- Arrest van 9 maart 2011

09/03/2011 - P.10.1299.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het staat aan de strafrechter om in feite uit te maken of, naargelang het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttig gevolg dat hij van het valse belastingstuk verwacht al dan niet verwezenlijkt is, aan het gebruik ervan een einde is gekomen waardoor de verjaringstermijn van de strafvordering is ingegaan; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben (1). (1) Zie Cass., 13 jan. 2009, AR P.08.0882.N, A.C., 2009, nr. 23; Cass., 3 juni 2009, AR P.08.1732.F, A.C., 2009, nr. 370; Cass., 27 okt. 2009, AR P.09.0748.N, A.C., 2009, nr. 619; Cass., 18 nov. 2009, AR P.09.0958.F, A.C., nr. 675, met concl. adv.-gen. Vandermeersch in Pas., 2009, nr. 675.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1299.F

I. L. B.,

II. J. G.,

III. L. B.,

IV. J. G.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

de cassatieberoepen sub III en IV tegen

1. WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering, in de persoon van de minister van Economie en Werkgelegenheid,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur bij de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 januari 2009, en het arrest van hetzelfde hof van beroep, correctionele kamer, van 24 juni 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. De cassatieberoepen tegen het arrest van 15 januari 2009 waarbij de hogere beroepen van de eisers tegen de beschikking tot verwijzing ontvankelijk maar niet gegrond worden verklaard

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

B. De cassatieberoepen tegen het arrest van 24 juni 2010

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen op de strafvordering die tegen de eisers is ingesteld

Eerste middel

Eerste drie onderdelen

Het middel voert aan dat de verjaringstermijn van de strafvordering niet op een verschillende datum kan ingaan naargelang de belastingplichtige al dan niet gebruik maakt van de in de wet bepaalde rechtsmiddelen tegen de vastgestelde aanslagen. Het voert aan dat, door het verder gebruik van het valse belastingstuk te associëren met het feit dat de belastingplichtige dat stuk aan de administratie tegenwerpt om de betaling van de belasting te vermijden of de verplichting daartoe uit te stellen, het arrest die belastingplichtige verplicht om tegen zichzelf te getuigen of schuld te bekennen, waardoor hem met name het recht wordt ontnomen om de wettigheid van de tegen hem vastgestelde aanslagen daadwerkelijk te betwisten.

Het staat aan de strafrechter om in feite uit te maken of, naargelang het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttig gevolg dat hij van het valse belastingstuk verwacht, al dan niet verwezenlijkt is, aan het gebruik ervan een einde is gekomen waardoor de verjaringstermijn van de strafvordering een aanvang neemt. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat:

- de belastingadministratie aanvullende aanslagen heeft ingekohierd voor een half dozijn belastingaanslagen van de coöperatie waarvan de eisers de beheerders waren,

- de administratie een dwangbevel heeft uitgevaardigd tegen de vennootschap, ter betaling van de ontdoken belasting over de toegevoegde waarde, alsook van de geldboeten die daarop zijn gesteld,

- de coöperatie rechtsmiddelen heeft aangewend en tegen het dwangbevel verzet heeft aangetekend,

- het verzoekschrift en het verzet betwisten dat de door de vennootschap geboekte nepfacturen vals zijn en opwerpen dat de leveringen, prestaties en betalingen echt zijn,

- de belastingadministratie tot op vandaag de reeds ingekohierde aanslagen niet heeft kunnen innen.

Het arrest leidt daaruit af dat het nuttig gevolg van de valsheid voortduurt.

Die gevolgtrekking tast het recht om geen schuld te bekennen niet aan en miskent noch het gelijkheidsbeginsel in belastingzaken, noch het recht om de wettigheid van een aanslag te betwisten voor een onpartijdig rechtscollege. Zij treft alleen het gebruik dat van de van valsheid betichte stukken wordt gemaakt met het opzet de belastingadministratie te misleiden, door te weigeren dat gebruik gelijk te stellen met een gewone wijze van uitoefening van het recht van verdediging tegen een onverschuldigde belasting.

Op grond van die bekritiseerde overweging hebben de appelrechters bijgevolg naar recht kunnen beslissen dat de strafvordering wegens het verderzetten van het gebruik van de valse stukken, met name van de fiscale stukken, niet vervallen is door verjaring.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde en vijfde onderdeel

Het arrest geeft van de artikelen 450 WIB92 en 73bis Btw-Wetboek niet de uitlegging die door de eisers wordt voorgesteld, volgens welke die bepalingen beletten dat de verjaring loopt zolang over de door de belastingplichtige ingestelde rechtsmiddelen geen uitspraak werd gedaan of hij geen afstand ervan heeft gedaan.

Zo beslist het arrest evenmin dat de artikelen 193 tot 197 Strafwetboek, in tegenstelling tot de andere misdrijven, verhinderen dat de verjaring begint te lopen, zolang over de burgerlijke rechtsvordering van het slachtoffer geen uitspraak werd gedaan.

Het arrest beperkt zich ertoe om, op grond van de daarin opgesomde feitelijke gegevens, te beslissen dat het aangeklaagde gebruik niet onder het recht van verdediging valt, gelet op de procédés die zijn aangewend tot staving van de rechtsmiddelen die tegen de belastingheffende overheid worden aangewend.

Het middel dat op een onjuiste uitlegging van het arrest berust, mist feitelijke grondslag.

De verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen

De eisers vragen het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de overeenstemming, enerzijds, van de artikelen 450 WIB92 en 73bis Btw-Wetboek, met zowel de artikelen 13, 170 en 172 als met de artikelen 10 en 11 Grondwet en, anderzijds, van de artikelen 193 en 197 Strafwetboek met diezelfde artikelen 10 en 11.

Aangezien de voorgestelde vragen berusten op een interpretatie van de aangevoerde wetsbepalingen die geen steun vindt in het arrest, belasten zij het Grondwettelijk Hof niet met de overeenstemming van een wet, zoals die door de rechtspraak wordt uitgelegd, met de Grondwet, maar eigenlijk met het toezicht op de conformiteit van de rechterlijke beslissing zelf.

Er is bijgevolg geen grond om de voormelde vragen te stellen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen die tegen de eisers zijn ingesteld

a. door het Waals Gewest

De eisers voeren geen bijzonder middel aan.

b. de Belgische Staat

De eisers voeren geen bijzonder middel aan tegen de beslissing die uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid.

Zij doen integendeel afstand zonder berusting van hun cassatieberoep, in zoverre het gericht is tegen de beslissing over de omvang van de schade van de verweerder.

Bijgevolg is er geen grond om het tweede middel van de eisers te onderzoeken.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen het arrest van 24 juni 2010 dat op de burgerlijke rechtsvordering van de Belgische Staat tegen de eisers uitspraak doet over de omvang van zijn schade.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vals belastingstuk

  • Gebruik van valse stukken

  • Duur van het misdrijf

  • Voorwaarden

  • Verjaring

  • Strafvordering

  • Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter