- Arrest van 15 maart 2011

15/03/2011 - P.11.0443.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De inverdenkinggestelde of beklaagde die ingevolge een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing tot internering, na het verstrijken van de gewone termijn van verzet, wordt geïnterneerd door een beslissing van de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij, kan geen voorlopige invrijheidstelling aanvragen overeenkomstig artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0443.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN,

eiser,

tegen

J. A. M. L.

verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, geïnterneerd,

verweerder,

met als raadsman mr. Karl Wijnen, advocaat bij de balie te Mechelen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer zetelende in raadkamer, van 3 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet en artikel 18 Wet Bescherming Maatschappij, evenals miskenning van het rechtsbeginsel lex specialis derogat generalibus: de verweerder werd bij verstekarrest van 26 mei 2010 geïnterneerd; vermits het door de verweerder aangetekende verzet nog niet ontvankelijk werd verklaard, bestaat dit verstekarrest nog steeds; artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing in geval van internering; de appelrechters passen dan ook ten onrechte de Voorlopige Hechteniswet toe daar waar de Wet Bescherming Maatschappij in een rechtspleging ter zake voorziet.

2. Artikel 33, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat wanneer de hoven en de rechtbanken de beklaagde of de beschuldigde tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, veroordelen, zij op vordering van het openbaar ministerie zijn onmiddellijke aanhouding kunnen gelasten, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken.

Dit artikel laat geen onmiddellijke aanhouding toe in geval van internering.

Uit artikel 14 Wet Bescherming Maatschappij volgt dat, wanneer de rechter de internering van een inverdenkinggestelde of beklaagde heeft gelast, de betrokkene ter uitvoering van de beslissing die op de strafvordering lastens hem is uitgesproken, niet meer aan het gewone penitentiaire regime kan worden onderworpen maar zal worden opgenomen in de psychiatrische afdeling van een strafinrichting. De commissie tot bescherming van de maatschappij wijst de inrichting aan waar de internering plaatsvindt.

Artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend.

Indien de inverdenkinggestelde of beklaagde niet aangehouden is voor de zaak en beslist wordt hem te interneren, is geen onmiddellijke aanhouding of onmiddellijke tenuitvoerlegging mogelijk. In zulk geval kan geen voorlopige invrijheidstelling overeenkomstig artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet worden aangevraagd.

Artikel 18, laatste lid, Wet Bescherming Maatschappij bepaalt dat in dringende gevallen de voorzitter van de commissie tot bescherming van de maatschappij voorlopig de invrijheidstelling van de geïnterneerde kan gelasten; hij geeft hiervan onmiddellijk kennis aan de procureur des Konings. Zijn beslissing wordt voorgelegd aan de commissie, die tijdens haar eerstkomende vergadering uitspraak doet.

3. De verweerder die zich op dat ogenblik niet in voorlopige hechtenis bevond in het kader van de alsdan te beoordelen zaak, werd bij verstekarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 mei 2010 geïnterneerd.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- dit verstekarrest werd betekend op 28 juni 2010, maar niet aan persoon;

- de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij bij beslissing van 11 januari 2011 oordeelde dat de verweerder dient geseind voor aanhouding;

- de verweerder in uitvoering hiervan van zijn vrijheid werd beroofd;

- de verweerder op 21 februari 2011 verzet heeft aangetekend tegen het voormelde verstekarrest;

- de behandeling van dit verzet op zijn verzoek op de rechtszitting van 2 maart 2011 werd uitgesteld naar de rechtszitting van 30 maart 2011;

- de verweerder op 2 maart 2011 een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling heeft ingediend, gericht aan de kamer van het hof van beroep dat moet oordelen over zijn verzet.

4. De rechters oordelen dat zij op grond van de artikelen 7 en 31 Wet Bescherming Maatschappij en artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet bevoegd zijn te beslissen over het verzoek tot invrijheidstelling van de verweerder. Zij oordelen vervolgens dat de verweerder in vrijheid zal worden gesteld mits naleving van een voorwaarde.

Aldus maken zij ten onrechte toepassing van de Voorlopige Hechteniswet en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Zegt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 109,45 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Inverdenkinggestelde of beklaagde

  • Beslissing tot internering bij verstek

  • Verstrijken van de gewone termijn van verzet

  • Commissie tot Bescherming van de Maatschappij

  • Uitvoering van de internering

  • Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling

  • Artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet

  • Toepasselijkheid