- Arrest van 4 maart 2011

04/03/2011 - C.10.0191.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Opdat een buitenlandse rechterlijke beslissing in toepassing van artikel 25, §1, 8°, van het Wetboek IPR niet wordt erkend of uitvoerbaar verklaard, is vereist dat de Belgische rechter onderzoekt of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter uitsluitend gegrond was op de aanwezigheid van de verweerder of van goederen zonder rechtstreeks verband met het geschil in de Staat waartoe die rechter behoort.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0191.N

F.B.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

W.V.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 november 2009.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 22, vierde lid, Wetboek IPR mag een buitenlandse rechterlijke beslissing alleen erkend of uitvoerbaar verklaard worden indien zij de voorwaarden gesteld in artikel 25 niet schendt.

Artikel 25, § 1, 8°, Wetboek IPR bepaalt dat een buitenlandse rechterlijke beslissing niet erkend of uitvoerbaar wordt verklaard indien de bevoegdheid van de buitenlandse rechten uitsluitend gegrond was op de aanwezigheid van de verweerder of van goederen zonder rechtstreeks verband met het geschil in de Staat waartoe die rechter behoort.

2. Opdat een buitenlandse rechterlijke beslissing in toepassing van artikel 25, § 1, 8°, Wetboek IPR niet wordt erkend of uitvoerbaar verklaard, is vereist dat de Belgische rechter onderzoekt of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter uitsluitend gegrond was op de aanwezigheid van de verweerder of van goederen zonder rechtstreeks verband met het geschil in de Staat waartoe die rechter behoort.

3. De appelrechters stellen vast dat, om de bevoegdheid van de Superior Court of California te verantwoorden, op het certificaat dat gehecht is aan de inleidende dagvaarding werd aangekruist dat de eiser woonachtig is in het district en de raadsman van de verweerder uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de verweerder nooit woonachtig is geweest in het district en steeds in Nederland of België verbleven heeft. Zij oordelen: "Aan geen één van de bevoegdheidsgronden die vermeld staan op het certificaat gehecht aan de akte van rechtsingang werd voldaan. [De verweerder] heeft nooit gewoond in het district. [De verweerder] heeft nooit zakelijke rechten gehad op onroerende goederen gelegen in het district Riverside. Hij is enkel in bezit geweest van een soort vastgoedcertificaat dat hem rechten verleende op de opbrengst na verkoop van het onroerende project ‘Triangle'. Het onderliggende geschil had betrekking op een overeenkomst tot het behartigen van zijn zakelijke belangen door [de eiser] onder meer in het project ‘Triangle' opgemaakt te Maastricht op 13 maart 2003. Het voorwerp van de vordering behelsde de contractueel voorziene vergoeding voor de dienstverlening naar aanleiding van de tussenkomst van [de eiser]. Als dusdanig bestaat er geen rechtstreeks verband tussen de grond en het geschil. De betalingsverbintenis situeert zich niet in de USA maar wel degelijk in Maastricht als plaats waar de verbintenis is aangegaan en dient uitgevoerd [te worden]. Derhalve kon niet worden voldaan aan de vordering tot uitvoerbaarverklaring".

4. Door aldus te oordelen, zonder te onderzoeken dat de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid uitsluitend had gegrond op de aanwezigheid van de verweerder of van goederen zonder rechtstreeks verband met het geschil in de Staat waartoe die rechter behoort, vermochten de appelrechters niet zonder schending van artikel 25, § 1, 8°, Wetboek IPR oordelen dat niet aan de uitvoerbaarverklaring van de uitspraak van 1 september 2006 van de Superior Court of California, County of Riverside - limited civil, kon worden voldaan.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep in de zaak 2009/AR/1242 toelaatbaar verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 4 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Buitenlandse rechterlijke beslissing

  • Voorwaarden

  • Weigering

  • Weigeringsgronden

  • Artikel 25, § 1, 8°, Wetboek IPR

  • Opdracht van de Belgische rechter