- Arrest van 14 maart 2011

14/03/2011 - S.10.0043.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake arbeidsongevallen kan de eis tot herziening binnen de drie jaar worden ingesteld ; een tegenvordering tot herziening kan na het verstrijken van de voormelde termijn alleen worden ingesteld tegen een partij die zelf ook een vordering tot herziening heeft ingesteld (1). (1). Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... . 1 Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0043.F

AXA BELGIUM, nv,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 april 2008 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 24, inzonderheid tweede lid, 72, inzonderheid eerste en derde lid, en, voor zover nodig, 25 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ;

- de artikelen 12, inzonderheid eerste lid, 13, 14, 807, 809 en, voor zover nodig, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres niet-gegrond en bevestigt bijgevolg het beroepen vonnis. Het beslist dat de eiseres het nodige had moeten doen om haar eis tot herziening binnen de wettelijke termijn in te stellen, aangezien een dergelijke eis te dezen niet bij tegenvordering kon worden ingesteld. Die beslissing van het arbeidshof is gegrond op de volgende redenen:

"Grondslag

In zijn dagvaarding van 23 september 2005 stelt [de verweerder] dat hij van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005 tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest en een lumbale neurochirurgische ingreep heeft ondergaan op 23 mei 2005, en dit volgens zijn adviserend geneesheer het gevolg was van het arbeidsongeval van 27 oktober 2000. Hij vordert dat de eiseres zou worden veroordeeld om de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005 en de kosten van de lumbale neurochirurgische ingreep van 23 mei 2005 ten laste te nemen.

De hoofdvordering heeft dus wel degelijk uitsluitend betrekking op de toepassing van artikel 25 van de wet van 10 april 1971 en niet op de toepassing van artikel 72 van de voormelde wet, en het geheel van feiten op grond waarvan de dagvaarding is uitgebracht, heeft dus wel degelijk uitsluitend betrekking op een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005, en op een lumbale neurochirurgische ingreep van 23 mei 2005, en niet op de een of andere wijziging van de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van de verweerder.

Het gaat duidelijk niet om een hoofdeis tot herziening.

[De eiseres] beseft dat zelf maar al te goed, wat zij ook moge beweren, daar zij zelf, in het kader van de evocatie, uitsluitend tegenspraak voert over de toepassing van artikel 25 van de wet van 10 april 1971.

De eiseres had bijgevolg het nodige moeten doen om haar eis tot herziening binnen de wettelijke termijn in te stellen, aangezien een dergelijke eis te dezen niet bij een tegenvordering kon worden ingesteld;

Het hoger beroep is niet gegrond.

Het beroepen vonnis wordt bevestigd."

Grieven

1.1. Luidens artikel 12, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is de vordering een inleidende vordering of een tussenvordering.

Krachtens artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek, is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en die ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken.

Krachtens artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek is de tegenvordering een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken.

Overeenkomstig artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek worden tussen de partijen in het geding de tussenvorderingen, zoals een tegenvordering, ingesteld bij conclusies die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen worden overgelegd, zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746 van dat wetboek.

Het bepaalde in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd (zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is), is niet van toepassing op de tussenvordering (tegenvordering) die de verweerder in eerste aanleg instelt.

De tegenvordering die in eerste aanleg wordt ingesteld, staat los van de hoofdvordering en dus van de gedinginleidende dagvaarding, zodat die tegenvordering niet op een in de dagvaarding aangevoerd feit of op een daarin aangevoerde akte moet berusten om ontvankelijk te kunnen worden verklaard. Voor de ontvankelijkheid van die tegenvordering is er geen verband vereist tussen het voorwerp van de hoofdvordering en het voorwerp van de in eerste aanleg ingestelde tegenvordering.

1.2. Artikel 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat, indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is of wordt, een jaarlijkse vergoeding van 100 pct., berekend op het basisloon en de graad van de ongeschiktheid, de dagelijkse vergoeding vervangt vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont. Krachtens dat artikel wordt dit vertrekpunt vastgesteld bij een overeenkomst tussen partijen of bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

Krachtens artikel 72, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, kan de eis tot herziening van de vergoedingen, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene of van de noodzakelijkheid van de geregelde hulp van een ander persoon of op het overlijden van de getroffene aan de gevolgen van het ongeval, ingesteld worden binnen drie jaar die volgen op de datum van de homologatie of de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de in artikel 24 bedoelde beslissing of kennisgeving of van de datum van het ongeval indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen zeven dagen overschrijdt en indien de verzekeringsonderneming de getroffene genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid.

Artikel 72, derde lid, van de wet van 10 april 1971 bepaalt dat de eis tot herziening bij tegenvordering tot bij het sluiten van het debat mag worden ingesteld, bij wijze van conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de andere partijen worden medegedeeld. Volgens die bepaling kan de eis tot herziening, op voorwaarde dat zij vóór het sluiten van het debat wordt ingesteld, in voorkomend geval bij tegenvordering worden ingesteld na het verstrijken van de herzieningstermijn bepaald in artikel 72, eerste lid, van die wet. Volgens het derde lid van artikel 72 van de wet van 10 april 1971 hoeft de hoofdvordering geen eis tot herziening in de zin van het eerste lid van dat artikel te zijn opdat de eis tot herziening bij tegenvordering kan worden ingesteld.

