- Arrest van 21 februari 2011

21/02/2011 - C.09.0104.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Voor de inbreuk bepaald in artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden is niet vereist dat omwille van het bedoelde gedrag het spel zelf moet worden stilgelegd, maar volstaat het dat dit gedrag het verloop van de wedstrijd, waartoe ook de beleving van de toeschouwers behoort, op enige wijze hindert (1). (1) Zie: Cass., 16 nov. 2009, AR C.09.0104.N, Pas., 2009, n° 664.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0104.N

P.H.

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Voetbalcel, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 76, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Joseph Gryspeert, met kantoor te 8870 Izegem, Meensestraat 181, en in het gerechtsdeurwaarderskantoor te 8500 Kortrijk, Engelse Wandeling 2K5,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de politierechtbank te Kortrijk van 29 oktober 2008.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 26 oktober 2009 verwezen naar de derde kamer.

Bij arrest van dit Hof van 16 november 2009 werd met betrekking tot het eerste middel een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Bij arrest nr. 140/2010 van 16 december 2010 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 12, 2de lid, en 14 gecoördineerde Grondwet;

- artikel 7 Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955. (B.S., 19 augustus 1955, Err. B.S. 29 juni 1961).

Aangevochten beslissing

De appelrechter bevestigt integraal de administratieve beslissing getroffen op 18 juli 2007 en de daarin opgenomen en aan eiser opgelegde bestraffing bestaande uit een geldboete van 300,00 euro en een stadionverbod voor de duur van vijf maanden.

De aan de eiser opgelegde sanctie werd lastens de eiser genomen op grond van artikel 23 Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden.

Artikel 23 Voetbalwet bepaalt in zijn huidige versie dat eenieder die, alleen of in groep, in het stadion aanzet tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meerdere personen, één of meer sancties kan oplopen als bepaald in de artikelen 24, 24ter en 24quater van dezelfde wet.

De huidige tekst van artikel 23 werd ingevoerd door artikel 27 Wet van 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007, 3de uitgave) en is slechts van toepassing op feiten gepleegd vanaf 18 mei 2007.

Nu de aan de eiser ten laste gelegde feiten gepleegd werden op 16 februari 2007 is de toen van toepassing zijnde tekst van artikel 23 Voetbalwet in het geding.

Ten tijde van de feiten luidde artikel 23 Voetbalwet als volgt: "Eenieder die, alleen of in groep, door zijn gedrag het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoort door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden, kan één of meer sancties oplopen als bepaald in artikel 24".

De appelrechter past terecht artikel 23 Voetbalwet toe in de vorige versie, zoals deze van toepassing was ten tijde van de feiten.

Met betrekking tot de door eiser aangevoerde schending van het legaliteitsbeginsel in strafzaken oordeelt de appelrechter als volgt:

"1. Schending van het legaliteitsbeginsel in strafzaken

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenlik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.

Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten.

Aan die vereiste is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling kan weten welke handelingen of welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.

Artikel 23 bepaalt dat een administratieve sanctie kan worden opgelegd aan eenieder die, alleen of in groep, door zijn gedrag het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoort door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van een of meer personen die zich in het stadion bevinden.

Voor iedere voetbalsupporter is duidelijk dat het bedoelde verloop van een nationale of internationale voetbalwedstrijd zich niet beperkt tot het spelverloop zelf, zoals iedere voetbalsupporter ook de eerste is om zijn gedragingen binnen de gegeven context te kunnen inschatten als al of net aanzettend tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van een of meer personen die zich in het stadion bevinden, gedragingen die alszodanig juist niet te omvatten zijn door opsommingen.

Het staat dan ook buiten kijf dat het gewraakte artikel 23 Voetbalwet geenszins in strijd is noch met het algemeen rechtsbeginsel ‘Nulla poena sine lege' noch met de artikelen 12, lid 2, en 14 Grondwet of artikel 7 van het EVRM.

Een situatie waar geen grond voorhanden is om een prejudiciële vraag tot het Grondwettelijk Hof te richten".

