- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - C.09.0092.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest, dat erop wijst dat de overeenkomst volgens de eiser niet voldoet aan de essentiële verplichtingen, met name de vermelding van de beheersdoelstelling van de cliënt, en dat hij de bank verwijt dat de overeenkomst, onder de titel 'Beheersdoelstelling van de cliënt' slechts 'aandelen' vermeldt, zonder meer, en vervolgens beslist dat er geen enkele wettelijke omschrijving bestaat van het begrip doelstelling van de cliënt en dat het gaat om de keuze van de cliënt betreffende het risico dat hij bereid is te nemen, miskent het onderscheid tussen de begrippen 'doelstelling van de cliënt' en 'financieel risico'.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0092.F

D. A.,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ING BELGIË, naamloze vennootschap,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 september 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende drie middelen aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 8, § 1, en 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies;

- artikel 36 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggings-adviseurs.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, verwerpt de rechtsvordering van de eiser om de volgende redenen:

"Krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, moeten de doelstellingen van de cliënt verplicht vermeld worden in de overeenkomst die de beheerder met de cliënt moet sluiten;

Artikel 19 van datzelfde koninklijk besluit bepaalt dat de banken hun cliënten moeten vragen naar hun doelstellingen wat betreft de gevraagde diensten;

Artikel 36, § 1, 4°, van de wet van 6 april 1995 bepaalt dat de banken op passende wijze alle dienstige informatie dienen in te winnen betreffende de beleggingsobjectieven die redelijkerwijze relevant zijn om hun verplichtingen ten aanzien van hun cliënten in verband met de gevraagde diensten optimaal te behartigen;

Geen enkele wet omschrijft het begrip "doelstelling van de cliënt";

Het gaat om de keuze van de cliënt betreffende het risico dat hij bereid is te nemen [...];

[De eiser] werd duidelijk geïnformeerd van het feit dat elke investering in roerende goederen een inherent risico bevat (artikel 4 van de overeenkomst);

Hij beschikte over drie mogelijkheden, ongeacht de keuze die hij maakte:

maximum rendement;

rendement + meerwaarde van de belegging;

meerwaarde van de belegging;

Door geen van die mogelijkheden te kiezen, gaf hij dus aan dat hij een andere doel nastreefde;

[De eiser] heeft beslist om zijn portefeuille uitsluitend uit 'aandelen' samen te stellen en geen gemengde samenstelling 'aandelen + obligaties' te kiezen, zoals deze - in wisselende verhoudingen - is voorzien in de andere opties;

Door zijn portefeuille uitsluitend uit aandelen samen te stellen, diende de eiser wel te beseffen dat hij koos voor een veel riskantere - zelfs speculatieve - belegging;

Aandelen zijn in wezen risicokapitaal;

Hij heeft zijn doelstelling aldus uitdrukkelijk omschreven. Die vermelding werd trouwens om die reden ingevoegd in artikel 2 betreffende de beheersdoelstellingen en het soort beheer".

Grieven

Eerste onderdeel

Om regelmatig met redenen te zijn omkleed in de zin van artikel 149 van de Grondwet, moet de beslissing van de feitenrechter antwoorden op de conclusies van de partijen.

De eiser betoogde in zijn aanvullende conclusie en in zijn samenvattende conclusie in hoger beroep "dat de door de verweerster opgestelde overeenkomst van 14 maart 2000 klaarblijkelijk niet voldoet aan de - nochtans essentiële - verplichting om in een schriftelijke overeenkomst de beheersdoelstellingen van de cliënt vast te leggen;

Die overeenkomst vermeldt immers onder de titel ‘Beheersdoelstellingen van de cliënt' slechts het woord ‘aandelen', zonder verdere toelichting. Hieruit niet kan worden opgemaakt welk doel de eiser nastreefde en evenmin, bijgevolg, welk risico hij in ruil daarvoor bereid was te nemen of welke de grenzen van zijn lastgeving aan de bank waren;

Daar de doelstellingen van de eiser niet waren gepreciseerd, had de verweerster vrij spel en kon zij de portefeuille van de eiser naar eigen goeddunken beheren, zonder rekening te houden met de wensen die hij kenbaar had gemaakt en die bestonden in de aankoop van niet-speculatieve, 'goede huisvader'-aandelen die uitgegeven werden door hoog aangeschreven vennootschappen, om zodoende een rendement van 8 à 9 pct. per jaar te behalen;

