- Arrest van 25 februari 2011

25/02/2011 - C.10.0164.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het persoonlijk en werkelijk gebruik van de verhuurder die de huurhernieuwing heeft geweigerd op grond van artikel 16.I,1°, Handelshuurwet, moet zich uitstrekken tot het geheel van het vroeger verhuurde goed; daartoe is echter niet vereist dat alle vertrekken voortdurend en voor de volle oppervlakte worden benut, wanneer de verhuurder ook het niet onmiddellijk benutte gedeelte van het voorheen verhuurde goed voor het voorgenomen persoonlijk gebruik onder zich houdt (1). (1) Cass., 30 april 1976, AC 1976, 981; Cass., 26 april 2002, AR C.00.0618N, AC 2002, nr. 254.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0164.N

I. V.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. I. K.,

2. J. S.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 11 mei 2007 en 25 april 2008.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De eiseres heeft in haar conclusie betwist dat de werkelijke en persoonlijke ingebruikname van het verhuurde goed in de zin van artikel 16.I, 1°, Handelshuurwet, waarop de weigering van huurhernieuwing vanwege de verweerders was gesteund, is gerealiseerd. In elk geval kon deze ingebruikname niet worden gerealiseerd zonder verregaande verbouwingswerken gepaard gaande met een afbraak, zodat de weigering in werkelijkheid was gesteund op artikel 16.I, 3°, van de voornoemde wet.

2. De appelrechters oordelen, na een ontleding van de overgelegde stukken:

- dat de verweerders het appartement, behoudens het voorste gedeelte waar vroeger de bakkerij-activiteit van de eiseres plaatsvond, minstens sedert mei 2006 hebben bemeubeld met het oog op persoonlijke bewoning;

- dat de verweerders alleszins de duidelijke wil hebben getoond om het destijds door de eiseres gehuurde goed persoonlijk en werkelijk in gebruik te nemen;

- dat dit niet over de algehele bewoonbare oppervlakte, binnen de zes maanden volgend op 15 februari 2006 kon plaatsvinden, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de verweerders hun wil tot het persoonlijk betrekken hebben gemanifesteerd voor 15 augustus 2006, door ingebruikname van de living en twee slaapkamers, keuken en een badkamer, ofwel ongeveer tweederden van de totale oppervlakte van de te verbouwen winkel.

3. De appelrechters beantwoorden zodoende de conclusie van de eiseres.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel gaat geheel ervan uit, enerzijds, dat de persoonlijke ingebruikname slechts mogelijk was na een voorafgaandelijke afbraak en wederopbouw van het goed en, anderzijds, dat de voorgenomen werken geen loutere instandhoudings- of onderhoudswerken betreffen.

Het bestreden vonnis stelt dit niet vast.

Het onderdeel vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

5. Het persoonlijk en werkelijk gebruik van de verhuurder die de huurhernieuwing heeft geweigerd op grond van artikel 16.I, 1°, Handelshuurwet, moet zich uitstrekken tot het geheel van het vroeger verhuurde goed. Daartoe is echter niet vereist dat alle vertrekken voortdurend en voor de volle oppervlakte worden benut, wanneer de verhuurder ook het niet onmiddellijk benutte gedeelte van het voorheen verhuurde goed voor het voorgenomen persoonlijk gebruik onder zich houdt.

6. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters uit de vaststelling dat de verweerders slechts een gedeelte van het verhuurde goed werkelijk gebruiken, niet konden afleiden dat zij hebben voldaan aan het werkelijk en persoonlijk gebruik in de zin van artikel 16.I, 1°, Handelshuurwet, kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

7. De appelrechters steunen hun beslissing dat de meubilering en het persoonlijk gebruik van de aangewezen lokalen vast staan, niet alleen op de in het onderdeel aangehaalde feitelijke vaststellingen, maar ook op de vaststelling dat de verweerders voor 15 augustus 2006 de living, twee slaapkamers, de keuken en een badkamer in gebruik hebben genomen, hetzij ongeveer tweederden van de totale oppervlakte van de te verbouwen winkel en een klein gedeelte van de keuken.

Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters hun oordeel niet konden laten steunen op de stukken 22 en 23 van de verweerders, vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 478,04 euro jegens de eisende partij en op de som van 107,42 euro jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare rechtszitting van 25 februari 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Huurhernieuwing

  • Weigering

  • Persoonlijk gebruik

  • Begrip

  • Vereiste