- Arrest van 3 maart 2011

03/03/2011 - F.10.0061.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat geen verband houdt met de erin vermelde artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet en dat de schending van artikel 149 van de Grondwet niet aanvoert, is niet ontvankelijk aangezien dat middel het bestreden arrest verwijt dat het niet de vaststellingen in feite bevat die het Hof in staat moeten stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (1). (1) Zie concl. O.M., Pas., 2011, AR F.10.0061.F, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0061.F

MEUBELEN ASTRID, nv,

Mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie van Kortrijk

tegen

GEMEENTE BOUSSU,

Mr. Dominique Lambot, advocaat bij de balie van Brussel

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest met algemeen rolnummer 2005/955, op 24 juni 2009 gewezen door het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat er geen grond bestaat om de toepassing van de litigieuze belastingverordening te weigeren overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, daar het bewijs ontbreekt dat zij niet in overeenstemming is met de wet. Het grondt die beslissing op de volgende overwegingen:

"Krachtens artikel 1 van de belastingverordening wordt enkel belasting geheven op de ‘huis aan huis'-reclame die niet ten minste 30 pct. tekst zonder reclame bevat;

[De eiseres] is van oordeel dat dit onderscheid in behandeling in strijd is met de beginselen die zijn vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, daar reclamedrukwerk het milieu even sterk vervuilt als het drukwerk dat bedoeld wordt in voormeld artikel 3 en dat die bepaling derhalve in strijd is met het doel van de belasting, namelijk de papierberg te verminderen en de vervuiling van de openbare weg door rondslingerend papier tegen te gaan;

De regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet, die vervat is in artikel 10 van de Grondwet, de regel van de non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden die vastgelegd is in artikel 11 van de Grondwet en de regel van de gelijkheid van de Belgen voor de belasting impliceren dat al degenen die zich in dezelfde situatie bevinden op dezelfde wijze worden behandeld maar zij beletten niet dat een onderscheid tussen verschillende categorieën van personen wordt gemaakt, voor zover er voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat;

Zodanige verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of de ingevoerde belasting;

Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze in verhouding staan tot het beoogde doel (Cass., 30 april 1992, A.C., 1991-92, nr. 455);

Wanneer een regel die een belasting invoert belastingplichtigen treft die zich niet in dezelfde situatie bevinden, moet zij noodzakelijkerwijze en bij benadering rekening houden met dat verschil (zie Cass., 28 juni 2001, J.L.M.B., 2002, 1657);

De regels inzake gelijkheid en non-discriminatie vereisen niet dat de regel het bedrag van de belasting laat afhangen van de bijzondere kenmerken van elk geval apart;

Het onderscheid dat te dezen wordt gemaakt tussen, enerzijds, de personen die reclame uitdelen die 30 pct. of minder dan 30 pct. tekst zonder reclame bevat en, anderzijds, de personen die reclame uitdelen met meer dan 30 pct. tekst zonder reclame, wordt verantwoord door het feit dat laatstgenoemd drukwerk bedoeld is om de bevolking nuttige informatie van niet-commerciële aard te verstrekken;

Het algemeen belang verantwoordt dus de vrijstelling van de tweede categorie van personen zonder dat de ter zake geldende grondwettelijke bepalingen worden geschonden".

Grieven

De "huis aan huis"-reclame die meer dan 30 pct. tekst zonder reclame bevat wordt van belasting vrijgesteld terwijl drukwerk met minder dan 30 pct. tekst zonder reclame daarvan niet wordt vrijgesteld maar daarop belasting geheven wordt, hoewel die belasting een ecologisch doel heeft, namelijk de papierberg te verminderen en de vervuiling van de openbare weg door rondslingerend papier tegen te gaan, en het onderscheid naargelang het drukwerk meer of minder dan 30 pct. tekst zonder reclame bevat, geen enkel verband houdt met het doel van de heffing.

Reeds in het verleden heeft het Hof de hoven en rechtbanken de verplichting opgelegd om de belasting te beoordelen in functie van het doel en de gevolgen ervan en met betrekking tot de redelijke verhouding van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, en heeft het beslist dat uit het feit alleen dat alle burgers die in dezelfde situatie verkeren, gelijkelijk worden belast, niet kan worden afgeleid dat het gelijkheidsbeginsel niet is miskend.

Bijgevolg moet worden nagegaan of het hof van beroep, om tot zijn beslissing te komen, de litigieuze belasting en de vrijstelling wel degelijk heeft beoordeeld in functie van het doel en de gevolgen ervan en met betrekking tot de redelijke verhouding van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

In dat verband is het evenwel belangrijk vast te stellen dat het arrest het onderscheid tussen het drukwerk met enerzijds 30 pct. of minder dan 30 pct. tekst zonder reclame en, anderzijds, het drukwerk met meer dan 30 pct. tekst zonder reclame met name grondt op het feit dat laatstgenoemd drukwerk bedoeld is om de bevolking nuttige informatie van niet-commerciële aard te verstrekken (openbaar nut); het stelt echter nergens vast dat die reden van openbaar nut waarmee de vrijstelling verantwoord wordt, blijkt uit de stukken.

De hoven en rechtbanken waaraan wordt gevraagd de bepalingen van wetten en verordeningen te beoordelen met betrekking tot het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, mogen het onderscheid dat de (gemeentelijke) regelgever maakt tussen de verschillende categorieën van belastingplichtigen enkel onderzoeken in het licht van de verantwoording die de (gemeentelijke) regelgever zelf aan de heffing heeft gegeven.

Daar het hof van beroep niet vaststelt dat het doel en de gevolgen van de heffing blijken uit de belastingverordening of uit het administratief dossier van de gemeente, heeft het niet naar recht kunnen beslissen dat de vrijstelling van de categorie drukwerk dat meer dan 30 pct. tekst zonder reclame bevat, verantwoord is in functie van het doel en de gevolgen van de heffing en in functie van de redelijke verhouding van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, en dat de litigieuze belasting-verordening de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet niet schendt.

III. BESLISSSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest beslist dat de litigieuze belastingverordening op niet geadresseerd reclamedrukwerk dat "huis aan huis" wordt bezorgd, niet in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre zij een heffing invoert op het drukwerk dat geen of minder dan 30 pct. tekst zonder reclame bevat, op grond dat de vrijstelling van het overige drukwerk verantwoord is door het feit dat laatstgenoemd drukwerk "bedoeld is om de bevolking nuttige informatie van niet-commerciële aard te verstrekken" en aldus een "functie van algemeen belang" vervult.

Het middel verwijt het arrest dat het zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, daar het niet vaststelt dat uit die belastingverordening of uit het administratief dossier van de gemeente, verweerster, blijkt dat de bij de belastingverordening ingevoerde vrijstelling op die grond berust.

Het middel verwijt aldus aan het arrest dat het niet de vaststellingen in feite bevat die het Hof in staat moeten stellen het aan het Hof opgedragen wettigheidstoezicht uit te oefenen.

Die grief houdt geen verband met die welke gegrond is op de schending van de in het middel vermelde bepalingen van de Grondwet.

Het middel dat niet de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verwijt dat het Hof onmogelijk de wettigheid ervan kan nagaan

  • Artikel 149, Gw. (1994)

  • Verzuim

  • Ontvankelijkheid