- Arrest van 16 maart 2011

16/03/2011 - P.11.0017.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat aanvoert dat het gevoerde proces niet eerlijk is aangezien tegen de arresten van het hof van assisen geen hoger beroep kan worden ingesteld voor een orgaan dat met volle rechtsmacht is bekleed, is niet ontvankelijk aangezien het niet gericht is tegen de in het cassatieberoep bedoelde beslissingen die geen uitspraak doen en ook geen uitspraak dienden te doen over het recht dat de eiser in cassatie zou hebben om, ondanks de wetsbepaling die hem dat belet, de gegrondheid van de beschuldiging door een hoger rechtscollege te laten onderzoeken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0017.F

M. S.,

beschuldigde, gedetineerd,

Mr. Florence Mouffe en mr. Véronique Van Thournout, advocaten bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het motiverend en het veroordelend arrest van het hof van assisen van de provincie Henegouwen van respectievelijk 28 en 29 oktober 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft verslag uitgebracht.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser voert aan dat het proces dat tegen hem wordt gevoerd niet eerlijk is aangezien tegen de arresten van het hof van assisen geen hoger beroep kan worden ingesteld voor een orgaan dat met volle rechtsmacht is bekleed.

Het hoger beroep tegen die arresten is uitgesloten op grond van artikel 355 Wetboek van Strafvordering.

De bestreden beslissingen doen geen uitspraak en het hof van assisen diende geen uitspraak te doen over het recht van de eiser om, ondanks de wetsbepaling die hem dat belet, de gegrondheid van de beschuldiging andermaal door een hoger rechtscollege te laten onderzoeken.

Aangezien het middel niet gericht is tegen de beide in het cassatieberoep bedoelde arresten, is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

Een eerlijk proces vereist dat de beschuldigde en de publieke opinie in staat worden gesteld om de beslissing van de jury te begrijpen, wat betekent dat haar beslissing moet worden gemotiveerd. Artikel 334, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, vereist dat de voornaamste redenen tot staving van de beslissing worden geformuleerd, zonder dat zij op alle neergelegde conclusies moeten antwoorden.

Het arrest van 28 oktober 2010 vermeldt dat de voornaamste redenen die de jury ertoe gebracht hebben de omschrijving doodslag in aanmerking te nemen, de volgende zijn :

- de eiser betwist de werkelijkheid van de aan het slachtoffer toegebrachte messteken niet;

- verschillende getuigenissen tonen aan dat hij zijn emoties voortdurend onder controle had;

- goed beseffend wat hij deed, heeft hij het slachtoffer bij zich geroepen, heeft hij een mes uit zijn zak gehaald en het opengeplooid;

- de medische vaststellingen getuigen van het geweld waarmee de messteken zijn toegebracht ; twee vitale organen zijn geraakt;

- door de lengte van het wapen en de plaats waar hij de messteken heeft toegebracht, wist de dader dat die steken dodelijk waren.

Die overwegingen stellen de eiser in staat om te onderscheiden welke feitelijke omstandigheden en bewijselementen waarover in de loop van het proces is gedebateerd, de jury ertoe gebracht hebben bevestigend te antwoorden op de eerste hoofdvraag over de beschuldiging van doodslag. Zij stellen het Hof ook in staat om zijn toezicht uit te oefenen.

In strijd met wat de eiser aanvoert, diende het hof van assisen niet daarenboven de naam te preciseren van de getuigen die geloofwaardig werden bevonden, de identiteit van de getuigen wier verklaring niet in aanmerking werd genomen, of de teneur van de medische vaststellingen die tot staving van de aangenomen kwalificatie zijn gekozen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De eiser voert aan dat het tegen hem gevoerde proces niet eerlijk is verlopen aangezien hij zich niet door een advocaat heeft kunnen laten bijstaan tijdens zijn verhoor door de politiediensten en tijdens zijn ondervraging door de onderzoeksrechter.

Krachtens artikel 291 Wetboek van Strafvordering, moeten de partijen die de regelmatigheid van het voorbereidend onderzoek betwisten hun middelen verduidelijken per conclusie, die vóór de lezing van het arrest tot verwijzing en de akte van beschulding moet worden ingediend.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 25 oktober 2010 blijkt dat de voorzitter van het hof van assisen de partijen heeft ondervraagd over hun bedoeling om alle in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde middelen op te werpen die zij aan de bodemrechter kunnen voorleggen. Volgens het proces-verbaal hebben de ondervraagde partijen verklaard geen conclusie te zullen neerleggen.

Daaruit volgt dat de opgeworpen onregelmatigheid, in de veronderstelling dat zij bewezen is, gedekt is en dat middel niet voor de eerste maal voor het Hof kan worden aangevoerd.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Geen rechtsmiddel met volle rechtsmacht

  • Geen hoger beroep

  • Cassatiemiddel