- Arrest van 14 maart 2011

14/03/2011 - S.09.0089.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de onverschuldigde betaling voortvloeit uit een door de sociaal verzekerde uitgeoefende activiteit die door de artikelen 44 en 45, eerste lid, 1°, Werkloosheidsbesluit, verboden is, hangt het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van de ten onrechte betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, niet af van de voorwaarde dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de inkomsten uit die activiteit vaststelt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... . 1 Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0089.F

L. A.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 juni 2009 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 7, § 13, inzonderheid tweede en derde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 44, 45, 169, eerste lid, en 170, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat verweerders vordering tot terugbetaling van de werkloosheidsuitkeringen die de eiser heeft ontvangen voor de periode van 1 september 2001 tot 1 september 2002, niet verjaard was op de datum van de beslissing van 27 juni 2006 en verklaart het beroep tegen die beslissing bijgevolg niet-gegrond, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid, wat betreft de verjaring van de vordering tot terugbetaling, dat "niet wordt betwist dat (de eiser), volgens het arrest van 8 februari 2006, geen recht had op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode van 1 september 2001 tot 1 september 2002, hoewel hij er ontvangen heeft.

Krachtens artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald.

Het recht (van de verweerder) om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, verjaart na drie jaar (artikel 7, § 13, van de besluitwet van 28 december 1944).

De verjaring loopt niet ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is (artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek).

Om te kunnen nagaan of (eisers) inkomsten uit zijn zelfstandige activiteit verenigbaar waren met de artikelen 44 en 45, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit, moest (de verweerder) beschikken over de aanslagbiljetten voor de bewuste tijdvakken. (De verweerder) moet over die stukken beschikken opdat de verjaring zou ingaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat (de eiser) die stukken op geen enkel tijdstip tijdens de procedure heeft overgelegd, wat ook niet verwonderlijk is, gezien de bewuste inkomsten : 51.638,89 euro in 2000, 61.820,61 euro in 2001, 43.289,65 euro in 2002. (De eiser) heeft pas na het arrest van 8 februari 2006 (in werkelijkheid, 19 juni 2003) van het arbeidshof, dat de overlegging van die aanslagbiljetten beval, beslist om ze over te leggen.

De verjaring is dus pas ten vroegste kunnen ingaan op 8 februari 2006.

De vordering tot terugbetaling was bijgevolg niet verjaard op de datum van de beslissing, namelijk 27 juni 2006".

Grieven

Krachtens de artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, zonder arbeid zijn. In de regel heeft hij dus geen recht op die uitkeringen wanneer hij een activiteit voor zichzelf verricht die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit. De werkloze mag bijgevolg in de regel geen zelfstandige activiteit uitoefenen.

Wanneer de werkloze een door de artikelen 44 en 45 verboden activiteit uitoefent, ontvangt hij ten onrechte werkloosheidsuitkeringen, alleen al omdat hij die activiteit uitoefent, ongeacht de inkomsten die deze activiteit hem oplevert.

Krachtens artikel 169, eerste lid, van datzelfde koninklijk besluit, dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. De directeur moet overeenkomstig artikel 170, eerste lid, van dat koninklijk besluit, de terugvordering ervan bevelen.

Krachtens artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944, verjaart het recht van de verweerder om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, na drie jaar. Krachtens het derde lid van die bepaling gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd.

Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat de vordering van de verweerder tot terugbetaling van de onverschuldigd ontvangen uitkeringen niet afhangt, in de zin van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek, van het bedrag van de inkomsten uit de verboden activiteit en, bijgevolg, van de overlegging van de aanslagbiljetten van de werkloze, zodat de aanvangsdatum van de verjaringstermijn niet kan worden verplaatst naar de datum waarop van die aanslagbiljetten kennis is genomen.

Het bestreden arrest stelt vast dat het arbeidshof, in zijn arrest van 8 februari 2006, heeft beslist dat de eiser, voor de periode van 1 september 2001 tot 1 september 2002, niet voldeed aan de voorwaarden van de artikelen 44 en 45, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, en voor die periode dus geen recht had op werkloosheidsuitkeringen.

Het arrest, dat niettemin beslist dat de verjaringstermijn van verweerders rechtsvordering tot terugbetaling "pas ten vroegste is kunnen ingaan op 8 februari 2006", dat is de datum waarop de aanslagbiljetten volgens het arrest werden overgelegd, schendt alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 169, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald.

Krachtens artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, verjaart het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, te dezen de verweerder, om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, na drie jaar. Volgens artikel 7, § 13, derde lid, gaat de verjaringstermijn in de regel in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd.

Uit de artikelen 44 en 45, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit blijkt dat de sociaal verzekerde, om uitkeringen te kunnen genieten, geen activiteit voor zichzelf mag verrichten die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit.

Wanneer de onverschuldigde betaling voortvloeit uit een door de sociaal verzekerde uitgeoefende activiteit die door de artikelen 44 en 45, eerste lid, 1°, verboden is, hangt het recht van de verweerder om de terugbetaling van de ten onrechte betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, niet af van de voorwaarde dat de verweerder de inkomsten uit die activiteit vaststelt.

Het bestreden arrest stelt vast dat het arbeidshof, in het arrest van 8 februari 2006, heeft beslist dat de eiser, van 1 september 2001 tot 1 september 2002, niet voldeed aan de voorwaarden van de artikelen 44 en 45, eerste lid, 1°, en voor die periode dus geen recht had op werkloosheidsuitkeringen.

Het arrest, dat beslist dat de verweerder over de aanslagbiljetten betreffende de inkomsten van de eiser voor de betrokken tijdvakken moet beschikken opdat de verjaringstermijn zou ingaan, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat het recht van de verweerder om de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, niet was verjaard op 27 juni 2006.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat de vordering tot terugbetaling niet was verjaard op 27 juni 2006, datum waarop de verweerder zijn beslissing genomen had.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onvrijwillige werkloosheid

  • Arbeid

  • Zelfstandige activiteit

  • Gevolg

  • Uitkeringen

  • Onverschuldigde betaling