- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - P.11.0144.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een vreemdeling met toepassing van artikel 71 Vreemdelingenwet beroep instelt tegen een administratieve maatregel van vrijheidsberoving, dienen de onderzoeksgerechten te onderzoeken of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet; zij moeten daarbij de werkelijke toedracht en de juistheid van de feiten die de administratieve overheid aanvoert, nagaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0144.N

M M, geboren te Shkoder (Albanië) op 20 november 1975, verblijvende in het centrum voor illegalen te Brugge,

vreemdeling, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Wannes Gardin, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 51, voor wie optreedt de fod Binnenlandse Zaken, dienst vreemdelingenzaken, met kantoor te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59B,

ambtshalve tussenkomende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en van artikel 149 Grondwet en miskenning van het recht op een eerlijk proces: de beroepen beschikking en het arrest zijn gemotiveerd door rechtstreekse of onrechtstreekse verwijzing naar een op de rechtszitting van de raadkamer door het openbaar ministerie neergelegde nota van de dienst vreemdelingenzaken van 5 januari 2011; de daarin opgenomen redenen maken geen deel uit van de beschikking en van het arrest; de eiser kan bijgevolg van deze redenen geen kennis nemen, wat zijn recht van verdediging miskent.

2. Het middel is niet alleen gericht tegen het arrest, maar bekritiseert ook de beroepen beschikking.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

3. Artikel 6 EVRM noch artikel 149 Grondwet zijn van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van een ten aanzien van een vreemdeling genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

4. De rechter vermag zijn beslissing met redenen te omkleden door verwijzing naar en overname van elementen en motieven opgenomen in een voor de partijen beschikbaar stuk van de rechtspleging, zoals een door een partij op een rechtszitting neergelegd stuk. Dit houdt geen miskenning in van het recht van verdediging.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet, evenals miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur en van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 december 2008: het arrest gaat er bij zijn wettigheidscontrole ten onrechte aan voorbij dat de administratieve beslissing tot vrijheidsberoving geen melding maakt van de erkenning van de eiser als staatloze bij arrest van het hof van beroep te Gent van 18 december 2008; het arrest gaat verder voorbij aan eisers volstrekte onverwijderbaarheid en aan de onjuiste vaststelling dat er gelet op het overnameverzoek aan Kosovo een realistisch repatriëringsplan zou bestaan.

6. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van een ten aanzien van een vreemdeling genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

7. Wanneer een vreemdeling met toepassing van artikel 71 Vreemdelingenwet beroep instelt tegen een administratieve maatregel van vrijheidsberoving, dienen de onderzoeksgerechten te onderzoeken of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet. Zij moeten daarbij de werkelijke toedracht en de juistheid van de feiten die de administratieve overheid aanvoert, nagaan.

De onderzoeksgerechten oordelen aldus onaantastbaar of een vreemdeling al dan niet kan worden gerepatrieerd.

In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling in feite of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

8. Het arrest (p. 3 en 4) oordeelt op eigen gronden en door overname van de motieven opgenomen in de voormelde nota van de dienst vreemdelingenzaken dat:

- de eiser uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 7, zevende lid, Vreemdelingenwet en de maatregel van vrijheidsberoving mede is gesteund op artikel 7, eerste lid, 3°, tweede lid en derde lid, Vreemdelingenwet;

- het bevel om het grondgebied te verlaten mede is ingegeven door redenen van openbare orde, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld;

- de erkenning als staatloze niet automatisch tot gevolg heeft dat aan de eiser, die geacht wordt een gevaar op te leveren voor de openbare orde, niet langer een bevel om het grondgebied te verlaten zou kunnen worden gegeven;

- er concrete stappen werden ondernomen om de repatriëring van de eiser op touw te zetten en de nodige inspanningen werden gedaan om een doorgangsbewijs te bekomen vanwege de Kosovaarse autoriteiten, zodat een terugleiding naar Kosovo nog steeds tot de mogelijkheden behoort.

