- Arrest van 9 maart 2011

09/03/2011 - P.10.1769.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat de beklaagde een facultatieve bijkomende straf van ontzetting van het kiesrecht oplegt, die door de wet niet was gesteld vóór de tegen hem bewezen verklaarde misdrijven werden gepleegd, schendt artikel 2, eerste lid, van het Strafwetboek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1769.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

tegen

S. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 oktober 2010.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht een middel aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 31, tweede lid, Strafwetboek.

De eiser verwijt het arrest dat het de verweerder een onwettige bijkomende straf oplegt van ontzetting van het kiesrecht.

De feiten die door het bestreden arrest bewezen zijn verklaard werden volgens de appelrechters gepleegd in de loop van de jaren 2006 en 2007.

Artikel 2 van de wet van 14 april 2009 houdende verscheidene wijzigingen inzake verkiezingen heeft artikel 31 Strafwetboek aangevuld met een tweede lid, dat van de ontzetting van het kiesrecht een nieuwe facultatieve bijkomende straf maakt.

Naar luid van artikel 31 Strafwetboek kan die ontzetting worden uitgesproken bij de arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis of tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn.

Artikel 5 van de wet van 14 april 2009 voegt in het Strafwetboek een artikel 33bis in, dat aan de hoven en de rechtbanken het recht geeft om de veroordeelden tot correctionele straffen diezelfde straf op te leggen, voor een beperkte termijn van vijf tot tien jaar.

Krachtens artikel 70 is deze wet in werking getreden op 15 april 2009, op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

In zoverre het arrest de verweerder een bijkomende straf oplegt die door de wet niet was gesteld vóór de tegen hem bewezen verklaarde misdrijven werden gepleegd, schendt het artikel 2, eerste lid, Strafwetboek.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verweerder ontzet van de uitoefening van het in artikel 31, tweede lid, Strafwetboek bedoelde kiesrecht.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Nieuwe wet

  • Facultatieve bijkomende straf die niet door de oude wet was gesteld

  • Terugwerkende kracht