- Arrest van 1 maart 2011

01/03/2011 - P.10.0521.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitoefening van het recht om voor de strafrechter de verschuldigdheid en het bedrag van de gevorderde belasting te betwisten, vereist niet dat de boekhouding ter griffie is neergelegd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0521.N

I

H. T. L., alias M.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Vanheeswijck, advocaat bij de balie te Brussel,

II

1. C. J. M

beklaagde,

2. M. S.

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Vincent Coigniez, advocaat bij de balie te Leuven,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de dienstchef van de mobiele invorderingscel van de BBI Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 5,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 februari 2010.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van het recht van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid: het arrest antwoordt niet of niet afdoende op de grieven dat de boekhouding van Datatrading nv niet aanwezig is (eerste onderdeel) en dat deze boekhouding niet is onderzocht of bekeken (tweede onderdeel); de uitoefening van het recht van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid vereisen dat het volledige btw-dossier wordt voorgelegd en dat de eiser ter griffie kennis kan nemen van de volledige boekhouding om zo de verschuldigdheid en het bedrag van de door de verweerder gevorderde belastingen te kunnen betwisten (derde onderdeel).

Eerste onderdeel

2. Het arrest beantwoordt de bewering dat de boekhouding van Datatrading nv niet aanwezig is met de vaststelling dat de boekhouding wel aanwezig is (p. 25, derde laatste gedachtestreepje) en beschikbaar voor de beklaagden (p. 28, derde laatste alinea). Met de vermelding van die vaststellingen omkleden de appelrechters hun beslissing regelmatig met redenen, zonder dat vereist is dat zij specifiek zouden aanduiden onder welk nummer van het register van overtuigingsstukken de boekhouding ter griffie werd gedeponeerd.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Het arrest beantwoordt de grief dat de boekhouding van Datatrading nv niet is onderzocht en bekeken met de vaststelling dat de inbeslaggenomen boekhouding aanwezig en beschikbaar is en tegenspraak toelaat en de eisers niet aangeven waar de volgens hen relevante stukken zich in die boekhouding bevinden (p. 25, derde laatste gedachtestreepje, p. 27, vierde gedachtestreepje en p. 28, derde laatste alinea). Met de vermelding van die vaststellingen omkleden de appelrechters hun beslissing regelmatig met redenen, zonder dat vereist is dat zij verwijzen naar een proces-verbaal waaruit zou moeten blijken dat het onderzoek van de boekhouding wel degelijk heeft plaats gevonden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

4. De rechter oordeelt in feite en derhalve onaantastbaar of een bijkomende onderzoeksmaatregel noodzakelijk, raadzaam of gepast is om tot zijn overtuiging te komen. Het recht van verdediging of het beginsel van de wapengelijkheid zijn niet miskend door de omstandigheid op zich dat de rechter een gevraagde onderzoeksmaatregel niet noodzakelijk acht.

5. De appelrechters stellen vast dat het niet noodzakelijk is om het openbaar ministerie te verzoeken het btw-dossier van Datatrading nv of enig ander btw-dossier te laten voegen en dat het strafdossier voldoende volledig en precies is om te oordelen (p. 21, derde alinea, p. 24, derde alinea en p. 36, vijfde en zesde alinea).

Uit de op die wijze met redenen omklede afwijzing van een vraag tot een bijkomende onderzoeksmaatregel, kan geen miskenning van het recht van verdediging of van het beginsel van de wapengelijkheid worden afgeleid.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

6. De appelrechters stellen omtrent het recht van de eiser I om de verschuldigdheid en het bedrag van de gevorderde belasting te betwisten vast dat hij in de mogelijkheid is om tegenspraak te voeren over de aard, de gegrondheid en de omvang van de oorspronkelijke btw-schuld (p. 36, vijfde alinea).

In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest beslist dat de eiser I dit recht niet heeft, mist het feitelijke grondslag.

7. Het onderdeel gaat ervan uit dat de uitoefening van dit recht vereist dat de eiser I kennis kan nemen van de ter griffie neergelegde volledige boekhouding van de onderneming voor wiens belastingschuld hij wordt aangesproken.

De uitoefening van eisers recht om de verschuldigdheid en het bedrag van de gevorderde belasting te betwisten, vereist niet dat die boekhouding ter griffie is neergelegd.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de appelrechters hebben vastgesteld dat de boekhouding aanwezig en beschikbaar is voor de eiser.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat dit niet het geval is, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de rechter en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser I

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 45, § 1, 53, eerste lid, 1° en 3°, 73 en 79, § 2, tweede lid, Btw-wetboek: het arrest past artikel 79, § 2, tweede lid, Btw-wetboek dat werd ingevoegd met de programmawet van 27 december 2006 en pas op 7 januari 2007 in werking is getreden, retroactief toe (eerste onderdeel); als anti-misbruikbepaling impliceert dit artikel geen misdrijf in hoofde van de belastingplichtige en laat het de aftrek onverkort bestaan (tweede onderdeel); aan de vaststellingen van de fiscale ambtenaren wordt op strafrechtelijk gebied een bijzondere bewijswaarde verleend, met een omkering van de bewijslast tot gevolg (derde onderdeel).

Eerste onderdeel

10. De appelrechters gronden de schuldigverklaring van de eiser I niet op artikel 79, § 2, tweede lid, Btw-wetboek. Zij stellen integendeel uitdrukkelijk vast dat zij deze nieuwe bepaling niet toepassen (p. 25, laatste gedachtestreepje) en dat zij eisers schuld niet op dit artikel steunen (p. 29, vierde alinea).

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde schending.

Het is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

12. Anders dan het onderdeel aanvoert, past het arrest artikel 59 Btw-wetboek en de daarin voorziene bijzondere bewijswaarde van de in een proces-verbaal opgenomen vaststellingen niet toe bij de beoordeling van eisers schuld aan het hem ten laste gelegde en leggen zij aan de eiser I geen bewijslast op. Het arrest (p. 9, derde alinea en p. 11, laatste alinea) beoordeelt enkel de bewijswaarde van de door de verbaliserende BBI-ambtenaren gedane vaststellingen en de wijze waarop zij tot deze vaststellingen zijn gekomen. Het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser I aan het hem ten laste gelegde telkens op een geheel van uit het strafdossier en het onderzoek ter rechtszitting blijkende objectieve gegevens, die het vermeldt.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser I

13. Het middel voert schending aan van de artikelen 39bis, 53 en 73 Btw-wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de btw-vrijstelling wegens intracommunautaire levering slechts is toegelaten als de leverancier bewijst dat de afnemer in het land van vestiging de intracommunautaire levering heeft aangegeven; de appelrechters voegen zo een niet door de wet bepaalde voorwaarde voor vrijstelling toe (eerste onderdeel) en leggen de bewijslast bij de eiser (tweede onderdeel); de daarmee verband houdende voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is niet gesteld zonder dat daarvoor een reden is vermeld (derde onderdeel).

Eerste onderdeel

14. Het arrest (p. 17, tweede alinea) oordeelt: "Gezien niet het bewijs voorligt dat N.V. Datatrading het bewijs leverde van een intracommunautaire verwerving in Frankrijk, respectievelijk Nederland, door de vennootschappen bedoeld in tenlastelegging A3, (...), in die landen optredend als B.T.W.-belastingplichtigen en er aldaar toe gehouden hun intracommunautaire verwervingen inzake B.T.W. aan te geven, gold in hoofde van N.V. Datatrading niet de vrijstelling van B.T.W. van de door haar verrichtte intracommunautaire leveringen (...)".

Aldus beslist het arrest dat Datatrading nv niet het bewijs heeft geleverd van buitenlandse intracommunautaire verwervingen en stelt het vast dat de buitenlandse afnemers van Datatrading nv ertoe gehouden waren om in het land van vestiging hun intracommunautaire verwervingen aan te geven. Het arrest oordeelt evenwel niet dat Datatrading nv het bewijs diende te leveren dat haar buitenlandse afnemers hun intracommunautaire verwervingen inzake btw hebben aangegeven.

Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending.

Het is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

16. Het arrest (p. 29, derde alinea) oordeelt dat het niet noodzakelijk is om de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag te stellen daar ze uitgaat van een verkeerde stelling. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

17. De eiser verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen te stellen:

"1. Verzet het principe van de neutraliteit en de verschuldigdheid van de btw in het land van bestemming, zich tegen een vordering van btw in het land van vertrek over een intracommunautaire levering van goederen, waarvan vaststaat dat zij in het kader van de levering werden vervoerd naar een andere lidstaat met bestemming een andere belastingplichtige, wanneer blijkt dat deze laatste zijn intracommunautaire verwervingen niet heeft aangegeven en de erop verschuldigde btw niet heeft voldaan?

2. Is het antwoord verschillend naargelang de in het land van vertrek gevestigde leverancier al dan niet op de hoogte is van de door de afnemer gepleegde fraude?"

18. De prejudiciële vragen gaan uit van de door het arrest verworpen veronderstelling dat is bewezen dat Datatrading nv intracommauntaire leveringen heeft verricht aan de in de telastlegging A3 vermelde afnemers.

De prejudiciële vragen zijn derhalve in deze zaak niet dienend en worden niet gesteld.

Vierde middel van de eiser I

Eerste onderdeel

19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest antwoordt niet, minstens niet afdoende, op eisers verweer dat de schade een gevolg is van de niet-doorstorting door de leveranciers van Datatrading nv aan de schatkist, feit waarvoor de eiser I niet wordt vervolgd.

20. In zoverre het onderdeel schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging aanvoert, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt en dit recht miskent, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

21. Het arrest (p. 10, laatste alinea, p. 11, eerste en tweede alinea en p. 15, voorlaatste alinea) stelt vast dat de schade waarvoor de verweerder vergoeding vordert, zijn oorsprong vindt in het door onder meer de eiser I op strafbare wijze uitoefenen van het recht op aftrek van Datatrading nv en dus niet in het niet-doorstorten van betaalde btw door de leveranciers van Datatrading nv aan de verweerder. Aldus oordeelt het arrest dat de schade van de verweerder zijn oorzaak vindt in feiten waarvoor de eiser I is vervolgd en beantwoordt het eisers verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest antwoordt niet, minstens niet afdoende, op het verweer dat op de intracommunautaire verwervingen door de afnemers van Datatrading nv Franse en Nederlandse btw was verschuldigd, zodat de schade een andere oorzaak heeft dan de aan de eiser I verweten feiten.

23. In zoverre het onderdeel schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging aanvoert, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt en dit recht miskent, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

24. Het arrest (p. 15 laatste alinea, p. 16, eerste alinea en p. 17, tweede en derde alinea) stelt vast dat de verweerder schade leed door de niet-aanrekening van Belgische btw aan de Franse en Nederlandse afnemers, hoewel die was verschuldigd door de afwezigheid van vrijgestelde intercommunautaire leveringen. Aldus oordeelt het arrest dat de schade van de verweerder zijn oorzaak vindt in feiten waarvoor de eiser I is vervolgd en beantwoordt het eisers verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en artikel 73sexies Btw-wetboek, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest antwoordt niet, minstens niet afdoende, op eisers verweer omtrent de niet-ontvankelijkheid van de vordering: ofwel is de eiser I in geval van veroordeling op grond van artikel 73sexies Btw-wetboek hoofdelijk aansprakelijk voor de ontdoken btw ofwel heeft de verweerder nagelaten om lastens de wettelijke schuldenaar van de btw een uitvoerbare titel te creëren.

26. In zoverre het onderdeel schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging aanvoert, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt en dit recht miskent, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

27. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I voor de appelrechters heeft aangevoerd dat artikel 73sexies Btw-wetboek de verweerder verhindert zich burgerlijke partij te stellen voor de strafgerechten.

Het arrest diende bijgevolg niet te antwoorden op dit in het onderdeel bedoelde verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

28. In zoverre het onderdeel voor het Hof schending aanvoert van artikel 73sexies Btw-wetboek, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

29. Wanneer btw wordt ontdoken door het plegen van een misdrijf, kan de door het misdrijf ontdoken belasting tezelfdertijd schade uitmaken, die kan worden ingevorderd met een burgerlijkepartijstelling door de verweerder. De omstandigheid dat artikel 85, § 1, eerste lid, Btw-wetboek de verweerder de bevoegdheid verleent om de verschuldigde belastingen, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren in te vorderen bij wijze van dwangbevel, ontzegt hem niet de toegang tot de rechter door middel van de gewone rechtspleging.

Met de redenen die het vermeldt (p. 35, laatste alinea en p. 36, eerste tot en met vijfde alinea), oordeelt het arrest dat de ontdoken btw, voor zover onbetaald gebleven, de schade vormt uit de lastens de eiser I bewezen verklaarde telastleggingen. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eisers II

30. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3.b, EVRM en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en de bewijsregeling in strafzaken: het arrest verwerpt ten onrechte het verzoek van de eisers tot voeging bij het dossier van strafdossiers en gerechtelijke uitspraken (eerste onderdeel) en van de administratieve btw-dossiers omtrent de vennootschappen die geen btw zouden hebben betaald of die ten onrechte hebben afgetrokken (tweede onderdeel); het arrest gaat niet in op het verweer dat de boekhouding niet is onderzocht of bekeken (derde onderdeel).

Eerste en tweede onderdeel

31. In zoverre de onderdelen een onderzoek vragen van feiten door het Hof, waartoe het niet bevoegd is, zijn ze niet ontvankelijk.

32. De rechter oordeelt in feite en derhalve onaantastbaar of een bijkomende onderzoeksmaatregel noodzakelijk, raadzaam of gepast is om tot zijn overtuiging te komen. De in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen zijn niet geschonden of miskend door de omstandigheid op zich dat de rechter een gevraagde onderzoeksmaatregel niet noodzakelijk acht.

De appelrechters oordelen dat het strafdossier voldoende volledig en precies is om te kunnen oordelen en om tegenspraak te kunnen voeren, zodat het niet noodzakelijk is om het openbaar ministerie te verzoeken andere strafdossiers en btw-dossiers te laten voegen (p. 21, derde alinea en p. 24, derde gedachtestreepje).

Uit de op die wijze met redenen omklede afwijzing van een vraag tot een bijkomende onderzoeksmaatregel, kan geen schending of miskenning van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen worden afgeleid.

De onderdelen kunnen in zoverre niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

33. In zoverre het onderdeel een onderzoek vraagt van feiten door het Hof, waartoe het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

34. De rechter oordeelt in feite en derhalve onaantastbaar of een bijkomende onderzoeksmaatregel noodzakelijk, raadzaam of gepast is om tot zijn overtuiging te komen. De in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen zijn niet geschonden of miskend door de omstandigheid op zich dat de rechter een gevraagde onderzoeksmaatregel niet noodzakelijk acht.

De appelrechters oordelen dat het strafdossier voldoende volledig en precies is om te kunnen oordelen en om tegenspraak te kunnen voeren, zodat het niet noodzakelijk is enige andere dan de reeds in het strafdossier opgenomen daden van onderzoek te laten verrichten (p. 21, derde alinea en p. 24, derde gedachtestreepje).

Uit de op die wijze met redenen omklede afwijzing van een vraag tot een bijkomende onderzoeksmaatregel, kan geen schending of miskenning van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen worden afgeleid.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

35. Het arrest beantwoordt de grief dat de boekhouding van Datatrading nv niet is onderzocht en bekeken met de vaststellingen dat de inbeslaggenomen boekhouding aanwezig en beschikbaar is en tegenspraak toelaat en de eisers niet aangeven waar de volgens hen relevante stukken zich in die boekhouding bevinden (p. 25, derde laatste gedachtestreepje, p. 27, vierde gedachtestreepje en p. 28, derde laatste alinea). Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht, zonder dat is vereist is dat zij verwijzen naar een proces-verbaal waaruit zou moeten blijken dat dit onderzoek wel degelijk heeft plaats gevonden. Dit houdt geen miskenning in van de bewijsregeling in strafzaken en legt aan de eisers II geen onmogelijke bewijslast op.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

36. Het arrest beantwoordt de bewering dat de boekhouding van Datatrading nv niet aanwezig is met de vaststelling dat de boekhouding wel aanwezig is (p. 25, derde laatste gedachtestreepje) en beschikbaar voor de eisers (p. 28, derde laatste alinea). Met de vermelding van die vaststelling omkleden de appelrechters hun beslissing regelmatig met redenen, zonder dat vereist is dat zij specifiek zouden aanduiden onder welk nummer van het register van overtuigingsstukken de boekhouding ter griffie werd gedeponeerd.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers II

37. Het middel voert schending aan van de artikelen 39bis, 53 en 73 Btw-wetboek: het arrest oordeelt strijdig met artikel 39bis Btw-wetboek dat Datatrading nv het bewijs dient te leveren van een intracommunautaire verwerving door haar buitenlandse afnemers.

38. Artikel 39bis, eerste lid, 1°, Btw-wetboek bepaalt: "Van de belasting zijn vrijgesteld: 1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen (...)." Volgens het tweede lid bepaalt de Koning de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling.

De artikelen 1 en 2 van het KB nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepalen dat deze vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de gemeenschap en bovendien van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de btw geïdentificeerd is in een andere Lid-staat.

De belastingplichtige die zich op de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, Btw-wetboek beroept, dient aan te tonen dat de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld.

39. Het arrest oordeelt niet alleen zoals aangegeven in het middel maar ook door overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 8-11) en op grond van een geheel van eigen redenen (p. 16, derde alinea, p. 17, eerste en tweede gedachtestreepje, p. 23, vierde gedachtestreepje en p. 29, derde en vijfde alinea) dat er geen sprake was van daadwerkelijke intracommunautaire leveringen maar wel van leveringen in het kader van een btw-carroussel. Aldus kon het arrest wettig beslissen dat de eisers II niet te goeder trouw doch wel met het vereiste bijzonder opzet voor deze leveringen geen btw hebben aangerekend en is die beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

40. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 166,84 euro waarvan de eiser I 66,92 euro verschuldigd is en de eisers II 99,92 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 1 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Fiscaal misdrijf

  • Belastingschuld

  • Recht tot betwisting van de verschuldigdheid en het bedrag

  • Boekhouding

  • Neerlegging ter griffie

  • Vereiste