Aldus verantwoordt het arrest zonder miskenning van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 december 2008 naar recht de beslissing dat de maatregel van vrijheidsberoving wettig is.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 9, derde lid (oud) en 39/2, § 2, Vreemdelingenwet, evenals miskenning van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 198.769 van [9] december 2009: het arrest oordeelt met verwijzing naar de nota van de dienst vreemdelingenzaken ten onrechte dat de ontvankelijkheid van het verzoek tot machtiging tot verblijf krachtens artikel 9, derde lid (oud), Vreemdelingenwet, niets te zien heeft met de mogelijkheid om terug te keren naar het land van herkomst, maar enkel met het voldoen aan de voorwaarden van een door de Raad van State vernietigde omzendbrief.

10. Het arrest (p. 3) oordeelt met overname van de motieven van de voormelde nota van de dienst vreemdelingenzaken onder meer dat het feit dat eisers aanvraag om machtiging tot verblijf ontvankelijk werd verklaard, geenszins betekent dat een terugkeer naar zijn land van herkomst is uitgesloten.

Met dit oordeel schendt het arrest niet de in het middel aangehaalde bepalingen en miskent het evenmin het gezag van gewijsde van het vermelde arrest van de Raad van State.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 1 Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de Status van Staatlozen (hierna: Staatlozenverdrag), artikel 149 Grondwet en artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet, evenals miskenning van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 december 2008 en van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brugge zetelend in kort geding van 20 april 2006: de beschikking bepaalt niettegenstaande de eiser geen nationaliteit en dus geen nationale overheid heeft, dat hij wordt vastgehouden op grond van het feit dat hij dient te worden uitgewezen naar zijn land van herkomst en dat te dien einde de nationale overheden moeten worden aangezocht teneinde een doorgangsbewijs te bekomen.

12. Het middel is niet alleen gericht tegen het arrest maar bekritiseert ook de administratieve beslissing van vrijheidsberoving.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

13. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van een ten aanzien van een vreemdeling genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

14. Het arrest (p. 3) oordeelt door overname van de motieven van de voormelde nota van de dienst vreemdelingenzaken dat de verwijzing in de administratieve maatregel van vrijheidsberoving naar het gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 3°, Vreemdelingenwet, op zich deze maatregel schraagt en het niet uitdrukkelijk rekening houden met de hoedanigheid van staatloze geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van deze maatregel.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vijfde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 31 Staatlozenverdrag en artikel 62 Vreemdelingenwet, evenals miskenning van de materiële motiveringsverplichting: er kan niet zonder meer worden aangenomen dat de eiser een actueel gevaar vormt voor de openbare orde; dit oordeel wordt niet gestaafd met feitelijke elementen, zodat het arrest ten onrechte beslist dat de administratieve beslissing met redenen is omkleed in de zin van artikel 62 Vreemdelingenwet.

16. Het middel is niet alleen gericht tegen het arrest maar bekritiseert ook de administratieve beslissing van vrijheidsberoving.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

17. Artikel 31.1 Staatlozenverdrag bepaalt dat de verdragsluitende staten een rechtmatig op hun grondgebied vertoevende staatloze niet uitzetten behoudens om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.

18. Het arrest (p. 4) oordeelt door overname van de motieven van de voormelde nota van de dienst vreemdelingenzaken dat artikel 31.1 Staatslozenverdrag alleen van toepassing is op staatlozen die rechtmatig op het grondgebied verblijven, wat voor de eiser zeker niet geldt.

Dit oordeel, dat door de eiser niet wordt bekritiseerd, verantwoordt op zich de afwijzing van het op artikel 31.1 Staatslozenverdrag gesteunde verweer.

Het middel, al was het gegrond, kan niet leiden tot cassatie en is mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,12 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 15 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Vreemdelingenwet

  • Onderzoeksgerecht

  • Uitspraak over de handhaving van een administratieve maatregel van vrijheidsberoving

  • Opdracht