- Arrest van 17 februari 2011

17/02/2011 - C.09.0548.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het cassatieberoep dat ingesteld is tegen een arrest dat een hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart omdat het beroepen vonnis slechts een beslissing of maatregel van inwendige aard bevat in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek en oordeelt dat voornoemd vonnis de eiser in cassatie geen enkel onmiddellijk nadeel berokkent, hem veroordeelt tot betaling van een welbepaald bedrag aan de verweerster als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep en van een geldboete met toepassing van artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek, en in de naar behoren vastgestelde appelkosten van de verweerster, heeft wel degelijk belang en is bijgevolg ontvankelijk (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0548.F

R. T.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B. C.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 juni 2009.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart (eisers) hoger beroep tegen het vonnis van 15 december 2006 niet-ontvankelijk.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen ervan die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven, inzonderheid om de onderstaande redenen:

"De rechter houdt in het beroepen vonnis de uitspraak aan en spoort (de eiser) aan zich door een advocaat van zijn keuze te laten bijstaan.

Die beslissing heeft betrekking op de louter formele rechtsbedeling en slaat noch rechtstreeks noch onrechtstreeks op het onderzoek van de zaak zelf.

Toch moet het hof (van beroep) nog nagaan of de litigieuze beslissing de afloop van het proces al dan niet beïnvloedt. Dit is het geval indien de beslissing nu reeds de mening van de rechter over het geschil zelf vertolkt, zodanig dat zij aan een van de partijen een onmiddellijk nadeel berokkent, in welk geval het recht op beroep opnieuw ontstaat.

In deze zaak heeft de eerste rechter, op grond van het verzoekschrift en van de door (de eiser) neergelegde conclusie, vastgesteld dat het debat erg passioneel verliep waardoor het onduidelijk en moeilijk verstaanbaar werd.

De rechtbank heeft bovendien erop gewezen dat het belang van een kind vereist dat het debat met betrekking tot dat kind over duidelijke, realistische vorderingen gaat die door alle middelen van het recht worden verdedigd en dat in deze zaak het belang van H. vereist dat de vragen die op hem betrekking hebben, met gelijke wapens worden verdedigd, door ervaren mensen en wars van elke nodeloze passie.

De rechtbank heeft geen enkele feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht, het heeft geen oordeel uitgebracht en is evenmin vooruitgelopen op de grond van de zaak,

Zij heeft enkel vastgesteld dat het onmogelijk was een helder en begrijpelijk debat te voeren, wars van elke passie, en waar de partijen op voet van gelijkheid zouden worden bijgestaan of vertegenwoordigd.

Het beroepen vonnis berokkent (de eiser) geen enkel onmiddellijk nadeel.

De beslissing die (de eiser) alleen maar aanspoort zich door een advocaat te laten bijstaan, vormt een beslissing of maatregel van inwendige aard in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, dat wil zeggen een beslissing waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of er niet op vooruitloopt, zodat die beslissing geen enkele partij onmiddellijk nadeel berokkent (...).

Krachtens artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

Bijgevolg moet (eisers) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

"Beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep".

Van het toepassingsgebied van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn uitgesloten de beslissingen die ogenschijnlijk de kenmerken vertonen van een maatregel van inwendige aard, maar die, ofwel uitgaan van ofwel gewoon gepaard gaan met overwegingen die de mening van de rechter over het geschil zelf vertolken, of die, zonder noodzakelijkerwijs een mening te vertolken, de partijen of een van hen onmiddellijk nadeel berokkenen doordat ze een feitelijk of juridisch geschilpunt beslechten.

Het arrest dat het hoger beroep tegen een "beslissing of maatregel van inwendige aard" niet-ontvankelijk verklaart, verantwoordt pas zijn beslissing naar recht indien het vaststelt:

- dat de beroepen beslissing een maatregel van inwendige aard is, dat wil zegen dat zij zowel betrekking heeft op de goede werking van de justitie als op het goede verloop van het geding, of dat zij betrekking heeft op de louter formele rechtsbedeling;

- dat die beslissing niet gepaard gaat met overwegingen die de mening van de rechter over het geschil zelf vertolken ofwel dat zij de partijen of een van hen geen onmiddellijk nadeel berokkent doordat zij een feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht.

Uit eisers "korte conclusie" in eerste aanleg, die op 9 november 2006 werd neergelegd op de griffie van de jeugdrechtbank, blijkt dat hij de rechtbank van eerste aanleg vroeg "om alvorens recht te doen (...) met voorrang (...) de mogelijkheid te onderzoeken om de huisvesting van het kind op gelijkmatige manier tussen de partijen vast te leggen en bijgevolg (...) om de onmiddellijke uitvoering van de gelijkmatig verdeelde huisvesting te bevelen".

Het arrest oordeelt dat de jeugdrechtbank geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt heeft beslecht en dat zij geen enkel oordeel over het geschil zelf heeft uitgesproken noch erop vooruitgelopen is. Het oordeelt eveneens dat het beroepen vonnis de eiser geen enkel onmiddellijk nadeel heeft berokkend en dat de beslissing om de uitspraak aan te houden betrekking had op de louter formele rechtsbedeling en noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks betrekking had op het onderzoek van de zaak zelf. Het beslist bijgevolg dat het gaat om een beslissing of om een maatregel van inwendige aard waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Vast staat dat de eiser ervan uitging dat de uitspraak over zijn vordering betreffende de gelijkmatig verdeelde huisvesting niet aangehouden kon worden. Zijn vordering strekte er immers toe dat de rechter, alvorens recht te doen, reeds op de inleidende terechtzitting, een maatregel van gelijkmatig verdeelde huisvesting zou bevelen, overeenkomstig artikel 374, § 2, van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat oordeelt dat een beslissing die de uitspraak aanhoudt niet vatbaar is voor hoger beroep, ofschoon de beroepen beslissing de eiser nadeel heeft berokkend doordat zij zijn vordering de facto verwierp, op grond dat zij een "beslissing of maatregel van inwendige aard" is in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, schendt dat artikel.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Tweede onderdeel

Over het door de verweerster tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep heeft geen belang

Het arrest verklaart eisers hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepen vonnis slechts een beslissing of maatregel van inwendige aard bevat in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek en veroordeelt de eiser, op grond dat voornoemd vonnis hem geen enkel onmiddellijk nadeel berokkent, tot betaling van 1.000 euro aan de verweerster als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep en tot betaling van een geldboete van 500 euro met toepassing van artikel 780bis Gerechtelijk Wetboek. Het veroordeelt bovendien de eiser in de appelkosten van de verweerster.

Bijgevolg heeft eisers cassatieberoep tegen dat arrest wel degelijk belang.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Het middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Die bepaling geldt slechts voor de beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruitloopt, zodat de beslissing geen enkele partij een onmiddellijk nadeel kan berokkenen.

Het arrest wijst erop dat de eerste rechter in het beroepen vonnis de uitspraak aanhoudt en de eiser aanspoort zich door een advocaat van zijn keuze te laten bijstaan op grond dat "in deze zaak (...) de eerste rechter, op grond van het verzoekschrift en van de door (de eiser) neergelegde conclusie, (heeft) vastgesteld dat in het debat erg passioneel verliep waardoor het onduidelijk en moeilijk verstaanbaar werd; de rechtbank heeft bovendien erop gewezen dat het belang van een kind vereist dat het debat met betrekking tot dat kind over duidelijke, realistische vorderingen gaat die door alle middelen van het recht worden verdedigd en dat in deze zaak het belang van (het kind) vereist dat de vragen die op hem betrekking hebben, met gelijke wapens worden verdedigd, door ervaren mensen en wars van elke nodeloze passie."

Het arrest dat op die vermeldingen steunt, beslist naar recht dat het beroepen vonnis een beslissing of maatregel van inwendige aard is in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek en dat het hoger beroep bijgevolg niet-ontvankelijk is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 17 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gemis aan belang

  • Beslissing of maatregel van inwendige aard

  • Veroordelingen

  • Ontvankelijkheid