- Arrest van 22 februari 2011

22/02/2011 - P.10.1670.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, dat is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 16 januari 2009, en dat bepaalt dat de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie de zaak aan het openbaar ministerie kan overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle, is een wet van rechtspleging die, in samenhang met artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegdheid verleent om in het daarin bedoelde geval de controle uit te voeren over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, en die overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek van onmiddellijke toepassing is op de hangende rechtsgedingen (1). (1) Zie: Cass., 12 mei 2009, AR P.09.0568.N, A.C., 2009, nr. 313.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1670.N

A P, (alias Z G),

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recolettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 september 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 6 januari 2009.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 189ter, eerste en derde lid, en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart ten onrechte dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om met toepassing van de vermelde wetsartikelen uitspraak te doen; op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis van de correctionele rechtbank dat de zaak naar het openbaar ministerie verwijst om toepassing te maken van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, bestond het vierde lid van artikel 189ter van dat wetboek niet; bijgevolg had de kamer van inbeschuldigingstelling geen bevoegdheid om met toepassing van artikel 235ter voornoemd uitspraak te doen.

2. Bij vonnis van 28 mei 2008 stelt de correctionele rechtbank te Gent vast dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak gedaan heeft over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie uitgevoerd op grond van de schriftelijke bevestiging van de verleende machtiging van 23 maart 2004. Het zendt overeenkomstig artikel 189ter, eerste en derde lid, de zaak over naar het openbaar ministerie teneinde de kamer van inbeschuldigingstelling te vorderen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie uit te voeren zoals omschreven in de schriftelijke beslissing van de onderzoeksrechter ter bevestiging van de verleende machtiging en in de verlenging ervan op 7 juni 2004.

3. Artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, dat is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 16 januari 2009, bepaalt dat de feitenrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie kan overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle.

4. Deze wetsbepaling is een wet van rechtspleging die, in samenhang met artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegdheid verleent om in het daarin bedoelde geval de controle uit te voeren over de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie. Overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek is die bepaling van onmiddellijke toepassing op de hangende rechtsgedingen.

5. Ingevolge het arrest van het Hof van 6 januari 2009 en de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling, was de zaak bij deze rechtsgeldig aanhangig. Overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek, was op het ogenblik van de uitspraak artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering op het geschil van toepassing en verleende bijgevolg bevoegdheid aan de kamer van inbeschuldigingstelling om overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de controle over de uitgevoerde bijzondere opsporingsmethode observatie uit te voeren.

Het middel kan niet aangenomen worden.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 2, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat de zaak op regelmatige wijze overeenkomstig artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt werd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het vonnis van de correctionele rechtbank van 28 mei 2008.

7. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt ook dat de zaak ingevolge de verwijzing door het arrest van het Hof van 6 januari 2009 voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt is en dat deze bijgevolg bevoegd is om overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, over de zaak uitspraak te doen. Die zelfstandige redenen dragen de beslissing.

Het middel is gericht tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 235,82 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 22 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Onderzoek in strafzaken

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden

  • Wet van 16 januari 2009

  • Aard