1.3. Uit de bewoordingen van en de onderlinge samenhang tussen de voormelde artikelen 12, 13, 14, 807 en 809 van het Gerechtelijk Wetboek en 72, eerste en derde lid, van de wet van 10 april 1971, volgt dat een tegenvordering tot herziening in eerste aanleg op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld na het verstrijken van de herzieningstermijn, met name zolang het debat niet gesloten is, zelfs als de hoofdvordering geen eis tot herziening is in de zin van artikel 72 van de wet van 10 april 1971.

2. Uit de vaststellingen van het arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de verweerder werd getroffen door een arbeidsongeval op 27 oktober 2000;

- bij overeenkomst-vergoeding, die door het Fonds voor Arbeidsongevallen werd bekrachtigd op 25 september 2002, een blijvende arbeidsongeschiktheid van 5 pct. toegekend vanaf 1 januari 2002;

- de verweerder in zijn voor de arbeidsrechtbank te Luik uitgebrachte dagvaarding van 23 september 2005 voorhield dat hij van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005 arbeidsongeschikt is geweest en op 23 mei 2005 een lumbale neurochirurgische ingreep heeft ondergaan, en dit volgens zijn adviserend geneesheer het gevolg was van het arbeidsongeval van 27 oktober 2000, en hij vorderde dat [de eiseres] zou worden veroordeeld om de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005 en de kosten van de lumbale neurochirurgische ingreep van 23 mei 2005 ten laste te nemen;

- in de loop van het deskundigenonderzoek dat de arbeidsrechtbank te Luik bij vonnis van 11 oktober 2005 had bevolen, waarin hij werd verzocht zijn klachten in afnemende orde van belangrijkheid op te sommen, de verweerder verklaarde dat hij geen klachten meer had en in antwoord, op de door de deskundige gestelde vraag, bevestigd heeft dat dit te danken was aan de lumbale chirurgische ingreep van 23 mei 2005;

- de eiseres bijgevolg bij conclusie, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Luik op 22 november 2006, voor die rechtbank een tegenvordering tot herziening heeft ingesteld.

[Het arrest] beslist dat de eiseres het nodige had moeten doen om haar eis tot herziening binnen de wettelijke termijn in te stellen en verklaart de instelling van en dergelijke eis bij tegenvordering niet ontvankelijk.

Uit de onderlinge samenhang tussen de artikelen 12, 13, 14, 807 en 809 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de in eerste aanleg ingestelde tegenvordering los staat van de hoofdvordering (zodat zij niet noodzakelijk betrekking heeft op het voorwerp van de hoofdvordering en niet moet berusten op een in de dagvaarding aangevoerd feit of akte) en uit de bewoordingen van artikel 72, derde lid, van de wet van 10 april 1971 volgt dat een tegenvordering op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld na het verstrijken van de herzieningstermijn, met name zolang het debat niet gesloten is, zelfs als de hoofdvordering geen eis tot herziening is in de zin van artikel 72 van de wet van 10 april 1971. In zoverre de beslissing van het arrest dat de door de eiseres ingestelde tegenvordering tot herziening niet ontvankelijk is, berust op de redenen dat de hoofdvordering wel degelijk uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van artikel 25 van de wet van 10 april 1971 en niet op de toepassing van artikel 72 van de voormelde wet, en dat het geheel van feiten op grond waarvan de dagvaarding is uitgebracht, wel degelijk uitsluitend betrekking heeft op een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2005, alsook op een lumbale neurochirurgische ingreep van 23 mei 2005, en niet op de een of andere wijziging van de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van de verweerder, zodat die tegenvordering "kennelijk geen hoofdeis tot herziening is", schendt zij de voormelde artikelen.

Het feit dat de eiseres in het kader van de evocatie, dat wil zeggen in het kader van de hoofdvordering van de verweerder, zelf uitsluitend tegenspraak voert over de toepassing van artikel 25 van de wet van 10 april 1971, belet niet dat zij, krachtens artikel 72, derde lid, van de wet van 10 april 1971, in eerste aanleg een tegenvordering kan instellen om de herziening te vorderen van de op grond van artikel 24 van dezelfde wet vastgestelde graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, zelfs als de herzieningstermijn reeds is verstreken en de hoofdvordering geen vordering tot herziening is. In zoverre de beslissing van het arrest volgens welke de door de eiseres ingestelde tegenvordering tot herziening niet ontvankelijk is, berust op de reden dat "[de eiseres] dat zelf maar al te goed beseft, wat zij ook moge beweren, daar zij zelf, in het kader van de evocatie, uitsluitend tegenspraak voert over de toepassing van artikel 25 van de wet van 10 april 1971", schendt zij de voormelde artikelen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 72, derde lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de eis tot herziening bij tegenvordering mag worden ingesteld tot bij het sluiten van het debat, bij wijze van conclusie die ter griffie wordt neergelegd en aan de andere partijen wordt medegedeeld.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet volgt dat na het verstrijken van de in artikel 72, eerste lid, vastgestelde termijn, alleen een tegenvordering tot herziening kan worden ingesteld tegen een partij die zelf ook een vordering tot herziening heeft ingesteld.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Gustave Steffens en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Termijn

  • Tegenvordering

  • Termijn