- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - C.10.0283.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De waarde van de voorwerpen die aanvankelijk behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen en die op het ogenblik van de verdeling, ingevolge de ontbinding van dat stelsel, afhangen van de tussen de gewezen echtgenoten ontstane onverdeeldheid, moet worden bepaald op het ogenblik van de verdeling (1). (1) Cass., 12 sept. 2008, AR C.07.0394.N, A.C., 2008, nr. 468.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0283.F

P. G.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1432 en 1435 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest "beslist dat (de eiser), voor zijn eigen pand, een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen is verschuldigd, maar houdt de uitspraak over het bedrag van die vergoeding aan en beveelt wat dat betreft de heropening van het debat", hoewel het reeds beslist heeft dat "Volgens artikel 1435 in onderhavig geval de waarde van het goed of de waardevermeerdering in aanmerking moet worden genomen" en dat "er rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed op de datum van het verzoek tot echtscheiding", om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en, inzonderheid, om de volgende redenen:

"Het recht op vergoeding kan door alle middelen worden bewezen (artikel 1436, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Om aan te tonen dat er aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding is verschuldigd wegens verrijking van het eigen vermogen, moet de echtgenoot alleen bewijzen dat het eigen vermogen van zijn echtgenoot is toegenomen. De goederen die tot de verrijking hebben bijgedragen, worden immers geacht gemeenschappelijk te zijn.

(De eiser) gaat op 3 januari 1978, dat wil zeggen vóór zijn huwelijk, een hypothecaire lening aan voor een bedrag van 1.288.440 frank, met de bedoeling een onroerend goed te kopen ter waarde van 1.450.000 frank, dat dus zijn eigen goed is, en het in te richten. Vanaf de tweede kwartaalaflossing wordt de lening door de gemeenschap afbetaald. De twee partijen gaan op 21 oktober 1988 bij de ASLK een nieuwe lening aan voor een bedrag van 890.000 frank, met een looptijd van vijftien jaar, om de eerste lening af te betalen. Op 26 oktober 1992 moest van die lening nog 733.401 frank afbetaald worden.

De aangestelde notaris meent dat er daarom vergoeding verschuldigd is, met het oog, enerzijds, op de terugbetaling van de hoofdsom van de leningen - de interesten op de lening maken deel uit van de lasten van het huwelijk - en, anderzijds, op de waardevermeerdering die het pand verkregen heeft.

(De eiser) meent dat het gemeenschappelijk vermogen niet is verarmd, aangezien de voor het pand ontvangen huur de gemeenschap ten goede is gekomen, doordat enerzijds, het pand als echtelijke woonplaats heeft gediend en er, anderzijds, voor de verhuurde appartementen huur is ontvangen.

Artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoot die, voor zijn eigen vermogen, uit het gemeenschappelijk vermogen persoonlijk voordeel heeft getrokken, een vergoeding verschuldigd is. Artikel 1435 bepaalt de wijze waarop die vergoeding berekend wordt : zij mag niet lager zijn dan de verarming van het gemeenschappelijk vermogen. Als de bedragen echter gediend hebben om er een goed mee te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, dan is de vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed.

(...) Wat is het bedrag van de vergoeding?

Krachtens de hierboven uiteengezette beginselen kan niet worden betwist dat het minimumbedrag van de vergoeding gelijk is aan de verarming van de gemeenschap en bestaat in de afbetaling van de hoofdsom van de leningen die zijn aangegaan om het pand (van de eiser) te kopen en te vernieuwen. Volgens de - niet betwiste - berekeningen van de notaris gaat het om 12.217,14 euro.

Dit is evenwel slechts een minimumbedrag aangezien artikel 1435 bepaalt dat er in dit geval rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering ervan.

Te dezen moet rekening gehouden worden met de waarde van het goed op de datum van het verzoek tot echtscheiding, daar de verarming van het gemeenschappelijk vermogen voortvloeit uit de aankoop en de vernieuwing van dat goed. De partijen betwisten niet dat het goed werd voorzien van een nieuwe ingerichte keuken, een nieuwe badkamer, vernieuwde ramen en een vernieuwd dak.

Bij de berekening van de waarde van het pand moet rekening worden gehouden met de geldontwaarding, aangezien niet kan worden betwist dat, indien de gemeenschap het geld had opgespaard en het niet in het eigen pand (van de eiser) had geïnvesteerd, dat spaargeld in 1992 eveneens die ontwaarding had ondergaan.