Die wil om het genomen risico te beperken verklaart bovendien waarom de eiser de beheerder verboden had opties aan te kopen en te verkopen, daar deze beleggingsinstrumenten zeer speculatief zijn [...];

De eiser wou zijn kapitaal laten opbrengen door zijn geld op een veilige manier en op lange termijn te beleggen, wat ook verklaart waarom hij de dividenden heeft laten kapitaliseren in plaats van ze te innen;

De verweerster prijst haar diensten als vermogensbeheerder aan door erop te wijzen dat ‘elke cliënt uniek is. Daarom zal u al tijdens uw eerste onderhoud met uw beleggingsadviseur uw risicoprofiel bepalen. Dat profiel is het resultaat van een grondige analyse van verschillende persoonlijke factoren: uw leeftijd, de duur van de investering, het te beheren bedrag, uw gezinstoestand, uw financiële ervaring, het beoogde rendement, uw houding tegenover het risico en uw behoefte aan cash geld... allemaal belangrijke elementen die in aanmerking moeten worden genomen. Op basis van deze analyse zal uw persoonlijke bankier u een risicoprofiel voorstellen dat beantwoordt aan uw persoonlijkheid en aan uw verwachtingen'; van die zogenaamde ‘grondige analyse' viel er in werkelijkheid niets te bespeuren;

De vermelding volgens welke de eiser de bank machtigde om te beleggen in aandelen, diende in werkelijkheid alleen maar om te voldoen aan de reglementaire verplichting, die erin bestond in de overeenkomst melding te maken van de beleggingsinstrumenten waarop het beheer betrekking had (artikel 8, § 1, 3°), met uitsluiting van de beoogde doelstelling; de beursaandelen vormen met andere woorden een instrument (of een middel) om een doel te bereiken maar vallen dus niet met dat doel samen;

Het beroepen vonnis heeft terecht beslist dat ‘de overeenkomst namelijk geen enkele vermelding bevat over, bijvoorbeeld, de samenstelling van de portefeuille, de beleggingshorizon (korte, middellange of lange termijn), het beoogde rendement, enz. ; hoewel aandelen van nature financiële instrumenten zijn die, méér dan obligaties, aan schommelingen onderhevig zijn, kan dat kenmerk op zich niet volstaan om daarmee het doel te omschrijven dat een investeerder nastreeft wanneer hij voor een portefeuille van uitsluitend aandelen kiest'".

De eiser betoogde aldus op omstandige wijze dat de overeenkomst voor vermogensbeheer, om geldig te zijn, overeenkomstig artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 de doelstellingen van de cliënt moest omschrijven en dat de verwijzing naar beleggingen die uitsluitend uit aandelen bestaan, op zich niet aan die eis voldeed, aangezien die vermelding die was welke bedoeld wordt in artikel 8, § 1, 3°, van het in het middel bedoelde koninklijk besluit van 5 augustus 1991 ("beleggingsinstrumenten").

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en verwerpt de rechtsvordering van de eiser zonder op die conclusie te antwoorden, en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

Artikel 8, § 1, van het in het middel bedoelde koninklijk besluit van 5 augustus 1991 bepaalt dat de beheersovereenkomst de volgende zaken moet vermelden :

"1° het onderwerp van de overeenkomst;

2° de doelstelling van de cliënt inzake het beheer overeenkomstig artikel 19;

3° het soort toegelaten verrichtingen, met vermelding op welke markten en op welke beleggingsinstrumenten zij betrekking hebben ;

4° het aanvaarde financiële risico en, in voorkomend geval, de limieten inzake verliezen waarbij de cliënt dient te worden ingelicht".

In tegenstelling tot wat het arrest beweert, komt het begrip "doelstelling van de cliënt" in de zin van artikel 8, § 1, 2°, van het in het middel bedoelde koninklijk besluit van 5 augustus 1991, niet overeen met "de keuze van de cliënt betreffende het risico dat hij bereid is te nemen".

Artikel 8 van het koninklijk besluit maakt een duidelijk onderscheid tussen die twee begrippen, te weten de doelstelling van de cliënt (§ 1, 2°) en het financiële risico (§ 1, 4°), die beide, op straffe van nietigheid, uitdrukkelijk in de beheersovereenkomst vermeld moeten worden.

