- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - C.10.0322.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De echtgenoot van de gefailleerde die, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg hoofdelijk aansprakelijk is, wordt t.g.v. de verschoonbaarheid bevrijd van zijn schuldverplichting (1). (1) Zie andersl. concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0322.F

FORTIS BANK, nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

L. S.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het van toepassing was na de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005, die in werking is getreden op 21 februari 2005, en vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2008, die in werking is getreden op 28 augustus 2008, en, voor zover nodig, zoals dat artikel thans van toepassing is;

- de artikelen 1134, inzonderheid eerste lid, en 1135 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de overeenkomst de partijen strekt tot wet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijzigt het beroepen vonnis en verklaart verweersters aanvraag tot bevrijding ontvankelijk en gegrond en beslist dat de eiseres de terugbetaling van haar schuldvordering niet van de verweerster kan eisen, om de volgende redenen:

"De verweerster streeft ernaar haar pand veilig te stellen, dat bewoond wordt door haar moeder die er vruchtgebruik van heeft. Zij beroept zich op artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, luidens hetwelk de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting wordt bevrijd, en, subsidiair, op de artikelen 72bis en 80, derde lid, van dezelfde wet.

Luidens artikel 82, eerste lid, kan de verschoonde gefailleerde niet meer worden vervolgd door zijn schuldeisers. Zijn schuld is niet tenietgegaan, maar de schuldeisers kunnen tegen hem geen vordering meer instellen. De medeschuldenaars lopen echter wel nog het risico vervolgd te worden, net als de borgen, tenzij laatstgenoemden hun borgstelling kosteloos hebben verstrekt en hun verbintenis uiteindelijk niet in verhouding blijkt te staan tot hun vermogen en hun inkomsten.

De in het tweede lid van datzelfde artikel bedoelde bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde is voortaan van toepassing op het geheel van de schulden van de gefailleerde waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is, ongeacht of die schulden hun oorsprong vinden in de wet dan wel omdat hij zich uit eigen beweging daartoe verbonden heeft, hetzij als borg hetzij als hoofdelijke schuldenaar (P. Henfling en J. Willems, ‘Excusabilité du failli et décharge de la caution', in Droit de la faillite. Actualités, Jeune barreau de Liège, 2005, p. 48). Zowel in zijn hoedanigheid van borg als in zijn hoedanigheid van medeschuldenaar van de gefailleerde, geniet de echtgenoot tevens de verschoonbaarheid van de gefailleerde en wordt hij bevrijd van de verbintenissen die hij samen met of voor de gefailleerde heeft aangegaan (Derijke en T'Kint, La faillite, Rép. not., dl. XII, boek 12, p. 536, nr. 372 ; M. Lamesch, ‘L'excusabilité du débiteur failli, le sort des sûretés personnelles et de son conjoint. Dix ans d'évolution depuis l'adoption de la loi du 8 août 1997', R.G.D.C., 2007, p. 515, nrs. 108-110 ; Luik, 2 oktober 2008, A.R. 2007/1592).

De echtgenoot wordt geheel bevrijd, daar de wet geen enkele uitzondering bepaalt, noch ingeval de schuld ook een eigen schuld van de echtgenoot van de gefailleerde is, noch ingeval de schuld niet strikt voor de uitoefening van het beroep werd aangegaan (Bergen, 21 februari 2008, J.L.M.B., 2008, 1241).

De commentatoren wijzen er weliswaar op dat, wanneer de echtgenoot bevrijd wordt doordat de gefailleerde verschoonbaarheid geniet, het faillissement voor hemzelf een buitenkans is aangezien hij aldus van zijn eigen schulden bevrijd kan worden (C. Biquet-Mathieu et S. Notarnicola, La protection des sûretés personnelles dites faibles. Le point après la loi du 3 juin 2007 sur le cautionnement à titre gratuit, CUP, vol. 100, p. 85, nr. 73). Bij gebrek aan enig onderscheid zou artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet evenwel onjuist worden toegepast indien de echtgenoot de bevrijding ontzegd zou worden, op grond dat de litigieuze schuld vóór de aanvang van de beroepsactiviteit of ook door hem werd gemaakt.

De verweerster wordt, in haar hoedanigheid van echtgenoot van de verschoonde gefailleerde, van diens verplichtingen bevrijd en de eiseres kan haar niet meer vervolgen. De hypothecaire waarborg kan bijgevolg niet worden uitgevoerd.

De situatie van de verweerster, die een hypotheek op een eigen goed heeft toegestaan, kan niet gelijkgesteld worden met die van een derde hypotheekgever. Het staat weliswaar vast dat de derde hypotheekgever geen aanspraak kan maken op de bevrijding die artikel 80, derde lid, van de Faillissementswet toekent aan de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk borg heeft gesteld voor de gefailleerde, daar hij geen persoonlijke zekerheid heeft verstrekt en hij evenmin aanspraak kan maken op het verval van de hypotheek wegens de aan de gefailleerde toegekende verschoonbaarheid. Die verschoonbaarheid schort alleen het recht op om de gefailleerde te vervolgen (Luik, 15 oktober 2007, A.R. 2006/778). Het Grondwettelijk hof heeft daarenboven beslist dat die regeling niet discriminatoir was (arresten nr. 12/2006 van 25 januari 2006 en 42/2006 van 15 maart 2006).

De situatie van de echtgenoot van de gefailleerde wordt te dezen echter geregeld door een specifieke bepaling, met name artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, en ze hoeft niet onderzocht te worden in het licht van artikel 80, derde lid, betreffende de kosteloze persoonlijke zekerheidstellingen. Artikel 82, tweede lid, plaatst de echtgenoot net op voet van gelijkheid met de verschoonde gefailleerde zodat hij, net als laatstgenoemde, niet meer kan worden vervolgd. Bijgevolg kan er jegens hem geen enkele maatregel van gedwongen tenuitvoerlegging meer worden genomen en kan er tegen hem dus evenmin de hypothecaire vordering door uitvoerend beslag op het pand worden ingesteld.

De moeder van de verweerster daarentegen is, tot beloop van de waarde van het vruchtgebruik, slechts een derde hypotheekgever".

Grieven

Krachtens artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het van toepassing was na de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005, die in werking is getreden op 21 februari 2005, en vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2008, die in werking is getreden op 28 augustus 2008, en zoals het thans van toepassing is, wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

De voorwaarde opdat de echtgenoot gewoon al ingevolge de verschoonbaarheid van de gefailleerde van haar verplichtingen bevrijd kan worden, is dat de schuld een schuld van de gefailleerde is waarvoor de echtgenoot - hetzij bij overeenkomst, hetzij overeenkomstig de wet, dat maakt niet uit - als derde instaat, bijvoorbeeld als borg of als medeschuldenaar die de schuld niet zelf heeft aangegaan.

Artikel 82, tweede lid, bepaalt immers dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt wanneer laatstgenoemde persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot.

Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet is niet van toepassing op het geval waarin de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van zijn eigen schulden.

Het arrest wijst erop dat de schuldvordering van de eiseres bestaat uit, enerzijds, het saldo van een woonkrediet dat de twee echtgenoten hebben verkregen op 29 februari 2000 en anderzijds, het saldo van een tijdelijk krediet dat aan de echtgenoten werd toegekend op 16 december 2006.

Het arrest stelt tevens vast dat de litigieuze schuld vóór de aanvang van de beroepsactiviteit van de gefailleerde werd aangegaan en dat de schuld ook door de echtgenoot van de gefailleerde was aangegaan, daar die twee redenen, volgens het arrest, de toepassing van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet niet uitsluiten.

De verweerster heeft die verplichtingen bijgevolg niet aangegaan als borg maar als medeschuldenaar van haar echtgenoot.

De schuld die voortvloeit uit de aldus toegestane kredieten, was geenszins een schuld van de gefailleerde echtgenoot van de verweerster in de zin van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, maar een gezamenlijke schuld van beide echtgenoten. Het betrof hier bijgevolg niet alleen een schuld van de gefailleerde echtgenoot maar ook een persoonlijke schuld van de verweerster zelf.

De verweerster heeft de bewuste bedragen immers samen met haar echtgenoot geleend. In het kader van de bestaande kredieten was zij die bedragen dus mede verschuldigd : zij had zich dus samen en rechtstreeks met haar echtgenoot verbonden en was niet alleen hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld van haar echtgenoot en evenmin was zij de hoofdelijke borg voor de schuld van laatstgenoemde.

De schuld was tevens een eigen schuld van de verweerster, wegens het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, dat volgens het arrest bestond in het stelsel van scheiding van goederen.

De verweerster kwam om die reden niet in aanmerking voor de bij artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet bepaalde bevrijding, daar die alleen geldt voor de schulden van de gefailleerde echtgenoot.

Het hof van beroep, dat het tegendeel beslist en de verweerster volledig bevrijdt van haar verplichtingen ten aanzien van de eiseres, breidt de toepassing van die bepaling onwettig uit tot de eigen en persoonlijke schulden van de verweerster en schendt het in de aanhef van het middel bedoelde artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet.

Het hof van beroep schendt bijgevolg ook de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de verweerster onwettig bevrijdt van haar contractuele verbintenissen ten aanzien van de eiseres, terwijl zij deze diende na te komen krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de overeenkomst de partijen strekt tot wet (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de overeenkomst de partijen strekt tot wet, en schending van artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek, dat de rechter verbiedt om een partij die zich in dergelijke omstandigheden contractueel verbonden heeft, van haar verplichtingen te bevrijden).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd wordt.

Die bepaling is ook van toepassing wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is.

Het onderdeel, dat het tegendeel betoogt, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 24 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Kristel Vanden Bossche.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Faillissement

  • Verklaring van verschoonbaarheid van de gefailleerde

  • Echtgenoot van de gefailleerde persoonlijk aansprakelijk voor de schuld van zijn echtgenoot

  • Bevrijding van die verplichting t.g.v. de verschoonbaarheid

  • Echtgenoot van gefailleerde samen met hem medeschuldenaar van schuld, door beide echtgenoten aangegeven vóór faillissement