(bestreden vonnis, blz. 2 in fine en 3)

Grieven

Artikel 23 Voetbalwet, zoals van toepassing ten tijde van de feiten maakt het mogelijk administratieve sancties op te leggen aan personen die door een bepaald gedrag het verloop van een voetbalwedstrijd verstoren.

Strafbaar is volgens voormeld artikel de persoon die door zijn gedrag het verloop van een nationale of een internationale voetbalwedstrijd verstoort. Deze verstoring dient meer bepaald te gebeuren, aldus artikel 23, door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden.

Het misdrijf bestaat derhalve uit de verstoring van de betrokken voetbalwedstrijd terwijl de aanzetting tot slagen en verwondingen, haat of woede dienen te worden beschouwd als het middel waardoor dergelijke verstoring dient te worden gepleegd teneinde aanleiding te kunnen geven tot de betrokken administratieve sancties.

Er dient te worden vastgesteld dat de voetbalwet noch enige andere wettelijke bepaling nader preciseert waaruit deze verstoring van een voetbalwedstrijd bestaat en vanaf welk ogenblik een voetbalwedstrijd als verstoord dient te worden beschouwd. Tevens geeft deze wettelijke bepaling evenmin nadere precisering omtrent wat dient te worden begrepen onder de aanzetting tot slagen en verwondingen, haat of woede.

De legaliteit van een strafbepaling vereist dat zij op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft.

Aan deze vereiste is voldaan wanneer het voor hem op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is op grond ervan de feiten en nalatigheden te kennen die een strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen, zelfs als de nadere omschrijving hiervan wordt overgelaten aan de rechter. Het is derhalve verboden voor de wetgever om een beroep te doen op begrippen die een te vage inhoud hebben om op voldoende wijze een strafrechtelijke inbreuk te omschrijven. Al te vage strafbaarstellingen staan niet in een redelijke verhouding tot het wettige doel om in te staan voor de bescherming van de sportmanifestaties, bedoeld door de Voetbalwet van 21 december 1998.

De strafbepaling op grond waarvan de betrokken sancties lastens eiser werden genomen voldoet naar het oordeel van eiser niet aan het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, en evenmin aan artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

De wet bepaalt immers vooreerst niet wat dient te worden begrepen onder een verstoring van het verloop van een nationale of van een internationale voetbalwedstrijd zodat het de rechter geenszins mogelijk is te achterhalen vanaf welk ogenblik en op grond van welke precieze aanwijzingen de beslissing dient te worden genomen dat een persoon het verloop van een voetbalwedstrijd zou hebben verstoord.

Evenmin is voldoende duidelijk omschreven waaruit het middel dient te bestaan waardoor de betrokken voetbalwedstrijd wordt verstoord. Het vereiste gedrag, om op grond van artikel 23 Voetbalwet beteugeld te worden, wordt immers omschreven als het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden.

Zoals in de ministeriële omzendbrief van 4 mei 1999 reeds werd opgemerkt is het bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk de juiste draagwijdte van deze bepaling te determineren. Er zijn immers omstandigheden waarbij sommige gedragingen zeer "warm" zijn en die liggen op de grens tussen provocatie en het zingen van clubliederen. In voormelde ministeriële omzendbrief wordt overigens gepreciseerd dat de beoordeling wordt overgelaten aan de politieambtenaar.

Hierdoor is het duidelijk dat de wetgever er niet in geslaagd is om op een voldoende precieze wijze de inbreuk te omschrijven, die strafbaar gesteld wordt in artikel 23 van de Voetbalwet. De omstandigheid dat enerzijds het begrip "verstoring" van een voetbalwedstrijd niet wordt gepreciseerd en dat anderzijds de middelen die daartoe worden gebruikt dermate vaag worden omschreven dat in de ministeriële omzendbrief onomwonden wordt gesteld dat de beoordeling wordt overgelaten aan de politieambtenaar, maken duidelijk dat artikel 23 Voetbalwet niet voldoet aan het legaliteitsbeginsel.