Het arrest, dat beslist dat de tussen de partijen gesloten overeenkomst van vermogensbeheer geldig was, alleen al omdat zij melding maakte van een belegging in aandelen, die overeenkwam met het aanvaarde financiële risico, en beslist dat de doelstelling van de cliënt zodoende was omschreven, verwart die twee begrippen en schendt alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

Derde onderdeel

Artikel 8, § 1, van het in het middel bedoelde koninklijk besluit van 5 augustus 1991 bepaalt dat de beheersovereenkomst de volgende zaken moet vermelden:

"1° het onderwerp van de overeenkomst;

2° de doelstelling van de cliënt inzake het beheer overeenkomstig artikel 19;

3° het soort toegelaten verrichtingen, met vermelding op welke markten en op welke beleggingsinstrumenten zij betrekking hebben;

4° het aanvaarde financiële risico en, in voorkomend geval, de limieten inzake verliezen waarbij de cliënt dient te worden ingelicht".

De vermelding "aandelen" in de tussen de partijen gesloten overeenkomst komt in werkelijkheid niet overeen met het financiële risico en evenmin met de doelstelling van de cliënt, maar met de vermelding die vereist wordt in punt 3° van het hierboven weergegeven artikel 8, § 1, te weten "de beleggingsinstrumenten" waarop de verrichtingen betrekking kunnen hebben.

Het arrest, dat beslist dat de tussen de partijen gesloten overeenkomst van vermogensbeheer geldig was, alleen al omdat zij melding maakte van een belegging in aandelen, terwijl die vermelding niet voldeed aan de vereisten van artikel 8, § 1, 2°, en evenmin aan die van artikel 8, § 1, 4°, en die overeenkomst de hiertoe vereiste inlichtingen niet bevatte, schendt alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

Het door de verweerster tegen het onderdeel aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang:

Gelet op de door de eiser opgeworpen betwisting die door de in dat onderdeel bekritiseerde redenen wordt beslecht, volstaat de vaststelling van het arrest, volgens welke "de litigieuze overeenkomst ... vermeldt dat de bank de cliënt gevraagd heeft haar alle dienstige inlichtingen betreffende [...] zijn doelstellingen inzake de aan de bank gevraagde diensten te verstrekken", op zich niet om de bestreden beslissing te verantwoorden.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en het beleggingsadvies, dienen de vennootschappen voor vermogensbeheer en de vennootschappen voor beleggingsadvies, vooraleer een overeenkomst van vermogensbeheer of beleggingsadvies te sluiten, aan hun cliënten de nodige toelichting te vragen over hun doelstellingen wat betreft de gevraagde diensten.

Artikel 8, § 1, van dat koninklijk besluit bepaalt dat vennootschappen voor vermogensbeheer geen diensten van vermogensbeheer aan een cliënt mogen verlenen alvorens met hem een schriftelijke overeenkomst te hebben gesloten, inzonderheid over: 2° de doelstelling van de cliënt inzake het beheer overeenkomstig artikel 19 en 4° het aanvaarde financiële risico en, in voorkomend geval, de limieten inzake verliezen waarbij de cliënt dient te worden ingelicht.

Het arrest stelt vast dat "de eiser met de naamloze vennootschap BBL op 14 maart 2000 [...] een overeenkomst van vermogensbeheer sluit", waarvan artikel 2, met de titel "Beheersdoelstellingen van de cliënt", vermeldt dat "de cliënt het volgende soort beheer verlangt : IV Andere : aandelen", en waarvan artikel 4, met de titel "Aanvaard financieel risico", erop wijst dat "de cliënt akkoord gaat met het risico dat eigen is aan elke roerende belegging, binnen het kader bepaald in de artikelen 2 en 3 en het standaardformulier".

Het arrest wijst erop dat "de overeenkomst van 14 maart 2000 volgens de eiser niet voldoet aan de essentiële verplichtingen, zoals de vermelding van de beheersdoelstellingen van de cliënt" en dat "hij de verweerster verwijt dat de overeenkomst onder de titel ‘Beheersdoelstellingen van de cliënt' slechts ‘aandelen', zonder verdere toelichting, vermeldt".

Het arrest beslist dat "geen enkele wet het begrip ‘doelstelling van de cliënt' omschrijft" en dat "het gaat om de keuze van de cliënt betreffende het risico dat hij bereid is te nemen".

Het arrest miskent aldus het onderscheid dat het voormelde koninklijk besluit maakt tussen de begrippen "doelstelling van de cliënt" en "financieel risico" en schendt bijgevolg artikel 8, § 1, van dat besluit.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen van het middel en van de andere middelen, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overeenkomst van vermogensbeheer

  • Voorafgaande voorwaarde

  • Schriftelijke overeenkomst

  • Doelstelling van de cliënt

  • Aanvaard financieel risico