Bij de berekening van de waarde van het pand in oktober 1992 moet rekening worden gehouden met de eigen middelen die (de eiser) heeft besteed aan de aankoop van het pand (4.004,97 euro) en met het op 26 oktober 1992 nog terug te betalen bedrag (733.401 frank of 18.180,53 euro).

De terugbetaling van de lening en de waarde van het pand mogen echter niet worden samengeteld onder aftrek van de eigen inbreng (van de eiser), maar van de twee bedragen moet het hoogste in aanmerking worden genomen".

Grieven

Luidens artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1435 van datzelfde wetboek is de vergoeding in beginsel nominaal, dat wil zeggen dat het bedrag van de vergoeding overeenkomt met de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. De vergoeding kan, bij wijze van uitzondering, gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van het goed op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel, maar alleen ingeval de bedragen en de geldsommen die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn terechtgekomen, gediend hebben om dat goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren.

De terugbetaling, in de loop van het huwelijk, van een eigen hypothecaire lening door middel van gemeenschappelijk geld, komt niet overeen met het gemeenschappelijke geld dat in het eigen vermogen van een van de echtgenoten is gevallen om er een eigen goed mee aan te kopen, in stand te houden of te verbeteren. Het komt niet overeen met de aankoop van een goed maar met de betaling van een schuld, aangezien er geen enkel rechtstreeks verband bestaat tussen de verarming en de aankoop van het goed of de in dat goed verrichte werkzaamheden die zijn betaald met de hoofdsom van de lening. De vergoeding die de eiser aan het gemeenschappelijk vermogen is verschuldigd, moest dus berekend worden op grond van het nominale bedrag van de verarming van dat vermogen.

Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de eiser "op 3 januari 1978, dat wil zeggen vóór zijn huwelijk, een hypothecaire lening is aangegaan voor een bedrag van 1.288.440 frank, met de bedoeling een onroerend goed te kopen ter waarde van 1.450.000 frank, dat dus zijn eigen goed is, en het in te richten, dat de lening vanaf de tweede kwartaalaflossing door de gemeenschap wordt afbetaald, dat de twee partijen op 21 oktober 1988 bij de ASLK een nieuwe lening aangaan voor een bedrag van 890.000 frank, met een looptijd van vijftien jaar, om de eerste lening af te betalen", en dat "de verarming van de gemeenschap (die) bestaat in de afbetaling van de hoofdsom van de leningen die zijn aangegaan om het pand (van de eiser) te kopen en te vernieuwen" door notaris J. werd begroot op 12.217,14 euro, weigert vervolgens om zich te houden aan de bedragen die de eiser uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om er een eigen schuld mee te betalen, in de zin van artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek, maar beslist dat "er rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering ervan", en past vervolgens de in artikel 1435 Burgerlijk Wetboek vervatte regel van herschatting toe op een situatie waarop dat artikel niet van toepassing is. Het arrest schendt bijgevolg die bepalingen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 826, 827, 831, 832, 833, 890, 1445 en 1675 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist, wat betreft het meubilair, dat "aangezien beide partijen erop wijzen dat er geen meubilair meer is en elke verdeling in natura thans dus uitgesloten is, de notaris rekening zal houden met de roerende goederen en de waarde daarvan, zoals die blijkt uit zijn eigen akte van 24 februari 1993" en dat, "wat betreft de voertuigen, elke partij er één heeft en dat de waarde ervan moet worden berekend met inachtneming van de waarde die ze hadden op de datum van het verzoek tot echtscheiding, met dien verstande dat daarnaast ook rekening moet worden gehouden met een vergoeding voor genotsderving tot de verdeling - een vergoeding waarvan de partijen geen melding maken".

Grieven

Het wezenlijke kenmerk van de verdeling is dat zij in natura geschiedt en op grond van de restwaarde van de goederen op het tijdstip van de verdeling. Dat beginsel waarbij de verdeling bij voorrang in natura plaatsvindt, blijkt niet alleen uit de artikelen 826, 827, 831, 832 en 833 van het Burgerlijk Wetboek, maar ook uit artikel 1445 van dat wetboek, volgens hetwelk het nettobedrag van het batig saldo dat na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel overblijft, bij helften wordt verdeeld, en uit de artikelen 890 en 1675 van datzelfde wetboek, luidens welke de benadeling wordt vastgesteld door de waarde van de verdeelde goederen of van het verkochte onroerend goed te schatten volgens de waarde ervan op het ogenblik van de verdeling.

