- Arrest van 16 maart 2011

16/03/2011 - P.11.0451.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Genicot.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0451.F

A. E. H.,

Mr. Yannick De Vlaemynck en mr. Carine Couquelet, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Tegen de eiser is op 11 juli 2008 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd. Bij arrest van 16 april 2010, dat zijn gevangenneming beveelt, is hij naar het hof van assisen verwezen wegens poging tot moord om de diefstal te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren, diefstal met geweld of bedreiging, met verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 472 Strafwetboek, en deelneming aan een vereniging van boosdoeners die is opgericht met het oogmerk om misdaden te plegen waarop een straf van minstens vijftien jaar opsluiting staat.

Op 2 juli 2010 heeft de eiser een eerste verzoek tot invrijheidstelling ingediend dat bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 juli 2010 werd afgewezen.

Het bestreden arrest wijst een tweede verzoek van 21 februari 2011 af.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 5.3 EVRM, dat volgens het middel geschonden is, bepaalt dat de inverdenkinggestelde in vrijheid wordt gesteld zodra de handhaving van zijn hechtenis niet langer redelijk is.

Om te beoordelen of de duur van de hechtenis de door die bepaling gewaarborgde termijn al dan niet overschrijdt, gaat de rechter, aan de hand van de concrete gegevens van de zaak, zowel de effectieve als de relatieve duur van de hechtenis na, de moeilijkheidsgraad van het onderzoek, de wijze waarop het werd gevoerd, het gedrag van de eiser en van de bevoegde overheid.

De overbelasting van de rol van het vonnisgerecht waarvoor de beschuldigde moet verschijnen, kan op zich de verlenging niet rechtvaardigen van de hechtenis die hij sedert de voltooiing van het voorbereidend onderzoek tot aan het begin van het proces heeft ondergaan.

Het arrest dat beslist dat de redelijke termijn totnogtoe niet overschreden is, gelet op "de moeilijkheden die inherent zijn aan een dagbepaling voor het hof van assisen", en dat met name om die reden verlenging van de voorlopige hechtenis goedkeurt, maakt de eiser verantwoordelijk voor een falen dat niet aan hem te wijten is en schendt de aangevoerde verdragbepaling.

Het middel is gegrond.

Er is geen grond om acht te slaan op de twee overige middelen van de eiser, die niet tot vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Hof van assisen

  • Beschuldigde

  • Gedetineerde

  • Verzoek tot invrijheidstelling

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Arrest tot handhaving

  • Motivering

  • Redelijke termijn

  • Moeilijkheden inherent aan een dagbepaling voor het hof van assisen

  • Regelmatigheid