- Arrest van 22 februari 2011

22/02/2011 - P.11.0225.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 31 Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing op het cassatieberoep tegen een beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het beroep van een vreemdeling tegen de te zijnen aanzien met toepassing van de Vreemdelingenwet genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving, zodat de afstand van het cassatieberoep, die uitgaat van een andere rechtsopvatting, op dwaling berust en niet kan worden verleend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0225.N

O. J., alias W. J.,

vreemdelinge, aangehouden,

eiseres,

met als raadsman mr. Zouhaier Chihaoui, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 51, voor wie optreedt de fod Binnenlandse Zaken, dienst vreemdelingenzaken, met kantoor te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59 b,

ambtshalve tussenkomende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 januari 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Zij doet ook afstand van het cassatieberoep.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

1. De afstand gaat volledig uit van de onjuiste rechtsopvatting dat artikel 31 Voorlopige Hechteniswet van toepassing is op het cassatieberoep tegen een beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het beroep van een vreemdeling tegen de te zijnen aanzien met toepassing van de Vreemdelingenwet genomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving, en de vrijheidsberoving van de eiseres daardoor sinds 5 februari 2011 onwettig is.

De afstand die op dwaling berust, kan niet worden verleend.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 71, eerste en derde lid, Vreemdelingenwet: de kamer van inbeschuldigingstelling kon zich niet eerder uitspreken over de wettigheid van de beslissing tot verlenging van de opsluiting van 24 december 2010, zodat het arrest het tweede verzoekschrift tot invrijheidstelling, ingediend op 3 januari 2011 en waarin de eiseres de wettigheid van de verlenging aanvocht, onterecht niet-ontvankelijk verklaart omdat het is ingediend minder dan een maand nadat het eerste verzoekschrift tot invrijheidstelling bij arrest van 30 december 2010 ongegrond werd verklaard.

3. Wanneer het onderzoeksgerecht kennis neemt van het beroep dat de vreemdeling krachtens artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet heeft ingesteld tegen een vrijheidsberovende maatregel, op een ogenblik dat de geldigheidsduur van die maatregel reeds is verstreken maar er een beslissing tot verlenging is genomen, dient het bij de beoordeling van de wettigheid van de opsluiting, de regelmatigheid na te gaan van de beslissing tot verlenging. Het onderzoeksgerecht kan in dat geval de vrijheidsberoving immers niet handhaven tenzij de beslissing tot verlenging wettig is.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Een verzoek tot invrijheidstelling kan overeenkomstig artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet pas om de maand worden ingediend. Deze bepaling strekt ertoe te vermijden dat de vrijheidsberoving van de vreemdeling voortdurend aan de beoordeling van de onderzoeksgerechten wordt onderworpen. Hieruit volgt dat deze termijn van een maand dient gerekend te worden vanaf de laatste beschikking of arrest van het onderzoeksgerecht tot handhaving van de vrijheidsberoving.

5. Het arrest stelt vast dat de eiseres op 8 december 2010 een eerste verzoekschrift tot invrijheidstelling heeft ingediend dat ongegrond werd verklaard bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 30 december 2010. Het stelt verder vast dat uit het arrest van 30 december 2010 duidelijk blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geoordeeld dat de maatregelen van vrijheidsberoving en tot verwijdering van het grondgebied van 26 oktober 2010 en de verlenging van 24 december 2010 overeenkomstig de wet zijn genomen.

Het arrest oordeelt op grond van die vaststellingen naar recht dat het tweede verzoekschrift tot invrijheidstelling, ingediend op 3 januari 2011 en gericht tegen de op 24 december 2010 genomen maatregel van verlenging van opsluiting, niet ontvankelijk is omdat de eiseres dergelijk verzoekschrift krachtens artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet slechts om de maand kan indienen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,12 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 22 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Vreemdelingenwet

  • Vrijheidsberovende maatregel

  • Verzoek tot invrijheidstelling

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest

  • Cassatieberoep

  • Afstand van cassatieberoep

  • Afstand die op dwaling berust