- Arrest van 11 maart 2011

11/03/2011 - F.10.0069.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het toetsingsrecht van de rechter aan wie gevraagd wordt een B.T.W.-boete te toetsen die een repressief karakter heeft, moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de administratieve geldboete niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete met zodanige omvang.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0069.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der btw-ontvangkantoor te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELLIMMO nv, met zetel te 8730 Beernem, Wellingstraat 120,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 september 2009.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 70, § 2, eerste lid, Btw-wetboek, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, wanneer de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54 van hetzelfde wetboek, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan.

Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, eerste lid, sub 3°, van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten ten aanzien van de overtredingen beoogd in artikel 70, § 2, Btw-wetboek bepaald in tabel C van de bijlage bij dit besluit.

Luidens rubriek I, sub 1°, van tabel C van de bijlage bij het voornoemde KB nr. 41 bedraagt de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen of van als zodanig geldende stukken dat geen verschuldigheid van btw tot gevolg heeft 60 procent van de op de handelingen verschuldigde belasting.

2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter op grond van een subjectieve interpretatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden en verminderen.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat werd uitgevaardigd op 26 november 2004, in een eerste fase werd vastgelegd op 200 procent van de belasting met toepassing van artikel 70, § 2, Btw-wetboek en vervolgens werd verminderd met toepassing van rubriek I, sub 1°, van tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zodat uiteindelijk een geldboete van 60 procent werd opgelegd;

- de geldboete wegens het niet-uitreiken van facturen, die vervat ligt in het dwangbevel dat uitgevaardigd werd op 11 december 2006, werd vastgesteld op dezelfde wijze als hoger vermeld, nl. 60 procent van de belasting (in toepassing van de artikelen 70, § 2, Btw-wetboek, artikel 1, eerste lid, sub 30 KB nr. 41 en tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41).

4. De appelrechters oordelen in verband met de boeten die werden opgelegd wegens het niet-uitreiken van facturen dat:

- de overtreding van de verweerster erin bestaat dat zij door het niet uitreiken van facturen eventuele fraude door haar klanten heeft vergemakkelijkt, zonder zelf de belasting over de toegevoegde waarde te ontduiken en een fiscaal voordeel te genieten, waarbij moet aangenomen worden dat zij handelde onder druk van de concurrentie;

- het aanneembaar is dat de kans groot is dat een belangrijk aantal klanten weg zal blijven, of niet bij de verweerster zal komen en zich zal gaan bevoorraden bij concurrerende handelaars (zoals bv. grootwarenhuizen of andere grossiers die op een vergelijkbare wijze werken) die handelen op een wijze die controle van deze klanten niet mogelijk maakt, wanneer de verweerster aan die klanten controleerbaarheid oplegt door het uitreiken van facturen.

3. Op grond van deze redenen waaruit blijkt dat de verweerster de fraude van haar klanten heeft vergemakkelijkt en door haar verzuim heeft bijgedragen tot een ontwrichting van het btw-stelsel, konden de appelrechters niet oordelen dat de opgelegde boeten voor het niet-uitreiken van facturen onevenredig zijn met de begane inbreuk en deze verminderen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Doeleinden