- Arrest van 15 maart 2011

15/03/2011 - P.10.1282.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige staat moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn zodat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet nog bijkomend een zelfde respijttermijn begint te lopen vanaf de betekening (1). (1) Zie: Beneluxhof 11 februari 2011, nrs A 2010/1 tot en met A 2010/6, www.courbeneluxhof.eu

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1282.N

1. M. J. J. D. B.

beklaagde,

2. A. M. C. F. B.

beklaagde,

met als raadslieden mr. Jan Bouckaert en mr. Hans Van Bavel, advocaten bij de balie te Brussel.

eisers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 juni 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 45, § 2, Stedenbouwwet 1962 en de artikelen 4.2.1.1°, a, 6.1.1.1°, en 6.1.1, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt onterecht dat de verkavelingsvergunning, in zoverre deze het betwiste perceelsdeel in woongebied heeft opgenomen, wegens strijdigheid met de bestemming van het gewestplan onwettig is; artikel 45, § 2, Stedenbouwwet 1962 laat immers de gemachtige ambtenaar toe om af te wijken van alle bestaande verordenende bepalingen, met inbegrip van de voorschriften van het gewestplan.

2. Artikel 45, § 2, eerste lid, Stedenbouwwet 1962 bepaalt: "Het advies van de gemachtigde ambtenaar kan, mits behoorlijk met redenen omkleed, tot weigering van de vergunning besluiten. Het kan aan de afgifte van de vergunning ook voorwaarden verbinden om een goede plaatselijke ordening veilig te stellen, en in dat verband desnoods afwijken van alle bestaande verordenende voorschriften, inzonderheid van die welke uit rooiplannen voortvloeien."

Het vierde lid van dezelfde paragraaf bepaalt: "Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag strekt tot ver- of herbouwing of uitbreiding van bestaande vergunde gebouwen op dezelfde plaats, of tot het herbouwen of uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen binnen de onmiddellijke omgeving ervan, dit alles onder voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, zoals moet blijken uit de motivering van het desbetreffende advies."

Uit deze bepalingen volgt dat artikel 45, § 2, eerste lid, in fine, Stedenbouwwet 1962 aan de gemachtigde ambtenaar geen bevoegdheid verleent om met het oog op het veilig stellen van een goede plaatselijke ordening, bij het bepalen van de voorwaarden van een vergunning zonder meer van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan af te wijken. Uit de gehele context van artikel 45 Stedenbouwwet 1962 blijkt integendeel dat met "alle bestaande verordenende voorschriften, inzonderheid van die welke uit de rooiplannen voortvloeien", alleen de verordenende voorschriften worden bedoeld die betrekking hebben op de rooilijn, de afmetingen, de plaatsing of het uiterlijk van bouwwerken, zoals bepaald door rooiplannen, bouwverordeningen en dergelijke.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: de vaststelling dat er nog geen 16 jaar verstreken zijn sinds het plegen van het misdrijf en dat de constructies in stand werden gehouden, laten de appelrechters niet toe om wettig te oordelen dat de redelijke termijn niet overschreden werd; deze motivering houdt geen enkel verband met het ogenblik waarop de eisers voor het eerst met de dreiging van de tegen hen gerichte strafvervolging werden geconfronteerd.

4. Met hun oordeel dat "de redelijke termijn [...] geenszins [is] verstreken zoals de [eisers] voorhouden nu er geen 16 jaar verstreken zijn sinds het plegen van het misdrijf" weerleggen de appelrechters eisers' conclusie "dat de werken [...] reeds in 1988 [werden] uitgevoerd. [...] Tussen het plegen van het vermeende doch betwiste misdrijf en de instelling van de herstelvordering (29 november 2004) zijn niet minder dan 16 jaar verstreken. Dergelijke termijn is manifest onredelijk lang, zodat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM."

Door te oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden, daarbij rekening houdend met de instandhouding van de constructies, onderzoeken de appelrechters de duur van de strafvervolging vanaf de aanvang van de redelijke termijn. Bij ontstentenis van conclusie over het tijdstip van instellen van de strafvervolging als aanvangspunt voor deze termijn, moesten zij hun oordeel daarover niet in het bijzonder motiveren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 65, § 1, a, Stedenbouwwet 1962, artikel 68, § 1, a, Stedenbouwdecreet 1996, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: gelet op de onwettige motivering met betrekking tot de niet-overschrijding van de redelijke termijn is het bevolen herstel in de oorspronkelijke staat evenmin naar recht verantwoord.

6. Het onderdeel gaat volledig uit van het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel dat het oordeel van de appelrechters met betrekking tot de redelijke termijn onwettig is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 65, § 1, a, Stedenbouwwet 1962, artikel 68, § 1, a, Stedenbouwdecreet 1996, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: in zover het arrest beveelt de plaats in de vorige staat te herstellen en de hersteltermijn vastlegt op zes maanden en beslist dat die hersteltermijn geen dwangsomtermijn is in de zin van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek, miskennen de appelrechters de aard van de hersteltermijn als dwangsomtermijn.

8. De termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling (uitvoeringstermijn) is niet een termijn waarbij de rechter met toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek kan bepalen dat, na de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld, de dwangsom tot zolang niet zal verbeuren (respijttermijn).

Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn.

Daaruit volgt dat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet nog bijkomend eenzelfde respijttermijn begint te lopen vanaf de betekening.

Wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent, kan de dwangsom dus verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn. Vereist is wel dat de uitspraak die de dwangsom bepaalt, aan de schuldenaar is betekend. Die betekening, binnen of buiten de uitvoeringstermijn, verleent geen respijttermijn.

Het middel dat aanvoert dat het verbinden van een dwangsomveroordeling aan het bevel tot herstel van de plaats in de vorige staat binnen een bepaalde termijn inhoudt dat noodzakelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 44,75 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Herstel in de vorige staat

  • Veroordeling

  • Uit te voeren binnen een bepaalde termijn onder verbeurte van een dwangsom

  • Draagwijdte