 235quater en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 EVRM, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig artikel 235quater van het Wetboek van Strafvordering, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?"

3. Krachtens artikel 235quater, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldigingstelling voorlopig, onverminderd de uitoefening van de controle bedoeld in artikel 235ter, ambtshalve, op verzoek van de onderzoeksrechter of op vordering van het openbaar ministerie, tijdens het gerechtelijk onderzoek, de regelmatigheid onderzoeken van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van dit gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek.

De rechtspleging van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering doet geen afbreuk aan de toepassing van de rechtspleging van de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering.

De controle van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering heeft slechts een voorlopig karakter en zal later gevolgd worden door de verplichte wettigheidscontrole overeenkomstig artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering, rechtspleging waaraan de inverdenkinggestelde kan deelnemen en beslissing waartegen hij cassatieberoep kan instellen.

Indien de kamer van inbeschuldigingstelling bij haar voorlopige wettigheidscontrole overeenkomstig artikel 235quater Wetboek van Strafvordering een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, vermeldt zij dit in haar voorlopig arrest, maar gaat zij op dat ogenblik niet over tot de zuivering van de procedure. Dit geschiedt hetzij op het ogenblik van de definitieve wettigheidscontrole overeenkomstig artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering, hetzij ter gelegenheid van een rechtspleging overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, procedures waarin de inverdenkinggestelde wordt gehoord.

Het middel dat aanvoert dat een cassatieberoep mogelijk moet zijn tegen een arrest dat uitspraak doet bij toepassing van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, faalt naar recht.

4. Het arrest dat gewezen wordt bij toepassing van artikel 235quater Wetboek van Strafvordering, heeft slechts een voorlopig karakter, in tegenstelling tot een arrest dat bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nazicht doet van het vertrouwelijk dossier.

De voorgestelde prejudiciële vraag heeft betrekking op categorieën van personen die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden.

Zij dient niet te worden gesteld.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, evenals miskenning van het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het arrest werd gewezen zonder dat de eiser werd gehoord door de kamer van inbeschuldigingstelling; ondergeschikt verzoekt de eiser het Hof hierover de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 235quater Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenlezing met artikel 6 EVRM de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een inverdenkinggestelde in het kader van de procedure overeenkomstig artikel 235quater Sv. niet wordt gehoord door de kamer van inbeschuldigingstelling, terwijl, een rechtsonderhorige in het kader van de procedure overeenkomstig artikel 235ter Sv. wel de kans krijgt om door de kamer van inbeschuldigingstelling te worden gehoord?"

6. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

7. Vermits het middel niet ontvankelijk is en de vraag geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, dient de prejudiciële vraag niet te worden gesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 60,26 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 15 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Strafvordering

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Voorlopige controle tijdens het gerechtelijk onderzoek

  • Gevolg

  • Verder procedureverloop

  • Navolgende verplichte wettigheidscontrole in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering