- Arrest van 22 februari 2011

22/02/2011 - P.10.1754.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 46quinquies, §1, eerste lid, en 46quinquies, §3, Wetboek van Strafvordering volgt dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging tot een inkijkoperatie voor een private plaats dient vast te stellen dat op het ogenblik van die machtiging er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in artikel 90ter, §2 en §4, Wetboek van Strafvordering, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek; niet vereist is dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging vermeldt welke die ernstige aanwijzingen concreet zijn of de precieze aanwijzingen vermeldt op basis waarvan hij vermoedt dat zich op die plaats zaken bedoeld in §2, 1°, van dit artikel bevinden, dat er bewijzen van kunnen worden verzameld of dat ze gebruikt wordt door personen op wie een verdenking rust.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1754.N

M. A.,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Mounir Souidi en mr. Frederic Lenders, advocaten bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 oktober 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 46quinquies, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest onderzoekt niet of de machtiging van de procureur des Konings tot een inkijkoperatie voor een private plaats de vereiste ernstige en precieze aanwijzingen vermeldt, maar stelt zich in diens plaats door a posteriori doorheen het strafdossier zelf op zoek te gaan naar de ernstige en precieze aanwijzingen; de ernstige aanwijzingen voor strafbare feiten bedoeld door artikel 90ter, § 2 en § 4, Wetboek van Strafvordering of in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek, moeten in de machtiging tot inkijkoperatie zelf worden vermeld.

2. Artikel 46quinquies, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de politiediensten kan machtigen om te allen tijde, buiten medeweten van de eigenaar of van zijn rechthebbenden, of zonder hun toestemming, een private plaats te betreden, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in artikel 90ter, § 2 en § 4, Wetboek van Strafvordering, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek, en de overige middelen niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

Artikel 46quinquies, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings enkel kan beslissen tot een inkijkoperatie ten aanzien van plaatsen waarvan men op basis van precieze aanwijzingen vermoedt dat er zich zaken bedoeld in § 2, 1°, van dit artikel bevinden, dat er bewijzen van kunnen worden verzameld of dat ze gebruikt worden door personen op wie een verdenking rust.

3. Uit die bepalingen volgt dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging tot een inkijkoperatie voor een private plaats dient vast te stellen dat op het ogenblik van die machtiging er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in artikel 90ter, § 2 en § 4, Wetboek van Strafvordering, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek.

Niet is vereist dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging vermeldt welke die ernstige aanwijzingen concreet zijn of de precieze aanwijzingen vermeldt op basis waarvan hij vermoedt dat zich op die plaats zaken bedoeld in § 2, 1°, van dit artikel bevinden, dat er bewijzen van kunnen worden verzameld of dat ze gebruikt wordt door personen op wie een verdenking rust.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 46quinquies, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering: in de machtiging tot inkijkoperatie is geen enkele concrete motivering vermeld met betrekking tot de precieze aanwijzingen van strafbare feiten.

5. In zoverre het onderdeel de machtiging tot inkijkoperatie bekritiseert en dus niet is gericht tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

6. Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid uit de tevergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde schending en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 46quinquies, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist ten onrechte dat een machtiging tot inkijkoperatie voldoende met redenen is omkleed met de stijlformule dat andere middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

8. Volgens artikel 46quinquies, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de procureur des Konings bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de politiediensten machtigen om te allen tijde, buiten medeweten van de eigenaar of van zijn rechthebbenden, of zonder hun toestemming, een private plaats te betreden, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in artikel 90ter, § 2 en § 4, Wetboek van Strafvordering, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek, en de overige middelen niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

9. Uit die bepaling volgt dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging dient vast te stellen dat op het ogenblik van die machtiging andere middelen dan de machtiging tot inkijkoperatie niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te leggen.

Niet is vereist dat de procureur des Konings in de schriftelijke machtiging vermeldt waarom de inkijkoperatie concreet onontbeerlijk is.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 22 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Opsporingsonderzoek

  • Inkijkoperatie

  • Machtiging van de procureur des Konings

  • Voorwaarden