In zijn staat van vereffening nam notaris J. aan dat de waarde van het voertuig, die door elke partij aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd was, gelijk was aan de waarde van het voertuig dat beide echtgenoten op het ogenblik van de scheiding hadden teruggenomen, met name, voor de eiser, een Audi break met een geschatte waarde van 7.436,80 euro en, voor de verweerster, een Ford met een geschatte waarde van 1.239,46 euro.

De eiser betoogde in zijn aanvullende conclusie in hoger beroep dat "in elk geval niet de waarde telt die het voertuig in 1992 had, maar wel de waarde ervan op de vermoedelijke dag van de verdeling" en dat "dit voertuig in 2005 geen enkele handelswaarde meer zou hebben gehad".

Het bestreden arrest beslist dat rekening moet worden gehouden met de waarde van die voertuigen "op de datum van het verzoek tot echtscheiding", dat wil zeggen 26 oktober 1992, en niet op de datum van de verdeling. Met betrekking tot de andere roerende goederen die zijn opgenomen in de inventaris van 24 februari 1993 van notaris J., beslist het arrest insgelijks dat laatstgenoemde "rekening zal houden met (...) de waarde daarvan, zoals die blijkt uit zijn eigen akte van 24 februari 1993".

In zoverre het arrest beslist dat de waarde van de litigieuze roerende goederen, in het kader van de verdeling, geraamd zal worden met inachtneming van de datum van de ontbinding en niet met inachtneming van de datum van de verdeling, is het bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1432 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd is ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

De vergoeding mag overeenkomstig artikel 1435 van dat wetboek niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen ; indien de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend hebben om een goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip in het vergoedingsplichtige vermogen bevindt.

Indien een lening werd aangegaan om een eigen onroerend goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, leidt de afbetaling van die lening door het gemeenschappelijk vermogen krachtens het voormelde artikel 1435 tot een vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, daar het gemeenschappelijk vermogen rechtstreeks heeft bijgedragen tot het verkrijgen, het instandhouden of het verbeteren van het goed.

Het bestreden arrest stelt vast dat de eiser, vóór het huwelijk, een lening heeft aangegaan om een eigen onroerend goed te verkrijgen en te verbeteren, dat die lening vanaf de tweede kwartaalaflossing werd afbetaald door het gemeenschappelijk vermogen en dat de partijen daarna een nieuwe lening hebben aangegaan om de eerste terug te betalen, wat zij ook gedeeltelijk met gelden uit de gemeenschap hebben gedaan, alvorens te scheiden.

Het bestreden arrest, dat beslist dat er bij de berekening van de door de verschuldigde vergoeding "rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering" ervan, schendt de voormelde wetsbepalingen niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel van gemeenschap van goederen ontstaat er tussen de gewezen echtgenoten een onverdeeldheid waarop, in de regel, het gemeen recht van toepassing is.

Volgens artikel 577-2, § 2 en 8, van het Burgerlijk Wetboek, worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn en is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan regels die bepaald zijn in de titel "Erfenissen".

Artikel 890 van datzelfde wetboek bepaalt dat, om te beoordelen of er benadeling geweest is, de onverdeelde goederen worden geschat op hun waarde ten tijde van de verdeling.

De waarde van de voorwerpen, die oorspronkelijk tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden en die op het ogenblik van de verdeling afhingen van de onverdeeldheid die tussen de ex-echtgenoten was ontstaan door de ontbinding van het stelsel, moet bijgevolg worden bepaald op het tijdstip van de verdeling.

Het bestreden arrest, dat beslist dat de waarde van de voertuigen die deel hebben uitgemaakt van het gemeenschappelijk vermogen, in het kader van de verdeling, "berekend moet worden op de datum van het verzoek tot echtscheiding", schendt artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

De cassatie van het bestreden arrest leidt tot de vernietiging van het arrest van 30 juni 2009, in zoverre dat arrest de zaak naar de notaris-vereffenaar verwijst en over de kosten uitspraak doet, daar laatstgenoemd arrest, in die mate, voortvloeit uit het eerstgenoemde arrest.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat de waarde van de voertuigen die deel hebben uitgemaakt van het gemeenschappelijk vermogen, berekend moet worden op de datum van het verzoek tot echtscheiding.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Vernietigt het arrest van 30 juni 2009, in zoverre dat arrest de zaak naar de notaris-vereffenaar verwijst en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en van het gedeeltelijk nietig verklaarde arrest ;

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en houdt de andere helft aan tot de feitenrechter hierover uitspraak heeft gedaan ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen

  • Ontbinding

  • Ontstaan van onverdeeldheid

  • Bepaling van de waarde van de onverdeelde goederen

  • Tijdstip