- Arrest van 3 maart 2011

03/03/2011 - F.08.0082.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 85, §1, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op grond waarvan de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, zijn bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren mag overdragen, ontslaat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, niet van de verplichting te bewijzen dat het litigieuze dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een ambtenaar aan wie die bevoegdheid is overgedragen (1). (1) Zie concl. O.M., Pas., 2011, AR F.08.0082.F, nr. ... . Dezelfde dag heeft het Hof een tweede arrest (AR F.10.0039.F) gewezen waarin wordt bevestigd dat het dwangbevel een administratieve rechtshandeling is.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.08.0082.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OXYGENE, nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 22 juni 2007 en 4 juni 2008 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 85, inzonderheid § 1 en 2, en 89 (voor de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999) van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- voor zover nodig, artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;

- de artikelen 33 en 149 van de Grondwet;

- de artikelen 2, 632, 860, 861, 862, 867, 870, 1068, eerste lid, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1315, 1316, 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel van administratief recht van de continuïteit van de openbare diensten;

- de artikelen 1, § 1, 1°, en § 2, 5°, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+;

- artikel 9 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, voor de wijziging ervan;

- artikel 1 van het ministerieel besluit van 28 februari 2001;

- enig artikel van het ministerieel besluit van 2 september 2003.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 22 juni 2007 beslist dat, aangezien het litigieuze dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een directeur ad interim en niet door de gewestelijke directeur, "de administratie de plicht had het hof (van beroep) in staat te stellen na te gaan of (dat) dwangbevel wel regelmatig was, gelet op de mogelijkheid dat de bevoegdheidsoverdracht gebrekkig zou kunnen zijn" en te bewijzen dat de betrokken ambtenaar over de nodige bevoegdheid beschikte, op grond dat, ook al waren de beginselen waaraan de administratie in verband met bevoegdheidsoverdrachten herinnerde ongetwijfeld exact, zodat moest worden aangenomen dat een bevoegdheidsoverdracht aan een ambtenaar die niet de gewestelijke directeur is mogelijk was, dan nog heeft het hof [van beroep] niet kunnen nagaan of de bevoegdheidsoverdracht aan (die) ambtenaar wel naar behoren was geschied; (...) [dat] het feit dat de wet niet uitdrukkelijk het bewijs van de aanwijzing regelt nog geen reden is waarom die ipso facto bewezen moet worden geacht, dat anders gelijk welke ambtenaar naar eigen goeddunken zou kunnen optreden zonder enig gerechtelijk toezicht; (...) [en dat] de administratie alleen oog heeft gehad voor het probleem van de vormvoorschriften voor een dergelijke bevoegdheidsoverdracht (zo zijn er bijvoorbeeld geen bijzondere vormen vereist) zonder ook maar enige aanwijzing te geven over de wettelijke en passende toepassing hiervan op de hier bedoelde ambtenaar", en beveelt bijgevolg de heropening van het debat "teneinde (de eiser) uit te nodigen alle nuttige gegevens naar voren te brengen waarover hij beschikt in verband met de bevoegdheidsoverdracht van de directeur a.i. L. D. die betrekking heeft op het hier bestreden dwangbevel".

Het bestreden arrest van 4 juni 2008 dat bijgevolg het hoger beroep van de verweerster gegrond verklaart, doet de bestreden beslissing teniet, verklaart in een wijzigende beslissing dat "het litigieuze dwangbevel nr. 300/0622/25303 geen uitwerking kan hebben en niet ten uitvoer kan worden gelegd" en beslist derhalve dat "(de eiser) aan (de verweerster) alle bedragen moet terugbetalen die hij ten onrechte ontvangen heeft op grond van het litigieuze dwangbevel plus de moratoire interest, en veroordeelt de eiser niet alleen om zijn eigen kosten in beide instanties te dragen, maar ook om aan de verweerster de bedragen van 334,56 euro en 2.500 euro te betalen voor de kosten die respectievelijk in eerste aanleg en hoger beroep zijn gemaakt. Het beslist aldus om de volgende redenen:

"Artikel 85, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt uitdrukkelijk dat het dwangbevel uitvoerbaar verklaard wordt 'door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde .. of door de door hem aangewezen ambtenaar'; (...) de btw-omzendbrief nr. 18 van 12 november 1980 bepaalt in punt 4 dat 'de wet thans zelf de bevoegde ambtenaar aanwijst, namelijk de gewestelijke directeur of een door hem aangewezen ambtenaar. De gewestelijke directeur is dus gemachtigd om zijn bevoegdheid inzake visum en tenuitvoerlegging van de dwangbevelen over te dragen aan een inspecteur of aan het hoofd van de dienst controle van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingschuldige valt'; volgens die omzendbrief betreft het hier, net zoals in de richtlijnen van 21 november 1980 en 1 juni 1986 (...) alleen maar een mogelijkheid zodat in elk geval apart het bestaan van een dergelijke overdracht moet worden bewezen; (...) de aanwijzing kan in algemene bewoordingen gesteld zijn waarbij niet een welbepaalde ambtenaar maar een categorie van ambtenaren wordt aangewezen; zo blijkt uit de dienstnota's nrs. 23, 51, 64, 66, 67 en 75 (...) dat de titelvoerende hoofdcontroleurs (welke graad door het koninklijk besluit van 6 juli 1997 is vervangen door die van eerstaanwezend inspecteur van de belastingadministratie) en de ambtenaren die zijn aangewezen om het ambt ad interim te vervullen (punt 30 van dienstnota nr. 23), op enkele bijzondere gebieden na, bevoegd zijn om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren; (...) in die gevallen volstaat de eenvoudige vermelding van de graad van de ambtenaar en van zijn aanwijzing om te kunnen nagaan of hij wel degelijk bevoegd is om een dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren zonder dat systematisch moet worden verwezen naar de administratiefrechtelijke bepaling waarop die aanwijzing gegrond is; in dit geval evenwel heeft de heer L.D. het dwangbevel ondertekend in de hoedanigheid van ‘directeur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen'; de werkelijke graad van de heer L.D. wordt in het litigieuze dwangbevel niet gepreciseerd daar alleen het ambt dat hij ad interim uitoefent, namelijk dat van directeur, wordt vermeld",

"De administratie heeft alleen stukken neergelegd betreffende de overdracht van bevoegdheid aan de hoofdcontroleurs/eerstaanwezende inspecteurs maar zij heeft noch richtlijn B.75 die van kracht was op 1 juni 1986 en waarvan zij gewag maakt in haar aanvullende conclusie noch de stukken neergelegd betreffende een eventuele overdracht van bevoegdheid aan de ambtenaren die de graad van directeur hebben of, zoals hier het ambt van directeur vervullen; uit geen van de door de administratie neergelegde stukken blijkt dus dat de gewestelijke directeur zijn bevoegdheid om de dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren in haar geheel heeft overgedragen aan een ambtenaar die tijdelijk het ambt van directeur uitoefent; a fortiori blijkt uit geen van die stukken dat er een bijzondere overdracht van die bevoegdheid is geschied aan de heer L.D.".

"Het feit dat een dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een ambtenaar die in strijd met artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde daartoe niet is aangewezen door de gewestelijke directeur schaadt de belangen van de belastingschuldige tegen wie een dergelijk dwangbevel is uitgevaardigd".

"Hoewel het niet aan het hof [van beroep] staat het litigieuze dwangbevel nietig te verklaren bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling die een dergelijke sanctie oplegt, dient het toch vast te stellen dat, aangezien het niet bewezen is dat het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door de gewestelijke directeur of door een door hem naar behoren aangewezen ambtenaar, dat dwangbevel geen uitvoerbare kracht heeft en dus geen uitwerking heeft".

Grieven

Artikel 85, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt:

"Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar"; § 2 van die bepaling "stelt de belastingschuldige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze als bepaald in artikel 89".

Dat artikel bepaalt dat "onder voorbehoud van wat bepaald is in de artikelen 85, § 1 en 2, en 85bis, de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III, van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging".

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 85, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat is ingevoerd bij artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-80, kan de gewestelijke directeur, wat betreft het dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde, zijn bevoegdheid overdragen aan een of meer ambtenaren of categorieën van ambtenaren; het betreft hier duidelijk een overdracht van bevoegdheid waarin de wet uitdrukkelijk voorziet; het staat evenwel iedere gewestelijke directeur vrij zijn [bevoegdheid] ter zake al dan niet over te dragen, mits hij zich wat dat betreft houdt aan de wet.

Bovendien gaan krachtens artikel 33 van de Grondwet "alle machten uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bepaald bij de Grondwet" en bij de wetten en verordeningen. Wanneer de wet een bestuur het recht geeft zijn bevoegdheden geheel of gedeeltelijk over te dragen, mag het zich niet beperken tot de overdracht van zijn handtekeningsbevoegdheid alleen maar draagt het integendeel zijn bevoegdheid zelf over, dat is zijn recht om definitieve en dwingende beslissingen te nemen. Die bevoegdheid kan aan derden worden tegengeworpen.

Die bevoegdheidsoverdracht die de oorspronkelijke hiërarchie van de bevoegdheden wijzigt, impliceert alleen dat de overheid die haar bevoegdheid overgedragen heeft daartoe uitdrukkelijk of impliciet bij wet was gemachtigd.

Artikel 67 van de wet van 8 augustus 1980 dat is ingevoegd in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, geeft de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde het recht om zijn bevoegdheid om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren over te dragen aan de ambtenaar (ambtenaren) die hij hiertoe wil aanwijzen overeenkomstig de wet.

Overigens volstaat het dat de aldus aangewezen ambtenaar gebruik maakt van de hem verleende bevoegdheid en hiervan melding maakt.

Noch artikel 85, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde noch enige andere bepaling vereisen immers een bijzondere, schriftelijke en uitdrukkelijke overdracht aan een welbepaalde ambtenaar met een welbepaalde hoedanigheid, zoals een benoeming in vast verband in de welbepaalde functie. Die overdracht dient evenmin aan bijzondere vormvereisten te voldoen, zoals een "geschrift" en dient evenmin te worden overgelegd door de administratie of door haar bekend te worden gemaakt; zij kan mondeling geschieden en vereist geen enkel ander bewijs dan de verklaring van de ambtenaar die het dwangbevel geviseerd en uitgevaardigd heeft, dat die bevoegdheid aan hem was overgedragen, omdat hij tijdelijk of in vast verband de functie vervult die hem het recht geeft het uit te vaardigen.

Bovendien bepaalt artikel 9 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen dat "een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, alle aan het ambt verbonden prerogatieven uitoefent", onverschillig of hij in vast verband benoemd is dan wel een tijdelijke aanstelling gekregen heeft. Wanneer een ambtenaar op de dag waarop hij een dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard heeft wettelijk is aangewezen om tijdelijk het hoger ambt van directeur van een belastingsadministratie waar te nemen in een gewestelijke directie van de belasting over de toegevoegde waarde, moet worden aangenomen dat het visum en het formulier van tenuitvoerlegging wel degelijk gegeven zijn door het ratione materiae, ratione loci en ratione temporis bevoegde bestuur zonder dat van het bestuur kan worden geëist dat het een stuk overlegt waaruit blijkt dat de bevoegdheid van de gewestelijke directeur om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren in haar geheel is overgedragen aan de ambtenaar die, al is het maar tijdelijk, het hoger ambt van directeur van een belastingadministratie uitoefent.

De vermelding op het dwangbevel van de graad van ambtenaar toen hij tijdelijk of ad interim door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde aangewezen werd om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren, namelijk die van directeur, en de vermelding in het dwangbevel dat hij daartoe aangewezen is volstaan om te kunnen nagaan of die ambtenaar de hoedanigheid had om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren, zonder dat het nodig is in het dwangbevel de werkelijke graad te preciseren van de aldus aangewezen ambtenaar.

Krachtens de artikelen 1, § 1, 1°, en § 2, 5°, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+ werd de ambtenaar die op 1 juli 1997 de graad van hoofdcontroleur had ambtshalve benoemd in de graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur.

Niet alleen bleek echter uit het ministerieel besluit van 28 februari 2001 dat in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt dat de directeur ad interim L. D. met ingang van 1 december 1997 was aangewezen tot eerstaanwezend inspecteur, hoofd van dienst, bij de gewestelijke directie van de belasting over de toegevoegde waarde te Namen, en dat hij bevoegd was om de dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, maar bovendien was die ambtenaar krachtens het ministerieel besluit van 2 september 2003 door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Namen aangewezen om er het hoger ambt van directeur bij een fiscaal bestuur uit te oefenen. Die beslissing was door de minister van Financiën goedgekeurd voor de periode van 5 april 2000 tot 20 december 2001 tijdens welke het betwiste dwangbevel door die ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar verklaard is.

Het bestreden arrest van 22 juni 2007 dat beslist dat, aangezien volgens de verweerster de ambtenaar die het bestreden dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard had niet de graad van gewestelijk directeur bij de belasting over de toegevoegde waarde bekleedde, wat een voldoende grond was voor haar exceptie, [...] het aan de eiser stond te bewijzen dat die ambtenaar, directeur van de administratie ad interim, daadwerkelijk de bevoegdheid had gekregen om dat dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren, en het bestreden arrest van 4 juni 2008, dat beslist dat genoemd bewijs niet geleverd was, hoewel niet alleen de tekst van het dwangbevel aangaf dat voornoemde ambtenaar had gehandeld in de hoedanigheid van directeur ad interim bij een fiscaal bestuur, maar uit het ministerieel besluit van 2 september 2003 tevens bleek dat hij voordien het ambt van eerstaanwezend inspecteur, hoofd van dienst, bij een bestuur, uitoefende, wat een graad is die gelijkwaardig is aan die van titelvoerend hoofdcontroleur die volgens het arrest de bevoegdheid overdroeg om een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde te viseren en uitvoerbaar te verklaren, schenden bijgevolg, wat betreft het eerste en het tweede arrest, de artikelen 85, § 1 en 2, en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 67 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-80, 33 van de Grondwet, 1315 en 1316 van het Burgerlijk Wetboek, 9 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1963 en, wat het tweede arrest betreft, de artikelen 1, § 1, 1°, en § 2, 5° en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997, de artikelen 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek alsook het ministerieel besluit van 28 februari 2001 en het artikel 1 van het ministerieel besluit van 2 september 2003.

Tweede onderdeel

Het dwangbevel inzake de belasting over de toegevoegde waarde dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vormt de uitvoerbare titel die de belastingadministratie zichzelf mag verlenen op grond van het beginsel van administratief recht volgens hetwelk de administratieve rechtshandeling "dwingende kracht" heeft en de administratie het recht geeft de daarin vastgelegde belastingschuldvordering in te vorderen op grond van het andere beginsel van administratief recht, "de tenuitvoerlegging van ambtswege".

De wet onderwerpt het dwangbevel aan geen bijzondere vormvereisten, noch wat het visum noch wat het formulier van tenuitvoerlegging betreft: het volstaat dat beide worden verleend door het bestuur dat ratione materiae en ratione loci bevoegd is. Zodra het overeenkomstig de wet is uitgevaardigd, is het regelmatig mits het bevel zelf of de erbij gevoegde stukken doen blijken van het onderwerp en de oorzaak van de vordering van het bestuur en de geadresseerde van de akte in staat stellen de gegrondheid te beoordelen van de tegen hem ingestelde vordering, en hem derhalve de mogelijkheid bieden om verweer te voeren tegen die vorderingen.

Het volstaat dat het dwangbevel de vermelding bevat betreffende de identiteit, de graad die de ambtenaar bekleedde op het ogenblik van de uitvaardiging ervan en de bevoegdheidsoverdracht aan de vorderende ambtenaar met opdracht, alsook de vermelding betreffende de gewestelijke directeur die zijn bevoegdheid overdroeg opdat de belastingschuldige een en ander zou kunnen nagaan en opdat zijn recht van verdediging alsook al zijn andere rechten gevrijwaard zouden blijven.

Het dwangbevel dat inzake belasting over de toegevoegde waarde de eerste proceshandeling is die, enerzijds, de administratie in staat stelt de belastingen, geldboeten, interesten en de kosten in te vorderen die de belastingschuldige naar haar oordeel verschuldigd is en dat, anderzijds, aan hem en aan hem alleen het recht geeft tegen die vorderingen verzet aan te tekenen is dus ontegensprekelijk, zoals het bestreden arrest van 4 juni 2008 impliciet doch onmiskenbaar toegeeft, een proceshandeling die, bij ontstentenis van bijzondere regels dienaangaande in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in een andere wet, krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek geheel onderworpen is aan de regels die in de artikelen 860 en volgende van dat wetboek gesteld zijn; zij kan alleen nietig verklaard worden als het betwiste verzuim afbreuk doet aan de belangen van de belastingschuldige en hem schade berokkent zoals is bepaald in de artikelen 860, 861 en 862 van dat wetboek.

Dienaangaande beperkt het arrest zich tot de vermelding dat de onregelmatigheid die is begaan bij de overdracht van de bevoegdheid aan de ambtenaar die het visum en het formulier van tenuitvoerlegging verleend heeft op zich al nadeel toebrengt aan de verweerster, hoewel zij het bestaan van zodanige schade niet bewees en zij trouwens zelfs niet eens beweerde dat zij hierdoor haar recht van verdediging niet ten volle heeft kunnen uitoefenen of dat de belasting op willekeurige en niet te controleren wijze geheven werd, en het arrest overigens noch preciseert waarin die schade bestaat noch de feitelijke elementen aanwijst waaruit die schade zou kunnen blijken.

Het bestreden arrest van 4 juni 2008 verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 85, § 1 en 2, en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 1315, 1316 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 860, 861, 862 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek) en omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de Grondwet), daar dat arrest het Hof niet in staat stelt zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, aangezien het nergens in de motivering aangeeft waarom de verweerster schade zou hebben geleden ten gevolge van de onregelmatigheid die volgens het arrest is begaan bij de bevoegdheidsoverdracht die de directeur ad interim van de belastingadministratie het recht geeft het litigieuze dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Derde onderdeel

Uit het onderling verband tussen de artikelen 85 en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde blijkt dat de kennisgeving van het dwangbevel de belastingschuldige in staat stelt tegen dat dwangbevel verzet aan te tekenen door een vordering te stellen voor de rechter opdat hij uitspraak zou doen over het geschil betreffende de belastingschuld. Op het hoger beroep neemt de rechter in tweede aanleg kennis van dat geschil.

Na te hebben beslist dat het litigieuze dwangbevel niet ten uitvoer kon worden gelegd en geen uitwerking had, dienden de appelrechters bijgevolg nog uitspraak te doen over het geschil betreffende, enerzijds, de zogenaamde onregelmatigheden van het proces-verbaal en, anderzijds, het bestaan van de belastingschuld.

Het bestreden arrest dat enkel vermeldt dat het dwangbevel geen uitwerking heeft en niet ten uitvoer kan worden gelegd, en dat de eiser veroordeelt om elk bedrag dat hij van de verweerster op grond van dat dwangbevel ontvangen heeft aan haar terug te betalen, maar dat nalaat uitspraak te doen over het geschil betreffende de fiscale onregelmatigheden en het bestaan van de belastingschuld, doet bijgevolg geen uitspraak over een geschil dat regelmatig aan het hof van beroep was voorgelegd (schending van de artikelen 632, 1068, eerste lid, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek) en schendt de artikelen 85 en 86 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Vierde onderdeel

Inzake belasting over de toegevoegde waarde bestaat de belastingschuld van rechtswege krachtens de wet en los van het uit te vaardigen dwangbevel. De belastingschuldige dient de belasting uit eigen beweging te betalen.

Op grond van het beginsel van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling dat een toepassing vormt van het algemeen beginsel van administratief recht betreffende de continuïteit van de openbare dienst mag de administratie bij niet-betaling van de belasting zichzelf een uitvoerbare titel verschaffen, namelijk het dwangbevel waarvan de wettigheid wordt vermoed.

Inzake belasting over de toegevoegde waarde vormt het dwangbevel niet alleen de taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij niet spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting maar is het tevens een akte die geldt als uitvoerbare titel op grond waarvan de belastingschuld kan worden ingevorderd.

Het doet de belastingschuld niet ontstaan maar stelt enkel het bestaan en het bedrag van die vooraf bestaande schuld vast, zodat de eventuele onregelmatigheden ervan het bestaan zelf van die schuld niet aantasten.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest volgens hetwelk het dwangbevel geen uitwerking kan hebben moet worden opgevat in de zin dat het de belastingschuld bijgevolg als onbestaande beschouwt, artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt en dat het, door geen uitspraak te doen over het bestaan ervan, op zijn minst artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

III. BESLISSSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 85, § 1, tweede lid, Btw-wetboek wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door een door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door een door hem aangewezen ambtenaar.

Die bepaling op grond waarvan de gewestelijke directeur zijn bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren mag overdragen, ontslaat de eiser niet van de verplichting te bewijzen dat het litigieuze dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een ambtenaar aan wie die bevoegdheid is overgedragen.

Het bestreden arrest van 4 juni 2008 stelt vast:

- dat "de btw-omzendbrief nr. 18 van 12 november 1980 sub 4 bepaalt dat ‘de gewestelijke directeur [...] gemachtigd is zijn bevoegdheid inzake visum en formulier van tenuitvoerlegging over te dragen aan een inspecteur of aan het hoofd van de dienst controle van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingschuldige valt';

- dat het litigieuze dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door L.D., handelend in de hoedanigheid van "directeur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen";

- dat "de werkelijke graad van L.D. niet wordt gepreciseerd in het litigieuze dwangbevel";

- dat "uit geen van de door de administratie neergelegde stukken blijkt [...] dat de gewestelijke directeur zijn bevoegdheid [...] geheel heeft overgedragen aan een ambtenaar die tijdelijk het ambt van directeur uitoefent";

- dat "a fortiori uit geen van die stukken blijkt dat er een bijzondere overdracht van bevoegdheid is geschied aan de heer L.D.".

Enerzijds voert het onderdeel aan dat de bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren is overgedragen aan de directeurs van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen maar geeft het niet aan welke akte die overdracht bevat.

Anderzijds mag het Hof geen acht slaan noch op het attest dat bij het cassatieberoep gevoegd is om die overdracht te bewijzen noch op het ministerieel besluit van 28 februari 2001 waaruit blijkt dat L.D. "met ingang van 1 december 1997 was aangewezen tot eerstaanwezend inspecteur, hoofd van dienst, bij de gewestelijke directie van de belasting over de toegevoegde waarde te Namen", welke graad die van controleur in een fiscaal bestuur vervangen heeft op grond van de artikelen 1, § 1, 1°, en § 2, 5° en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+, aangezien die stukken niet aan het hof van beroep zijn voorgelegd, de tekst van dat ministerieel besluit niet bij het cassatieberoep gevoegd is, het nummer en de datum van het Belgisch Staatsblad waarin het zou zijn gepubliceerd, niet zijn aangegeven in het cassatieberoep en noch het arrest noch enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan de bewoordingen ervan weergeeft.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is een administratieve rechtshandeling.

Het onderdeel volgens hetwelk het dwangbevel moet worden aangemerkt als een proceshandeling waarop de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn, faalt in zoverre naar recht.

Het arrest volgens hetwelk "het bestaan van een bevoegdheidsoverdracht aan de ondertekenende ambtenaar om het litigieuze dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren [...] niet bewezen is" en het aldus niet vaststaat dat genoemd dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een daartoe bevoegde ambtenaar, motiveert voor het overige zijn beslissing dat het geen uitwerking kan hebben regelmatig en verantwoordt die naar recht.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van andere wetsbepalingen dan de bepalingen Gerechtelijk Wetboek die het opgeeft, kan het niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

De belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissing van de administratie.

Het arrest beslist dat, "hoewel het niet aan het hof van beroep staat om het litigieuze dwangbevel nietig te verklaren bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling die een dergelijke sanctie oplegt, het toch dient vast te stellen dat, aangezien het niet bewezen is dat het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door de gewestelijke directeur of door een door hem naar behoren daartoe aangewezen ambtenaar, dat dwangbevel geen uitvoerbare kracht heeft en dus geen uitwerking kan hebben".

Het arrest dat op die grond geen uitspraak doet over het aan het hof van beroep voorgelegde geschil dat betrekking had op het bestaan van de belastingschuld, verantwoordt niet naar recht de beslissing waarbij het de eiser veroordeelt om aan de verweerster elk bedrag terug te betalen dat hij op grond van dat dwangbevel zou hebben ontvangen.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het vierde onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de eiser veroordeelt om aan de verweerster alle bedragen terug te betalen die hij ten onrechte op grond van het litigieuze bevel zou hebben ontvangen plus de moratoire interesten en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dwangbevel

  • Bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren

  • Bevoegdheid van de gewestelijke directeur

  • Overdracht van bevoegdheid

  • Wettigheid

  • Bewijs