- Arrest van 1 maart 2011

01/03/2011 - P.11.0227.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onderzoeksgerecht dat de tenuitvoerlegging beoordeelt van een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging, moet onder meer nagaan of naar Belgisch recht op het ogenblik van de uitlevering de verjaring van de strafvordering voor het feit, voorwerp van de strafvervolging in de verzoekende staat, niet is verjaard en daarbij onderzoeken of de verjaring van de strafvordering volgens het Belgisch recht niet werd geschorst of gestuit; het houdt daarbij rekening met handelingen van overheden van de verzoekende staat, want het zijn die overheden die de strafvordering uitoefenen, voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0227.N

A. K.

aangehouden met het oog op uitlevering,

eiser,

met als raadsman mr. Philippe Bernaerts, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 10 Europees verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering (hierna Europees uitleveringsverdrag), artikel 149 Grondwet, artikel 7 Uitleveringswet 1874 en artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt zonder dat daartoe enige rechtsgrond bestaat dat het door de Zwitserse onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot medebrenging de verjaring van de strafvordering in België heeft gestuit voor het wanbedrijf waarvoor de uitlevering is gevraagd; alleen in België, door een daartoe bevoegd persoon, verrichte daden van onderzoek of vervolging in België stuiten de verjaring van de strafvordering.

2. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten wanneer die uitspraak doen over de uitvoerbaarverklaring van een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

3. De beslissing van een onderzoeksgerecht waarbij een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel uitvoerbaar wordt verklaard, is geen vonnis in de zin van artikel 149 Grondwet. Het arrest kan bijgevolg die bepaling niet schenden.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

4. Geen wetsbepaling verplicht het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel, om in zijn beslissing de wets- en verdragsbepalingen te vermelden die de voorwaarden voor de uitlevering bepalen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

5. Volgens artikel 7 Uitleveringswet 1874 wordt er niet tot uitlevering overgegaan zo sedert het ten laste gelegde feit, de vervolging of de veroordeling, de verjaring van de strafvordering of van de straf naar Belgisch recht is bereikt.

Volgens artikel 10 Europees Uitleveringsverdrag wordt uitlevering niet toegestaan, indien volgens de wet van de verzoekende partij of die van de aangezochte partij het recht tot strafvervolging of de straf is verjaard.

6. Het onderzoeksgerecht dat de tenuitvoerlegging beoordeelt van een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging, moet onder meer nagaan of naar Belgisch recht op het ogenblik van de uitlevering de verjaring van de strafvordering voor het feit, voorwerp van de strafvervolging in de verzoekende staat, niet is bereikt.

Het onderzoeksgerecht gaat daarbij na of de verjaring van de strafvordering volgens het Belgisch recht niet werd geschorst of gestuit en het houdt daarbij rekening met handelingen van overheden van de verzoekende staat. Het zijn immers die overheden die de strafvordering uitoefenen voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.

Het middel dat aanvoert dat een in de verzoekende staat door de buitenlandse overheid verrichte daad van onderzoek of vervolging om die reden naar Belgisch recht geen grond tot schorsing of stuiting van de verjaring van de strafvordering in de zin van artikel 7 Uitleveringswet 1874 en van artikel 10 Europees Uitleveringsverdrag kan zijn, faalt in zoverre naar recht.

7. Het arrest oordeelt met overname van de vordering van de procureur-generaal en op eigen gronden dat:

- de feiten van misbruik van vertrouwen zouden zijn gepleegd op 11 november en op 9 december 2004;

- die feiten strafbaar zijn met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar;

- de verjaring van de strafvordering voor deze feiten werd gestuit door het bevel tot medebrenging verleend door de Zwitserse onderzoeksrechter op 30 september 2008.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 1 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Passieve uitlevering

  • Buitenlands aanhoudingsbevel

  • Uitvoerbaarverklaring

  • Onderzoeksgerechten

  • Opdracht

  • Onderzoek van de verjaring van de strafvordering