- Arrest van 16 februari 2011

16/02/2011 - P.11.0283.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de opzet van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis blijkt dat geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de onderzoeksbeslissingen die, bij de regeling van de rechtspleging, de aanhouding van de inverdenkinggestelde bevestigen; in dat geval kan de inverdenkinggestelde, zo hij de hechtenis betwist, een verzoek tot invrijheidstelling indienen, overeenkomstig artikel 27, §1, van de voormelde wet (1). (1) Zie concl O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0283.F

A. B.,

inverdenkinggestelde, gedetineerd,

eiser,

mr. Charles-Olivier Ravache, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 februari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Op 14 februari 2011 heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch een conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 16 februari 2011 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag opgemaakt en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Bij beschikking van 21 januari 2011 werd de eiser naar de correctionele rechtbank verwezen.

Diezelfde dag werd hij onder voorwaarden vrijgelaten op grond van een aparte beschikking waartegen de procureur des Konings hoger beroep heeft ingesteld.

Het bestreden arrest dat die beslissing wijzigt, zegt dat de eiser in staat van hechtenis voor de correctionele rechtbank zal verschijnen.

Uit de opzet van de Voorlopige Hechteniswet blijkt dat geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de onderzoeksbeslissingen die, bij de regeling van de rechtspleging, verklaren dat de inverdenkinggestelde aangehouden blijft. In dat geval kan de inverdenkinggestelde, zo hij zijn hechtenis betwist, een verzoek tot invrijheidstelling indienen, overeenkomstig artikel 27, § 1, van de voormelde wet.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Er is geen grond om acht te slaan op de memorie van de eiser, die geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Vrijlating onder voorwaarden

  • Hoger beroep van de procureur des Konings

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Wijziging

  • Handhaving van de hechtenis

  • Cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid