- Arrest van 3 maart 2011

03/03/2011 - C.07.0312.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit verbiedt elk bedrog of elke oneerlijkheid met het oogmerk om te schaden of winst te behalen; het sluit niet in alle gevallen uit dat degene die een opzettelijke fout begaat uit die fout onrechtstreeks voordeel kan halen op grond van de wet of van clausules in de overeenkomst (1). (1) Zie concl. O.M., Pas., 2011, AR C.07.0312.F, nr. ...


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.07.0312.F

SWISS LIFE BELGIUM, nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M.A. en,

2. D.A.,

3. R. G.

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

4. M. S.

5. D. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 november 2006 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert twee middelen aan

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6 en 1157 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 16 van de wet van 11 juni 1874, houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel betreffende de verzekering in het algemeen, zoals het van kracht was voor de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de rechtszekerheid en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen, die met name gegrond zijn op het beginsel van de rechtsstaat.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de tussen de eiseres en onder meer de [eerste] verweerster afgesloten verzekeringspolis moet worden opgevat als een oorzaak van verval en niet als een oorzaak van uitsluiting van de dekking van de verzekering en in die interpretatie niet nietig is, daar het niet strijdig is met een regel van openbare orde.

Het grondt die beslissing op alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en meer bepaald op de volgende redenen:

"[De rechtsvoorganger van de eiseres] die dus, zoals is aangetoond, de dekking van de polis heeft overgenomen, kan het verzekerde kapitaal pas krijgen als zich een verzekerd risico voordoet;

Hoewel artikel 41 van de wet van 11 juni 1874 de dekking niet uitsluit als het overlijden is veroorzaakt door een opzettelijke daad van de begunstigde van de polis - dat artikel doelt meer bepaald op de misdaad of het wanbedrijf, door de verzekerde gepleegd - sluiten de overeenkomsten in de regel wel het overlijden uit dat is veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekeringnemer of de begunstigde;

In dit geval valt de opzettelijke daad onder toepassing van artikel 3 van de algemene polisvoorwaarden dat luidt als volgt: ‘het overlijden van de verzekerde veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekeringnemer of van een de begunstigden, of op hun aansporing, is niet gedekt; hierdoor is hij uitgesloten van de dekking van de overeenkomst';

De partijen zijn het oneens over de interpretatie van dat artikel. Volgens [de rechtsvoorganger] van de eiseres betreft het hier een beding dat elke begunstigde het voordeel van de dekking van de verzekeringsovereenkomst ontneemt. Volgens de andere partijen vervalt de dekking alleen ten nadele van de begunstigde;

Zij zijn het met name niet eens over de term ‘hij'. [De rechtsvoorganger van de eiseres] is van oordeel dat die term doelt op het overlijden terwijl hij volgens de andere partijen betrekking heeft op een van de begunstigden;

Het hof [van beroep] deelt het standpunt van de eerste rechter die, na te hebben herinnerd aan de beginselen die bij de interpretatie van de overeenkomsten moeten worden in acht genomen, oordeelt dat de term ‘hij' doelt op een van de begunstigden. Het volstaat met name erop te wijzen dat de titel van het beding ‘Uitgesloten risico's (artikel 3) niet relevant is, daar de uitdrukking ‘uitsluiting van het voordeel van het contract' in het vierde lid niet gebruikt wordt voor de andere gevallen waarin dekking van het overlijden uitgesloten wordt (oorlogsrisico, zelfmoord ...). Die clausules herhalen immers nergens de uitsluiting die enkel met de woorden ‘is niet gedekt' weergegeven wordt.

Aldus stemt het beding waarbij alleen de begunstigde die bij de opzettelijke daad betrokken is van dekking uitgesloten wordt en niet de andere begunstigden overeen met het begrip verval dat gebruikt wordt in het kader van de gedekte risico's maar in een sanctie voorziet bij een welbepaalde tekortkoming;

Het beding dat afwijkt van het beginsel dat de schade wordt vergoed moet op een beperkende wijze worden opgevat. De verzekeraar die bepaalde risico's van dekking wil uitsluiten moet dat duidelijk aangeven;

(...) Het beding in een overeenkomst volgens hetwelk bij doodslag op de verzekerde, alleen de dader de dekking van de polis verliest en niet de overige begunstigden die niets met de doodslag te maken hebben, is niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Geen enkele bepaling van dwingend recht verbiedt een dergelijk beding. Artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 heeft trouwens voor die oplossing gekozen;

In dit geval behoudt de verzekeringsovereenkomst het karakter van een kanscontract en kan het risico verzekerd worden;

Het litigieuze beding is dus niet noodzakelijk nietig;

Bijgevolg verloor bij het overlijden van C. D. alleen diens echtgenote [de eerste verweerster] de dekking. Dat was echter niet het geval met de vennootschap Zélia, [rechtsvoorganger van de eiseres], die niets met het overlijden te maken had en dus in aanmerking kwam voor het verzekerde kapitaal van de polissen waarvan het voordeel haar was overgedragen op grond van de hierboven vermelde bijvoegsels".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke overeenkomst die strijdig is met een wet van openbare orde nietig is.

Er bestaat een onderscheid tussen de overeenkomst die strijdig is met de openbare orde, in welk geval bij de beoordeling van het begrip openbare orde de datum waarop de wet is goedgekeurd in aanmerking moet worden genomen, en de overeenkomst die in strijd is met een wet van openbare orde, in welk geval de datum telt waarop de overeenkomst werd gesloten. Zonder de wil van de wetgever kan een wet immers niet door verloop van de tijd of door de evolutie van de rechtspraak ophouden een wet van openbare orde te zijn en aldus slechts een wet van aanvullend recht worden.

Het arrest stelt vast dat artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de tussen de eiseres en onder meer de [eerste] verweerster gesloten overeenkomst luidt als volgt:

"Het overlijden van de verzekerde veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekeringnemer of van een van de begunstigden, of op hun aansporing, is niet gedekt; hierdoor is hij uitgesloten van de dekking van de overeenkomst".

Voor het hof van beroep had het debat over dat beding meer bepaald betrekking op de vraag of het wel moest worden opgevat als een oorzaak van verval waardoor uitsluitend degene die de opzettelijke daad gepleegd had de dekking van de polis verloor dan wel als een oorzaak van uitsluiting waardoor iedere begunstigde die dekking verloor. Volgens het arrest is dat beding een oorzaak van verval en niet een oorzaak van uitsluiting van dekking.

Artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van boek I van het Wetboek van Koophandel betreffende de verzekering in het algemeen, zoals het van toepassing was ten tijde van de feiten, luidt als volgt:

"Geen verlies of schade veroorzaakt door de daad of door een zware fout van de verzekerde, valt ten laste van de verzekeraar; deze mag zelfs de premie inhouden of eisen indien hij reeds begonnen heeft de gevaren te lopen".

Genoemd artikel dat de zware fout van de verzekerde, waaronder zijn opzettelijke fout,, van dekking uitsloot, was ten tijde van de goedkeuring ervan een bepaling van openbare orde zodat elke daarmee strijdige overeenkomst overeenkomstig artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek volstrekt nietig was. Tot de opheffing ervan heeft deze bepaling haar oorspronkelijk karakter van een bepaling van openbare orde behouden.

Bijgevolg is artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de in 1986 tussen de eiseres en onder meer de [eerste] verweerster afgesloten verzekeringspolis, zoals het door het arrest wordt opgevat, nietig in zoverre het een verlies of schade, veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekerde, in voorkomend geval de begunstigde van de verzekering, ten laste legt van de verzekeraar, wat strijdig is met een bepaling van openbare orde.

Het arrest volgens hetwelk geen enkele bepaling van dwingend recht het litigieuze beding verbiedt als het wordt opgevat als een oorzaak van verval die alleen aan degene die de zware fout heeft begaan kan worden tegengeworpen en dus als een beding dat de verzekeraar de verplichting oplegt om schadevergoeding te betalen aan de begunstigde die niet degene is die de zware fout heeft begaan, schendt artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 dat de openbare orde raakt. Het arrest volgens hetwelk het beding in een overeenkomst volgens hetwelk bij doodslag op de verzekerde alleen de dader de dekking van de polis verliest en niet de overige begunstigden die niets met de doodslag te maken hebben, is niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden, en volgens hetwelk dit de oplossing is waarvoor de wet van 25 juni 1992 gekozen heeft, neemt voor de interpretatie van het begrip openbare orde het tijdstip van de uitspraak in aanmerking en niet het tijdstip waarop de wet van 11 juni 1874 is goedgekeurd. Het miskent bijgevolg het wettelijk begrip openbare orde zoals het met name is vastgelegd in artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en schendt tevens die wetsbepaling zelf.

Tweede onderdeel (subsidiair)

Het beginsel van de rechtszekerheid vloeit voort uit het beginsel van de Rechtsstaat volgens hetwelk het objectief recht eenieder in staat moet stellen zijn gedrag te regelen en de juridische gevolgen ervan in een redelijke mate te voorzien, en volgens hetwelk eenieder ervan moet kunnen uitgaan dat de gewettigde verwachtingen die bij hem worden gewekt door het objectief recht of door wat redelijkerwijze als objectief recht moet worden beschouwd, ook werkelijk zullen uitkomen.

Het Hof heeft in zijn arrest van 2 februari 1995 beslist dat "het hof van beroep naar recht beslist ‘dat thans, in tegenstelling tot vroeger, artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 niet van openbare orde is'". Uit dit arrest zelf blijkt dat die wetsbepaling tot de dag voor het arrest werd opgevat als een bepaling van openbare orde. Bijgevolg was artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de in 1986 tussen de eiseres en onder meer de verweerster gesloten verzekeringsovereenkomst, zoals het door het arrest werd uitgelegd, nietig in zoverre dat artikel het verlies of de schade, veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekerde, in voorkomend geval de begunstigde, ten laste legde van de verzekeraar.

Het arrest volgens hetwelk geen enkele bepaling van dwingend recht het litigieuze beding verbiedt als het wordt opgevat als een oorzaak van verval die alleen aan degene die de zware fout heeft begaan kan worden tegengeworpen en dus als een beding dat de verzekeraar de verplichting oplegt om schadevergoeding te betalen aan de begunstigde die niet degene is die de zware fout heeft begaan, schendt artikel 16 van de wet van 11 juni 1874, dat ten tijde van de goedkeuring ervan en bovendien in 1986 en 1987, toen de verzekeringsovereenkomsten werden gesloten, opgevat werd als een bepaling van openbare orde en de opzettelijke daad van de verzekerde opvatte als een oorzaak van uitsluiting van dekking. Het arrest volgens hetwelk het beding in een overeenkomst dat bij doodslag op de verzekerde alleen de dader de dekking van de polis verliest en niet de overige begunstigden die niets met de doodslag te maken hebben, en volgens hetwelk de wet van 25 juni 1992 voor die oplossing gekozen heeft, neemt voor de interpretatie van het begrip openbare orde het tijdstip van de uitspraak in aanmerking en niet het tijdstip waarop de wet van 11 juni 1874 werd goedgekeurd. Het miskent bijgevolg het wettelijk begrip openbare orde zoals het met name is vastgelegd in artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en schendt die wetsbepaling zelf.

De contracterende partijen, inzonderheid de eiseres, hebben zich voor artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis gebaseerd op artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 naar luid waarvan geen verlies of schade veroorzaakt door de daad of door de zware fout, dus ook door de opzettelijke fout van de verzekeringnemer of de begunstigde ervan, ten laste kan vallen van de verzekeraar. Dat artikel werd toen zonder enige redelijke twijfel beschouwd als een bepaling van openbare orde. De partijen, inzonderheid de eiseres, hebben eruit afgeleid dat aan de verzekeraar geen enkele verplichting tot betaling van schadevergoeding kon worden opgelegd in geval van opzettelijke doodslag op de verzekerde door de verzekeringnemer of de begunstigde. In dezelfde zin hebben zij hieruit afgeleid dat een bepaling in een overeenkomst die, gesteld dat ze als een oorzaak van verval en niet als een oorzaak van uitsluiting zou worden opgevat, niet tot gevolg zou hebben dat de verzekeraar geen dergelijke verplichting tot betaling van schadevergoeding zou hebben, noodzakelijkerwijs nietig zou zijn.

Het arrest dat beslist dat artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 niet de nietigheid van het litigieuze contractuele beding tot gevolg heeft als het wordt opgevat in de betekenis die het arrest eraan geeft, ziet voorbij aan het feit dat de eiseres op het ogenblik dat de verzekeringsovereenkomsten werden gesloten de mogelijkheid had haar gedrag te regelen. In dezelfde zin ontzegt het haar de mogelijkheid om de juridische gevolgen ervan in een redelijke mate te voorzien alsook de mogelijkheid te verkrijgen dat de gewettigde verwachtingen die bij haar werden gewekt door het objectief recht of door wat ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten redelijkerwijs als objectief recht kon worden beschouwd ook werkelijk zouden uitkomen. Het miskent aldus het beginsel van de rechtszekerheid en, voor zoveel nodig, het beginsel van het gewettigd vertrouwen.

Derde onderdeel (meer subsidiair)

Zelfs als artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 de openbare orde niet zou raken, dan nog is het een bepaling van dwingend recht die strekt tot bescherming van privé-belangen, namelijk die van de verzekeraar. Die bepaling kan immers noch door de bewoordingen noch door het voorwerp ervan worden beschouwd als een bepaling van aanvullend recht waarvan kan worden afgeweken. Bijgevolg moet elke schending van die wetsbepaling leiden tot betrekkelijke nietigheid, zodat alleen de persoon wiens belangen worden beschermd de mogelijkheid heeft af te zien van zijn recht om zich op die nietigheid te beroepen, wanneer de voorwaarden voor de bescherming ervan verdwenen zijn.

Het arrest dat beslist het litigieuze beding toe te passen in de interpretatie waarin het wordt beschouwd als een oorzaak van verval en niet als een oorzaak van uitsluiting, hoewel dat beding in die interpretatie nietig was omdat het in strijd was met artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 dat van dwingend recht is en de privé-belangen van de eiseres beschermt, zonder vast te stellen dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht om zich op die nietigheid te beroepen, schendt tevens die bepaling en, voor zoveel nodig, artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Vierde onderdeel (meer subsidiair)

Artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek dat een voor de feitenrechter bindende imperatieve bepaling is bepaalt dat, wanneer een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, men het veeleer moet opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan hebben, dan in die waarin het geen gevolg kan teweegbrengen.

Het contractueel beding in de verzekeringsovereenkomsten luidt als volgt:

"Het overlijden van de verzekerde veroorzaakt door de opzettelijke daad van de verzekeringnemer of van een van de begunstigden, of op hun aansporing, is niet gedekt; hierdoor is hij uitgesloten van de dekking van de overeenkomst";

Dat beding is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Volgens de eerste voert dat beding een oorzaak van uitsluiting van dekking in die aan iedere verzekerde en aan iedere begunstigde kan worden tegengeworpen. Volgens de tweede moet het beding worden aangemerkt als een oorzaak van verval die alleen kan worden tegengeworpen aan degene die de opzettelijke daad heeft gepleegd. Uit het tweede en derde onderdeel volgt dat die tweede uitlegging de nietigheid van het litigieuze beding tot gevolg zou hebben. Het arrest dat het litigieuze beding van de verzekeringsovereenkomst opvat als een oorzaak van verval van dekking die alleen kan worden tegengeworpen aan degene die opzettelijk het overlijden van de verzekerde heeft veroorzaakt, zodat de verplichting om de dekking van de verzekering te verlenen blijft bestaan ten aanzien van de overige begunstigden ervan, vat dat beding dus op in een zin waarin het nietig is en geen gevolgen kan hebben, in plaats van het op te vatten in een zin waarin het geldig is en dus wel gevolgen kan hebben. Het arrest schendt bijgevolg artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wetsbepaling

- algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit.

Aangevochten beslissing

Het arrest beslist dat het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit niet eraan in de weg staat dat de [eerste] verweerster, die strafrechtelijk veroordeeld is wegens opzettelijke doodslag op haar man, zelfs onrechtstreeks voordeel kan halen uit de op diens hoofd gesloten verzekeringsovereenkomst.

Het verantwoordt die beslissing als volgt:

"In zijn arrest van 6 november 2002 beslist het Hof van Cassatie dat ‘het algemene rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, dat verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen, uitsluit dat de dader van een opzettelijk misdrijf, dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengt, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan de getroffene van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen, wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die deze zou hebben begaan' (Cass., 6 november 2002, R.C.J.B;, 2004, 267, en de noot Fr. Glansdorff).

Het beginsel sluit uit dat de pleger van een opzettelijk misdrijf aanspraak zou kunnen maken op een vermindering van de aan het slachtoffer van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen. [De rechtsvoorganger van de eiseres] in haar hoedanigheid van uitlener is geen slachtoffer van het misdrijf.

De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit veronderstelt bedrog of oneerlijkheid met de bedoeling winst te behalen.

In dit geval is niet bedrog of oneerlijkheid met de bedoeling schade te berokkenen aan [de rechtsvoorganger van de eiseres] de reden waarom de schuld [van de eerste verweerster] tenietgegaan is maar de wettelijke toepassing van de regels inzake schuldvergelijking na de uitvoering van contractuele bepalingen waarvan hierboven is gepreciseerd dat zij niet in strijd waren met de openbare orde;

Bij het overlijden van C. D. had [de rechtsvoorganger van de eiseres] in haar hoedanigheid van uitlener op de leners een schuldvordering tot beloop van op zijn minst het bedrag van het uitgeleende kapitaal. In haar hoedanigheid van verzekeraar was zij wegens de overdracht van de dekking van de polissen zelf dat kapitaal verschuldigd.

Wanneer de hoedanigheden van schuldeiser en schuldenaar in dezelfde persoon verenigd worden, heeft dat het tenietgaan van de verbintenissen door vermenging tot gevolg op grond van artikel 1300 van het Burgerlijk Wetboek. Dat is het geval met [de rechtsvoorganger van de eiseres] zoals de rechtbank heeft vastgesteld. De rechtbank wijst er bovendien op dat door die wijze van betaling of uitvoering van de verbintenis om het verzekerde kapitaal aan haar te betalen, welk kapitaal naar luid van de voormelde overeenkomsten bestemd was voor de wedersamenstelling van het uitgeleende kapitaal, het ontleende kapitaal daadwerkelijk werd terugbetaald;

Het hof [van beroep] neemt de oordeelkundige redenen over van de eerste rechter die tot het besluit komt dat [de rechtsvoorganger van de eiseres] bij het overlijden van C. D. het verzekerde kapitaal gekregen heeft. Hierdoor is op die datum de verbintenis van de ontleners om het op 24 november 1986 ontleende kapitaal van 4.800.000 frank terug te betalen nagekomen en tenietgegaan".

Grieven

Zo het litigieuze beding moet worden opgevat als een oorzaak van verval en zo dat aldus opgevatte beding niet nietig is en de eiseres niet ontslaat van de verplichting om de dekking van de verzekering te verlenen, kan het niet tot gevolg hebben dat de verweerster, die haar echtgenoot opzettelijk heeft gedood, bevrijd zou zijn van de verbintenis om aan de eiseres de lening terug te betalen omdat die tenietgegaan zou zijn ten gevolge van de verbintenis van de eiseres om de verzekerde kapitalen vrij te geven bij het overlijden van het slachtoffer en ze te gebruiken voor de terugbetaling van die lening.

Het feit dat een begunstigde de kans krijgt voordeel te halen uit zijn misdaad is in strijd met de openbare orde en de goede zeden. Hoewel er geen specifiek algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk niemand voordeel mag halen uit een opzettelijke fout, toch is die regel vervat in het beginsel Fraus omnia corrumpit dat een ruimere draagwijdte heeft. Overeenkomstig dat beginsel sluit bedrog of opzettelijke fout uit dat degene die zich aan bedrog schuldig maakt zich zou kunnen beroepen op bepaalde regels van het positief recht en daarmee zijn voordeel zou kunnen doen. Dat beginsel sluit met name uit dat de dader van het misdrijf dat als bedrog wordt beschouwd daarmee zijn voordeel zou kunnen doen en zou kunnen eisen dat hij aan het slachtoffer van dat misdrijf minder vergoeding zou moeten betalen omdat het slachtoffer zelf onvoorzichtigheden of nalatigheden heeft begaan. Het sluit bovendien uit dat de dader daaruit gelijk welk ander voordeel zou kunnen behalen.

Wie opzettelijk een misdrijf pleegt dat de schade heeft veroorzaakt kan dus niet zelf onder gelijk welke vorm en via gelijk welke juridische constructie de verzekering van de schade opstrijken.. Dat zou neerkomen op een aansporing tot het plegen van de opzettelijke daad of hem de gelegenheid geven hiermee zijn voordeel te doen. Het beginsel Fraus omnia corrumpit verbiedt dus dat degene die opzettelijk doodslag pleegt op de verzekerde aanspraak zou kunnen maken op de betaling van een vergoeding van de verzekering, aangezien die vergoeding zou dienen voor de terugbetaling van een lening die met name door de moordenaar is aangegaan, en dus de moordenaar zou verrijken met het bedrag van de schuld die hierdoor zou tenietgaan en waarvan hij aldus bevrijd zou zijn. De omstandigheid dat de moord niet is gepleegd om de vergoeding van de verzekering op te strijken doet wat dat betreft niet terzake.

Volgens de zienswijze van het arrest, namelijk dat niet zozeer de [eerste] verweerster dan wel de eiseres beschouwd wordt als de begunstigde van de vergoeding die verschuldigd is ter uitvoering van de levensverzekeringsovereenkomst, moet de verrichting te dezen in haar geheel worden bekeken, zoals ze kan worden afgeleid uit de vaststellingen van het arrest. De omstandigheid dat de vergoeding die de eiseres in haar hoedanigheid van verzekeraar verschuldigd is, volgens het arrest zou worden aangewend voor de terugbetaling van de lening die de [eerste] verweerster in haar hoedanigheid van ontlener nog verder moest aflossen aan de eiseres in haar hoedanigheid van lener, zou de aflossing van de lening en dus het tenietgaan van de schuld van de [eerste] verweerster tot gevolg hebben. Die oplossing zou bovendien het bijkomend gevolg hebben dat de [eerste] verweerster ontslagen zou zijn van haar verplichting om de premies te betalen die verschuldigd zouden zijn tot de verzekeringsovereenkomsten op de normale wijze tenietgaan. Een dergelijke oplossing zou radicaal in strijd zijn met het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit.

In zoverre het arrest beslist dat genoemd algemeen rechtsbeginsel niet eraan in de weg staat dat de [eerste] verweerster die haar man opzettelijk heeft gedood, zelfs onrechtstreeks, het voordeel van de op diens hoofd gesloten levensverzekerings-overeenkomst zou kunnen behalen, neemt het aan dat opzettelijke doodslag de persoon verrijkt die zich eraan schuldig gemaakt heeft. Het miskent bijgevolg dat algemeen rechtsbeginsel.

III. BESLISSSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De vier onderdelen samen

Het arrest stelt met overneming van de redenen van de eerste rechter vast dat wijlen de echtgenoot van de eerste verweerster, C. D., "in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer op 14 november 1986 en 17 november 1986 twee levensverzekeringspolissen [heeft] afgesloten [...] bij [de rechtsvoorganger van de eiseres]", "dat [de polissen] een kapitaal verzekeren bij overlijden en bij leven van D.", "dat artikel 9 van de algemene polisvoorwaarden met name bepaalt dat ‘behoudens andersluidend beding, de door de overeenkomst verzekerde sommen zullen toekomen: ... in geval van overlijden van de verzekerde: aan diens echtgenoot'", "dat op de dag van het verlijden van de akte van hypothecaire lening, namelijk op 24 november 1986, twee bijvoegsels bij voormelde polissen zullen worden opgemaakt die beide onder meer de volgende vermeldingen bevatten: ‘de ondergetekende verklaart de dekking [van de verzekerings-overeenkomst] [...] af te staan en [...] over te dragen aan de [rechtsvoorganger van de eiseres] die aanvaardt tot beloop van de bedragen die hij hem verschuldigd mocht zijn op de dag waarop het verzekerde kapitaal opeisbaar wordt. Het eventuele overschot komt toe aan de begunstigden die in de overeenkomst zijn aangewezen'". Op eigen gronden stelt het vast dat "de correctionele rechtbank bij vonnis van 24 juni 1999 de telastlegging van opzettelijk doden van D. met het oogmerk om te doden bewezen verklaart ten laste van [de eerste verweerster]".

Het stelt vast, enerzijds, dat C.D. tegelijkertijd verzekeringnemer en verzekerde was, terwijl de eiseres en de eerste verweerster alleen begunstigden waren van het verzekerde kapitaal en, anderzijds, dat het overlijden van de verzekerde is veroorzaakt door de opzettelijke daad van één van die begunstigden.

Het arrest dat artikel 3, vierde lid, van de algemene voorwaarden van de levensverzekeringspolis uitlegt in de zin dat alleen de bij de opzettelijke daad betrokken begunstigde de dekking van de verzekering verliest en dat beslist dat genoemd vervalbeding geldig is, houdt geen schending in van artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen volgens hetwelk geen verlies of schade veroorzaakt door de daad of door de zware fout van de verzekerde ten laste van de verzekeraar valt, en zulks ongeacht het tijdstip dat het arrest in aanmerking genomen heeft om het begrip openbare orde te beoordelen.

Geen van de onderdelen kan worden aangenomen.

Tweede middel

Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit verbiedt elk bedrog of oneerlijkheid met het oogmerk om te schaden of winst te behalen. Het sluit niet in alle gevallen uit dat degene die een opzettelijke fout begaat onrechtstreeks voordeel kan halen uit die fout op grond van de wet of van de clausules in de overeenkomst.

Het arrest stelt vast dat de eerste verweerster bij de eiseres een lening is aangegaan, dat zij bij diezelfde maatschappij een levensverzekerings-overeenkomst heeft gesloten teneinde de terugbetaling ervan te verzekeren bij het overlijden van C.D., en dat zij is veroordeeld wegens opzettelijke doodslag op de persoon van laatstgenoemde.

Het beslist dat de eerste verweerster niet langer recht heeft op de dekking van de levensverzekering maar dat de eiseres die wel blijft genieten.

Het oordeelt dat "niet bedrog of oneerlijkheid met de bedoeling schade te berokkenen aan [de eiseres] de reden was waarom de schuld van de [de eerste verweerster] tenietgegaan is maar de wettelijke toepassing van de regels inzake schuldvergelijking na de uitvoering van contractuele bepalingen waarvan hierboven is gepreciseerd dat zij niet in strijd waren met de openbare orde".

Het verantwoordt aldus naar recht de beslissing dat de eerste verweerster ontslagen is van haar verplichting tot terugbetaling van het aan de eiseres ontleende kapitaal.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • "Fraus omnia corrumpit"

  • Begrip

  • Opzettelijke fout

  • Onrechtstreeks voordeel

  • Uitsluiting