De appelrechter oordeelt dat voor iedere voetbalsupporter duidelijk is dat het bedoelde verloop van een voetbalwedstrijd zich niet beperkt tot het spelverloop zelf, zoals iedere voetbalsupporter ook de eerste is om zijn gedragingen binnen de gegeven context te kunnen inschatten als al of niet aanzettend tot slagen of verwondingen, haat of woede. Voorts oordeelt de appelrechter dat het steeds gaat om gedragingen die als zodanig juist niet te omvatten zijn door opsommingen.

De beoordeling door de appelrechter neemt evenwel niet weg dat artikel 23 Voetbalwet van 21 december 1998 dermate vaag en algemeen is opgesteld dat voormeld artikel geen basis kan bieden tot een bestraffing van eiser.

Dergelijke ruime delictsomschrijving ontzegt aan diegene die op grond van deze bepalingen worden vervolgd de waarborg dat niemand kan worden onderworpen aan een strafwet die niet voldoet aan de vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid, opdat eenieder op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.

De vaststelling van de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken houdt tevens de vaststelling in van een schending van het beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie, neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet. Hierdoor wordt immers een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven geroepen tussen de rechtsonderhorigen die vervolgd worden voor andere misdrijven en diegenen die vervolgd worden op grond van artikel 23 Voetbalwet van 21 december 1998, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door de Wet van 25 april 2007.

Nu de appelrechter de administratieve beslissing bevestigt waarbij aan eiser een administratieve geldboete van 300,00 euro en een stadionverbod van vijf maand werd opgelegd, is zijn beslissing niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel aangehaalde grondwettelijke en supranationale bepalingen).

Op grond van artikel 26 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof verzoekt eiser aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Schendt artikel 23 Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door artikel 27 Wet van 25 april 2007, de artikelen 12 en 14 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat de omschrijvingen ‘verstoring van het verloop van een nationale voetbalwedstrijd' en ‘aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede' geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud hebben om een misdrijf te kunnen definiëren en doordat op deze manier een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen de rechtsonderhorigen die vervolgd worden voor andere strafbare feiten en diegenen die vervolgd worden op grond van artikel 23 Voetbalwet van 21 december 1998, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door de Wet van 25 april 2007?"

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 23 Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing voor de wijziging van voormeld artikel door artikel 27 Wet van 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007, 3e uitgave).

Aangevochten beslissing

De appelrechter bevestigt integraal de administratieve beslissing van 18 juli 2007 van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, Veiligheids- en Preventiebeleid, Voetbalcel, uitgesproken door de Directeur-Generaal bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid waarbij aan de eiser een geldboete van 300,00 euro en een stadionverbod voor de duur van vijf maanden wordt opgelegd.

Met betrekking tot de aan de eiser ten laste gelegde inbreuk op artikel 23 van de Voetbalwet oordeelt de appelrechters als volgt:

"2. Inbreuk op artikel 23 Voetbalwet

Weliswaar is het mogelijk dat de gewraakte gedragingen van (de eiser) zich tot supporters van Club Brugge richtten.

Het opgestelde PV geeft echter ontegensprekelijk aan dat, zoals de verbalisant de visu kon vaststellen en waarvoor hij geen kennis nodig had van de Nederlandse taal, (de eiser) provocerend gedrag (roepen, vuist opsteken naar andere supporters, uitnodigen met de hand tot confrontatie, aanzetten tot een zelfde gedrag van andere supporters) vertoonde waardoor een gespannen situatie ontstond.

Vast staat dat (de eiser) hoe dan ook inbreuk kwam te plegen op artikel 23 Voetbalwet.

Artikel 23 Voetbalwet, zoals van toepassing ten tijde van de feiten, met name 16 februari 2007 luidde als volgt: "Eenieder die, alleen of in groep, door zijn gedrag het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoort door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden, kan één of meer sancties oplopen als bepaald in artikel 24".

Uit deze omschrijving volgt dat artikel 23 Wet van 21 december 1998 geen bestraffing toelaat louter op grond van de vaststelling dat een persoon provocerend gedrag heeft vertoond en hierbij zou aangezet hebben tot slagen en verwondingen, haat of woede. Vereist is als materieel bestanddeel dat het verloop van een nationale of internationale voetbalwedstrijd door dit gedrag werd verstoord.

De appelrechter aanvaardt dat het mogelijk is dat de gewraakte gedragingen van de eiser zich tot de supporters van Club Brugge richtten. De appelrechter stelt vervolgens vast dat het opgestelde proces-verbaal aangeeft dat eiser provocerend gedrag vertoonde waardoor een gespannen situatie ontstond. Dit provocerend gedrag wordt door de appelrechter in feite en derhalve onaantastbaar omschreven als "roepen, vuist opsteken naar andere supporters, uitnodigen met de hand tot confrontatie, aanzetten tot eenzelfde gedrag van andere supporters".

Op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt de appelrechter dat eiser een inbreuk heeft gepleegd op artikel 23 Voetbalwet van 21 december 1998.

De appelrechter heeft evenwel geenszins vastgesteld dat door dit gedrag ook werkelijk het verloop van de betrokken voetbalwedstrijd werd verstoord, zoals nochtans vereist door artikel 23 Voetbalwet.

Artikel 23 Voetbalwet, zoals van toepassing ten tijde van de feiten omschrijft immers het zogenaamde provocerende gedrag als het middel waardoor de betrokken inbreuk wordt gepleegd. Uit de toenmalige tekst van artikel 23 Voetbalwet volgt evenwel overduidelijk dat het materieel bestanddeel en het materieel gevolg van de betrokken gedraging een verstoring van het verloop van een voetbalwedstrijd moet zijn. Noch in de administratieve beslissing, noch door het vonnis van de appelrechter wordt vastgesteld dat door het gedrag van eiser het verloop van de betrokken voetbalwedstrijd werd verstoord. Nochtans heeft eiser in zijn regelmatig voor de appelrechters ingediende conclusie uitdrukkelijk laten gelden dat geenszins bewezen werd dat eiser de voetbalwedstrijd heeft verstoord. Het spel werd niet stilgelegd en er kwamen geen opmerkingen van de officials of andere supporters.

De omstandigheid dat in de actuele versie van artikel 23 Voetbalwet de verstoring van het verloop van een voetbalwedstrijd niet meer als constitutief element wordt aangegeven belet niet dat in onderhavige zaak en gelet op de datum van de feiten eiser slechts kon veroordeeld worden na de ondubbelzinnige vaststelling in feite dat het verloop van de betrokken voetbalwedstrijd werd verstoord. Nu zulks niet wordt vastgesteld noch in de eerste administratieve beslissing, noch door de appelrechter is de bestreden beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de in het middel aangehaalde wetsbepaling).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Bij arrest nr. 140/2010 van 16 december 2010 van het Grondwettelijk Hof is beslist dat artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing voor de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met artikel 7 EVRM, niet schendt.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

2. Artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door artikel 27 van de wet van 25 april 2007, bepaalt: "Eenieder die, alleen of in groep, door zijn gedrag het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoort door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden, kan één of meer sancties oplopen als bepaald in artikel 24".

Voor die inbreuk is niet vereist dat omwille van het bedoelde gedrag het spel zelf moet worden stilgelegd, maar volstaat het dat dit gedrag het verloop van de wedstrijd, waartoe ook de beleving van de toeschouwers behoort, op enige wijze hindert.

3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat slechts sprake kan zijn van verstoring van het verloop van de voetbalwedstrijd indien het spel werd stilgelegd of er opmerkingen kwamen van de officials of andere supporters, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. Het vonnis oordeelt dat het bedoelde verloop van een nationale of internationale voetbalwedstrijd zich niet beperkt tot het spelverloop zelf en stelt vast dat de eiser provocerend gedrag vertoonde waardoor een gespannen situatie ontstond. Aldus stelt het vast dat het gedrag van de eiser de beleving van de toeschouwers heeft gehinderd en zodoende het verloop van de wedstrijd heeft verstoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 620,21 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 21 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Voetbalwet

  • Veiligheid bij voetbalwedstrijden

  • Het door zijn gedrag verstoren van een wedstrijd