- Arrest van 2 maart 2011

02/03/2011 - P.10.1652.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Naar luid van artikel 136, §2, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, geheel of gedeeltelijk vergoeden; de indeplaatsstelling is beperkt tot het totaalbedrag van de uitkeringen die de indeplaatsgestelde heeft betaald aan het slachtoffer, alsook tot het bedrag waarop het slachtoffer krachtens het gemeen recht aanspraak kan maken en dat dezelfde schade dekt; de indeplaatsstelling is daarentegen niet beperkt tot het gedeelte van de uitkeringen dat overeenstemt met het gedeelte van de aansprakelijkheid van de derde voor de schade (1). (1) Cass., 16 nov. 2009, AR C.09.0256.N, A.C., 2009, nr. 667.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1652.F

I. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsmaatschappij,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J.-M. V. T.,

2. ETHIAS, nv,

3. NATIONAAL VERBOND VAN DE SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN,

II. J.-M. V. T.,

Mrs. Nathalie Schmitz, advocaat bij de balie te Luik, en Bertrand Heymans, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

2. J. C..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Luik, van 27 september 2010.

De eisers voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, respectievelijk drie en twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van J.-M. V. T.

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser verwijt het vonnis dat het, wat betreft de farmaceutische kosten, de medische kosten, de tijdelijke materiële schade, de tijdelijke hulp van derden, de verleden blijvende materiële schade en de verleden blijvende hulp van derden, geen rekening houdt met de preferentiële indeplaatsstelling die het ziekenfonds geniet op grond van artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

Naar luid van het vierde lid van de voormelde wetsbepaling, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Die indeplaatsstelling geldt tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, geheel of gedeeltelijk vergoeden.

De indeplaatsstelling is beperkt tot het totaalbedrag van de uitkeringen die de indeplaatsgestelde heeft betaald aan het slachtoffer alsook tot het bedrag waarop het slachtoffer recht heeft krachtens het gemeen recht en dat dezelfde schade dekt. De indeplaatsstelling is daarentegen niet beperkt tot het gedeelte van de uitkeringen dat overeenstemt met het gedeelte van de aansprakelijkheid dat de derde in de schade heeft.

Het totaalbedrag dat aan het slachtoffer, en het totaalbedrag dat aan de verzekeringsinstelling is toegekend, kan evenwel het bedrag niet overschrijden dat krachtens het gemeen recht, als vergoeding door de aansprakelijke derde of diens verzekeraar verschuldigd is, rekening houdend met een eventuele gedeelde aansprakelijkheid.

In zijn laatste syntheseconclusie in hoger beroep heeft de eiser aangevoerd dat het slachtoffer dertig procent van zijn schade voor zijn rekening diende te nemen omdat hij op het ogenblik van het ongeval geen veiligheidsgordel droeg. Voor de verschillende in het middel bedoelde schadeposten heeft de eiser bijgevolg nu eens aangevoerd dat de verschuldigde som gelijk was aan het verschil tussen zeventig procent van de schade en de uitkeringen van het ziekenfonds, dan weer dat er geen som meer verschuldigd was aangezien die uitkeringen gelijkstonden met het percentage waarop de verweerder recht had, of dat percentage overschreden.

Zoals de eiser aanvoert, stond het aan de bodemrechters om het bedrag te berekenen van de schade van de verweerder door van alle in het middel bedoelde schadeposten het percentage af te trekken dat overeenstemt met het deel waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, en dienden zij vervolgens van het aldus verkregen resultaat de uitkeringen van het ziekenfonds af te trekken en aan het slachtoffer van het ongeval alleen het eventuele saldo toe te kennen van de aldus uitgevoerde verrichtingen.

Aangezien de appelrechters niet op die wijze te werk gaan, schenden zij de aangevoerde wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

Ter vergoeding van de blijvende materiële schade, de blijvende huishoudelijke schade en de schade die de blijvende hulp van een derde persoon en de toekomstige behandelingen vereisen, kent het vonnis aan de eerste verweerder een levenslange geïndexeerde maandelijks rente toe van 2.270 euro, vanaf 1 januari 2003, de consolidatiedatum, tot 27 september 2010, de datum van de beslissing, en een geïndexeerde maandelijkse rente van 3.250 euro vanaf 1 oktober 2010.

De eiser verwijt de rechtbank dat zij voor de volledige blijvende verleden en toekomstige schade een rente heeft toegekend waarvan zij het bedrag heeft vastgesteld, zonder een onderscheid te maken tussen de schade die vóór de uitspraak is geleden, en die op grond van exacte gegevens kan worden geraamd, en de toekomstige schade, die niet op die wijze kan worden berekend.

De door de appelrechters toegekende rente is niet gegrond op hypothetische gegevens, vermits zij rekening houdt met de cijfers waarover de rechtbank op de dag van de uitspraak beschikte.

Die gegevens, die op de pagina's 24 tot 28 van het vonnnis zijn opgesomd, zijn het netto-inkomen van het slachtoffer, berekend op grond van het belastbare inkomen dat hij ontvangen heeft in de loop van het jaar dat aan het ongeval voorafging, de waarde van de gebruikelijke huishoudelijke taken, geraamd op grond van het bedrag dat voor het tijdvak van 6 februari 2000 tot 31 december 2002 is toegekend, de kost van de hulp van een derde persoon van 1 augustus 2000 tot 31 december 2002, alsook het maandelijks bedrag van de behandelingen, zoals dat door de eerste verweerder werd berekend en door de eiser werd aangenomen.

Het middel mist dus feitelijke grondslag.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van het Nationaal Verbond van de Socialistische Mutualiteiten:

Eerste middel

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 136, § 2, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, treedt de verzekeringsinstelling die aan de rechthebbende van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, de prestaties toekent die bij de wet zijn bepaald, rechtens in de plaats van de rechthebbende, tot beloop van de sommen die met name krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

Uit die bepaling volgt dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het totaal van de sommen die krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn.

Het vonnis stelt vast dat het slachtoffer van het ongeval op de aansprakelijke derde zeventig procent van de door hem gevorderde sommen kan verhalen en dat het saldo voor zijn rekening blijft omdat hij geen veiligheidsgordel droeg, wat een fout is zonder welke de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich de facto heeft voorgedaan.

Aangezien de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling binnen dezelfde perken dient te gebeuren, konden de appelrechters, niet zonder de aangevoerde wetsbepaling te schenden, aan de derde verweerster het totale bedrag van haar uitkeringen toekennen.

Het onderdeel is gegrond.

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van J.-M. V. T. en de naamloze vennootschap Ethias

Derde middel

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de tweede verweerster aan haar verzekerde een vergoeding heeft uitbetaald die in mindering moet worden gebracht op haar lichamelijke schade.

De eiser heeft aangevoerd dat die vergoeding, ten bedrage van 171.180,07 euro, diende te worden afgetrokken van de bedragen die hij het slachtoffer dient te betalen (pagina's 20 en 23 van de syntheseconclusie in hoger beroep die het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds op 15 maart 2010 heeft ingediend), aangezien het slachtoffer niet zowel van zijn verzekeraar als van de voor het ongeval aansprakelijke persoon vergoeding kan eisen voor dezelfde schade.

Het vonnis dat niet overgaat tot de gevorderde aftrek veroordeelt de eiser om méér te vergoeden dan de schade van het slachtoffer en schendt aldus de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

B. Cassatieberoep van J.-M. V. T.

Eerste middel

Het verzuim om over een punt van de vordering uitspraak te doen is niet de rechtsweigering die bij artikel 5 Gerechtelijk Wetboek verboden is.

Het middel dat de schending van dat artikel aanvoert, faalt naar recht.

Tweede middel

De medische kosten, de verplaatsings- en andere kosten die dateren van ná de consolidatie, maken het voorwerp uit van een vordering die de rechtbank noch aangenomen, noch verworpen heeft.

Het verzuim om over een punt van de vordering uitspraak te doen schendt artikel 149 Grondwet niet.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

Het vonnis kent de eiser 125 euro administratieve kosten toe ofschoon hij, in een conclusie die hij op 15 april 2010 heeft ingediend (pagina's 13 en 65), had gevorderd dat die som op 375 euro zou worden gebracht, rekening houdend met de duur van het tijdvak van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank heeft voor de aanpassing van de woning van het slachtoffer een definitief bedrag toegekend ofschoon de eiser had aangevoerd dat dit bedrag provisioneel diende te zijn, daar de architect hem geattendeerd had op de mogelijkheid dat daar later nog andere schadeposten kunnen bijkomen (zelfde conclusie, pagina's 59 en 67).

Voor beide schadeposten hebben de appelrechters de vorderingen van de eiser afgewezen, zonder te antwoorden op de middelen waarin ze waren vervat.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het, op de burgerlijke rechtsvordering van J.-M. V. T. tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, uitspraak doet over de farmaceutische kosten, de medische kosten, de tijdelijke materiële schade, de tijdelijke hulp van een derde, de verleden blijvende materiële schade en de verleden blijvende hulp van een derde.

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van het Nationaal Verbond van de Socialistische Mutualiteiten tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds.

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het verzuimt de vergoeding die aan de naamloze vennootschap Ethias is toegekend, af te trekken van de schadevergoeding die het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds aan J.-M. V. T. verschuldigd is.

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vordering van J.-M. V. T. betreffende de administratieve kosten en de kosten voor de inrichting van zijn woning.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt J.-M. V. T. in de helft van de kosten van het cassatieberoep van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en laat de andere helft ten laste van laatstgenoemde.

Veroordeelt het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en J. C. ieder in een tiende van de kosten van het cassatieberoep van J.-M. V. T. en veroordeelt de voormelde eiser in de overige vier vijfde.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Verviers, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verzekeringsinstelling

  • Prestaties

  • Terugbetaling

  • Omvang

  • Verdeling van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid